Genderneutrale formulering van wetgeving draagt bij aan inclusievere maatschappij
Genderneutrale formulering van wetgeving draagt bij aan inclusievere maatschappij
Iedereen moet zich gehoord en erkend voelen in onze maatschappij. Uit onderzoek blijkt dat taal een krachtig middel is om meer gelijkheid na te streven. Dat wordt steeds breder erkend, ook internationaal. ‘Feminisme is een taalstrijd’, merkte Maaike Meijer in 1994 al terecht op. Toch staan onze wetboeken anno 2026 nog bomvol mannelijke aanduidingen. Dat is niet meer van deze tijd, en werkt bovendien ongelijkheid in de hand. Hoe kunnen we wetgeving genderneutraler formuleren? Lector Amber Oomen (HAN University of Applied Sciences) deed er onderzoek naar en schreef een adviesrapport met aanbevelingen hoe we onze wetgeving inclusiever kunnen formuleren. Ze vertelt erover in dit artikel.
Wat je leest in dit artikel
Genderneutrale berichtgeving wordt steeds belangrijker. Hoe zit dat in onze wetboeken? Uit onderzoek blijkt dat daarin veel genderspecifieke termen worden gebruikt, met name termen die verwijzen naar mannen. Dat kan anders. Onderzoekers van de HAN onderzochten hoe en schreven er een adviesrapport over.
Over het onderzoek
Bij het opstellen van wet- en regelgeving moeten, indien mogelijk, sekseneutrale persoonsaanduidingen worden gebruikt. Voor wat betreft de huidige wetten is na een inventarisatie van het Burgerlijk Wetboek in 2022 gebleken dat daar nog regelmatig termen met een mannelijke connotatie in staan. In het onderzoeksproject Genderneutrale formulering van wetgeving werd geïnventariseerd hoe vaak deze termen voorkomen in onze wetboeken en wat inclusievere alternatieven zijn
Amber Oomen is lector Begrijpelijk en Toegankelijk Recht bij de HAN. Met haar onderzoeken draagt ze bij aan maatschappelijk effectief en sociaal rechtvaardig recht. Opgeleid als neerlandica en met een scherp oog voor de rol van taal in het recht laat ze zien hoe ontoegankelijke juridische communicatie leidt tot ongelijkheid en hoe begrijpelijke taal juist bijdraagt aan vertrouwen in de rechtsstaat.
We schreven eerder een artikel over het onderzoek Rechtspraak is van iedereen van Amber Oomen.
Genderneutrale formulering van wetgeving
Het onderzoek Genderneutrale formulering van wetgeving ontstond door een aanvraag van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC): een onafhankelijk kennisinstituut dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het WODC draagt bij aan behoud en verbetering van de rechtsstaat via het (laten) uitvoeren van kwalitatief hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek.
Oomen: “Het WODC zocht onderzoekers met expertise op juridisch en taalkundig vlak. Die combinatie is er niet veel. Wij zijn benaderd om een voorstel in te dienen. Wat uniek was aan ons onderzoeksvoorstel was dat we naast taalkundigen en juristen ook een data-scientist aan boord hadden. Zij kon met een algoritme de wetboeken volledig doorzoeken naar genderspecifieke taal. De vraag was of wetten genderspecifiek zijn. Uit vooronderzoek bleek dat dat zo was. Naar aanleiding van die conclusie wilde het WODC dat breder laten uitzoeken. We hebben onderzocht hoeveel genderspecifieke termen er in de wetboeken staan, en hoe die anders geformuleerd kunnen worden.”
Persoonsaanduidingen
Genderspecifiek taalgebruik zijn termen die expliciet verwijzen naar een specifiek geslacht, bijvoorbeeld man of vrouw. De onderzoekers keken daarbij naar persoonsaanduidingen en voornaamwoorden. Het bleek dat in onze wetboeken persoonsaanduidingen voornamelijk worden aangeduid met mannelijke termen.
