Publicatie ‘Kopzorgen’ pleit voor neurodiversiteitsbril in onderwijs en zorg
Publicatie ‘Kopzorgen’ pleit voor neurodiversiteitsbril in onderwijs en zorg
In een gemiddelde hbo-klas zitten talloze studenten die net even anders leren, denken of verwerken. Maar door de sterke focus op medische diagnoses zoals ADHD en autisme, belanden zij vaak direct in een medisch hokje in plaats van dat er naar hun unieke talenten wordt gekeken. Wat als we het onderwijs zo inrichten dat flexibiliteit de standaard wordt en labels overbodig zijn? Sociaal wetenschapper en lector Simona Karbouniaris schreef mee aan een nieuwe publicatie in de boekenreeks ‘Kopzorgen’ om die neurodiversiteitsbril op de kaart te zetten. Ze vertelt erover in dit artikel.
Wat je leest in dit artikel
Dit artikel onderzoekt de impact van medische labels in het onderwijs en de zorg. Aan de hand van de introductie van het concept neurodiversiteit wordt bekeken hoe er meer ruimte kan ontstaan voor menselijke en mentale variatie. Lector Simona Karbouniaris deelt haar perspectief op hoe een flexibele benadering kan bijdragen aan een inclusievere leeromgeving.
Over de publicatie
De publicatie over neurodiversiteit maakt deel uit van de boekenreeks ‘Kopzorgen’, uitgegeven door LannooCampus. Dit project brengt wetenschappelijke inzichten, praktijkkennis en ervaringskennis samen. Het doel is om meer bekendheid te geven aan neurodiversiteit en concrete handvatten te bieden voor de zorg-, onderwijs- en privécontext.
Even voorstellen
Simona Karbouniaris is sociaal wetenschapper en actief binnen het hoger onderwijs. Ze is als lector GGZ actief binnen het hoger onderwijs, onderzoek gedaan binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en is gepromoveerd op het thema professionele ervaringskennis in de GGZ. Samen met psychiater Jim van Os schreef zij de meest recente publicatie binnen de reeks ‘Kopzorgen’, die zich specifiek richt op het concept neurodiversiteit. Sinds kort werkt Karbouniaris als lector bij Hogeschool Leiden, ten tijde van de publicatie was zij in dienst bij Hogeschool Utrecht.
Karbouniaris: “De aanleiding om in dit onderwerp te duiken is voor mij heel persoonlijk. Mijn zoon is neurodivergent; hij is hoogbegaafd en we hebben in het gezin gemerkt dat hij 'anders dan anders' leert en ervaart. Als ouder ben ik intensief met neurodiversiteit bezig geweest, maar ook vanuit professioneel oogpunt is het concept fascinerend. Het laat zien hoe het medische model en het sociale model samenkomen. Juist op dat kruispunt doe ik mijn meeste onderzoeken. Er heerst nog veel onbekendheid en er zijn veel rigide aannames over wat bijvoorbeeld autisme of ADHD is. Door een neurodiversiteitsbril op te zetten, creëer je meer onderling begrip voor elkaars kennis en ideeën.”
Diagnoses en de praktijk
In de huidige maatschappij en binnen het onderwijs wordt er veelvuldig gebruikgemaakt van officiële labels. Hoewel een diagnose voor individuen rust kan geven, signaleert de verkenning binnen ‘Kopzorgen’ dat een classificatie op zichzelf weinig zegt over hoe iemand de problematiek daadwerkelijk in het dagelijks leven ervaart.
Karbouniaris: “De DSM geeft een aantal afgemeten kaders, maar mensen passen simpelweg niet in hokjes. Een label is vaak te simplistisch omdat er bijna altijd sprake is van een complexe interactie tussen de persoon en de omgeving, inclusief de verwachtingen die daar leven. Als we kijken via de neurodiversiteitsbril, zien we dat het vrijwel altijd gaat om een combinatie van een gevoeligheid én een specifiek talent. Mensen zijn niet alleen een 'probleem'; ze hebben unieke kwaliteiten die ze uitstekend kunnen inzetten als ze de juiste ondersteuning en ruimte krijgen om dit te reguleren. Op dit moment kleeft er nog te veel stigma aan labels. Bij autisme denkt men direct dat iemand niet sociaal is, terwijl mensen met autisme juist enorm sociaal en gevoelig kunnen zijn. Omdat neurodiversiteit een relatief nieuwe term is, staan mensen er vaak opener tegenover.”