Oomen: “We kwamen er al snel achter dat veel persoonsaanduidingen in wetboeken genderspecifiek zijn; denk bijvoorbeeld aan koopman, raadsman of raadsheer. Ook zijn er woorden die mogelijk genderspecifiek zijn, bijvoorbeeld advocaat, arts of rechter. Of die woorden als genderspecifiek worden ervaren hangt af van de context, stereotypering en maatschappelijke ontwikkelingen. Waar vroeger veel mensen psycholoog associeerden met een man, is dat vandaag de dag allang niet meer zo. Dat geldt wellicht ook voor advocaat of rechter. Voor dit soort woorden geldt dat niet objectief is vast te stellen of ze (altijd) als mannelijk of vrouwelijk worden ervaren. Ook zijn er geen makkelijke alternatieve benamingen. We hebben geadviseerd deze woorden dus te behouden.
De expliciete genderspecifieke benamingen zoals koopman of raadsman kunnen wél goed vervangen worden. Buiten het feit dat ze niet genderneutraal zijn, zijn het vaak ouderwetse woorden die we niet meer gebruiken. Dat is niet zo gek. Een deel van onze wetten werden geschreven in een tijd waarin we nog heel anders keken naar man-vrouwverhoudingen. De formuleringen uit die tijd zijn nooit aangepast, maar we kunnen ze wel makkelijk vervangen. Koopman wordt bijvoorbeeld handelaar, en raadsman wordt advocaat.’"
Voornaamwoorden
De onderzoekers keken ook naar voornaamwoorden: woorden die verwijzen naar personen, dieren of zaken zonder ze bij hun eigenlijke naam te noemen. In de wetboeken staan vrijwel uitsluitend mannelijke voornaamwoorden.
Oomen: “We kwamen al snel tot de conclusie dat in onze wetboeken vrijwel uitsluitend mannelijke voornaamwoorden staan: er staat overal hem, hij en zijn. We weten wel dat wetten waarin verwezen wordt met ‘zijn’ ook vrouwen worden bedoeld. Maar door al die mannelijke voornaamwoorden krijgen die wetboeken een sterk mannelijke invulling. Zulke aanduidingen kunnen makkelijk worden vervangen door die of diens of door herhaling over wie het gaat: bijvoorbeeld betrokkene of pleger.”
Van genderspecifiek naar inclusief
Er is al langer aandacht voor inclusiever taalgebruik. Voor veel mannelijke persoonsaanduidingen zijn immers vrouwelijke tegenhangers. Denk aan voorzitter - voorzitster en verzoeker - verzoekster. Persoonsaanduidingen die nu alleen in hun mannelijke vorm voorkomen in de wetboeken.
Oomen: “Dit onderzoek naar formuleringen in wetgeving aanpassen past binnen een bredere ontwikkeling om meer inclusieve taal te gebruiken. Waar dat veertig jaar geleden nog ging over vrouwelijke benamingen voor bepaalde beroepsgroepen, is de aandacht nu verschoven naar inclusievere taal.
Ook omdat de vrouwelijke benaming vaak niet dezelfde lading of status heeft als de mannelijke aanduiding. Bij een directeur denken mensen vaak aan een CEO van een groot bedrijf, terwijl directrice met het hoofd van een basisschool wordt geassocieerd. Daardoor kun je je afvragen of het gebruiken van een vrouwelijke tegenhanger het doel voorbijschiet. We hebben ons in dit onderzoek dus meer gefocust op inclusief taalgebruik. Zodat niet alleen vrouwen zich erin herkennen, maar ook non-binaire personen.”
Toekomstvisie
Als het aan Oomen ligt, ziet onze wetgeving er straks een stuk inclusiever uit.
Ze besluit: “Mijn onderzoeken staan altijd in het teken van de rechtsgebruiker. Die moet zich herkennen in het recht, en dus ook in wetgeving. We dagen het juridische werkveld steeds uit om te kijken door de ogen van de rechtsgebruiker en hoe het recht begrijpelijker en toegankelijker kan worden gemaakt. Er is momenteel een grote informatieongelijkheid tussen juristen en rechtsgebruikers. Die kloof leidt er in de praktijk toe dat mensen fouten maken of hun recht niet halen omdat ze de informatie niet begrijpen of niet weten waar ze moeten beginnen. Door die informatieongelijkheid te verkleinen, kan het recht beter aansluiten bij de leefwereld van burgers.’’