Kansen voor onderwijs en zorg
Binnen het hbo verschijnen er steeds meer hulpmiddelen, zoals digitale toolboxes, om de leeromgeving aan te passen aan de variëteit van studenten. De onderzoekers pleiten ervoor om de nadruk te leggen op menselijke en mentale variatie, wat vraagt om een flexibelere inrichting van het onderwijssysteem.
Karbouniaris: “Onderwijs en zorg worden nu nog te vaak tegenover elkaar gezet, terwijl er juist enorme kansen liggen in de samenwerking. Het onderwijs moet uiteraard geen therapeutische omgeving worden, maar leren maakt wel degelijk fundamenteel deel uit van een herstelproces. De onderwijscontext is soms bang om therapeutische termen binnen te halen, en de zorg staat vaak te weinig open voor lerende concepten. Een prachtig voorbeeld waar deze werelden al samenkomen zijn de zogenaamde herstelacademies: laagdrempelige plekken waar mensen met psychische uitdagingen samenkomen en waar hbo's een deel van de cursussen verzorgen. Juist door die kruisbestuiving te stimuleren en meer tolerantie te hebben voor verschillende leerprofielen, ontstaat er echt inclusief onderwijs.”
“Denk aan modulair onderwijs of alternatieve toetsvormen. Als een student met dyslexie of dyscalculie geen dik rapport kan opleveren binnen een paar weken, laat diegene de toetsing dan mondeling doen. Het niveau hoeft niet minder te zijn, het kan juist vaak beter of diepgaander uitpakken. Een leven lang ontwikkelen betekent ook dat we studenten gedurende hun hele loopbaan de ruimte en flexibiliteit geven om op hun eigen manier en tempo te leren, zonder dat ze vastlopen in starre structuren.”
De kracht van ervaringskennis
Een aspect dat in de traditionele zorg- en onderwijscontext aandacht behoeft, is ervaringskennis: de specifieke kennisbron die voortkomt uit de verhalen en ervaringen van de hulpvragers of studenten zelf. In het boek zijn diverse casusomschrijvingen opgenomen om deze stem een podium te geven.
Karbouniaris: “In de GGZ wordt er traditioneel veel gehandeld op basis van wetenschappelijke inzichten en praktijkkennis, maar ervaringskennis wordt nog te vaak over het hoofd gezien. Dat is een gemiste kans, want in veel situaties waarin mensen volledig vastlopen, ligt de sleutel tot de oplossing juist in die ervaringsinvalshoek. Voor de publicatie hebben we diverse mensen geïnterviewd en hun verhalen verwerkt. De reacties uit het werkveld zijn ontzettend positief. Professionals die bijvoorbeeld met autisme werken, gaven aan dat het boek hen nieuwe inzichten gaf en dat ze voorheen zaken over het hoofd hebben gezien. Daarnaast richten we ons in het boek sterk op wat mensen zelf kunnen doen, zoals het opzoeken van peer support. Het helpt enorm om te spiegelen met gelijkgestemden, zodat je niet constant het gevoel hebt dat je 'gek' bent of er niet bij hoort.”
Toekomstvisie
Vooruitkijkend naar de toekomst ligt een belangrijke uitdaging in het cultiveren van een adaptieve houding bij zowel docenten als werkgevers, waarbij de omgeving zich aanpast aan de persoon.
Karbouniaris: “Van een docent voor de klas vraagt dit nieuwe denken vooral om een scherp bewustzijn van de variëteit onder studenten. Ga niet direct medicaliseren of roepen dat iemand in de zorg thuishoort. Denk creatief mee. Mensen die neurodivergent zijn, kunnen snel overprikkeld raken, maar evengoed heel snel onderprikkeld raken als de stof niet aansluit. Pas je didactiek daarop aan, bijvoorbeeld door theorie af te wisselen met praktijkgerichte opdrachten. Mijn ideale, labelvrije klaslokaal van de toekomst is breed inclusief. Het omvat diversiteit in cultuur, sekse en voorkeuren, en de neurodiversiteitscomponent. We moeten leren kijken naar de specifieke gevoeligheden en talenten aan de hand van flexibele leeruitkomsten. Ik hoop dat we onzekerheid of atypicaliteit niet langer zien als een defect dat we moeten herstellen, maar als een uitnodiging tot leren en een prachtige ontwikkelkans.”
Meer weten over neurodiversiteit in het onderwijs? Bezoek 'Kopzorgen. Neurodiversiteit begijpen'.
