Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Je hoeft maar een krant open te slaan en er staat wel iets over de grote opgave waar de bouw voor staat. Er moeten op korte termijn bijna een miljoen woningen bijkomen, er is een klimaatakkoord om aan te voldoen en wijk voor wijk moeten onze steden aardgasvrij worden. Deze toch al grote taken moeten bovendien met steeds minder mensen worden vervuld, waarbij zorgvuldig met de grondstoffen moet worden omgaan en dit alles moet middels betaalbare oplossingen worden gerealiseerd. Met bovenstaande opgave zou je verwachten dat de sector gebouwde omgeving drukdoende is om zich voor te bereiden op die opgave van morgen. Alleen al voor de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad gaat het om een omvang van 1.000 woningen per dag. Dat is voldoende aanleiding om als bedrijf op zoek te gaan naar nieuwe productiewijzen, andere producten of andere verdienmodellen, om continuïteit voor de toekomst vast te leggen. Maar als we kijken naar het overgrote deel van de bedrijven in de bouwsector zijn ze toch vooral bezig met de opgave van vandaag en ontbreekt de aandacht voor morgen. We kunnen stellen dat er in de bouwsector nog steeds slechts beperkt naar voren wordt gekeken. Maar gelukkig zijn er ook plekken waar die blik wel op de toekomst gericht is, plekken waar ook onderzoek wordt gedaan. Daar wordt onder meer gekeken naar wat er nodig is om de renovatieopgave te kunnen vervullen. De hogescholen in Nederland hebben hier een belangrijk aandeel in. Niet alleen leiden ze de hbo-professionals van morgen op, maar ze doen ook in nauwe verbinding met de praktijk, onderzoek naar de (renovatie)opgave van morgen.
DOCUMENT
Gegeven de andere setting van hogescholen ten opzichte van universiteiten, het belang dat wordt toegekend aan samenwerking tussen hogescholen en het regionale MKB bedrijfsleven en de observatie dat deze samenwerking nog niet optimaal verloopt, is het van belang om te weten welke invloed de verschillende dimensies van nabijheid hebben op de samenwerking tussen hogeschool en bedrijfsleven. Cees Ridder, als docent verbonden aan de community Global Marketing & Sales van de opleiding Commerciële Economie, heeft zijn masterscriptie over dit onderwerp geschreven. Het onderzoek is uitgevoerd middels een multiple casestudy naar de invloed van de cognitieve, organisatorische en sociale nabijheid op de samenwerking tussen hogeschool en bedrijfsleven, wordt inzicht verschaft in overeenkomsten en verschillen met de samenwerking die de universiteit kent met het bedrijfsleven. Opdrachtgever van het onderzoek was Arjen van Klink. De scriptie is samengevat in een paper, dat via onze website is te downloaden.
DOCUMENT
Presentatie aan directeuren, Vereniging Hogescholen, HEO Sector 6 maart 2015.
DOCUMENT
Beide hogescholen hebben twee praktijkvoorbeelden van samenwerking met de sociale dienst uitgewerkt. Beide verschillen van insteek. Het voorbeeld van Fontys Hogeschool start vanuit vernieuwingen in het werkveld, in het bijzonder het werken met de zelfredzaamheidsmatrix. Er is vanuit de hogeschool in samenwerking het werkveld een implementatieplan uitgewerkt hoe de ZRM een integraal onderdeel kan worden van het hele dienstverleningsproces. De Hanzehogeschool Groningen heeft gekozen om in te steken bij het onderwijs en vandaaruit de samenwerking te zoeken met de sociale dienst. Vier SJD-studenten van de specialisatie Recht & Multi-problem kregen als junior-medewerkers de opdracht een intake op locatie voor Groningse dak- en thuislozen te ontwerpen. Samen met een docent/onderzoeker en vijf teamleiders afkomstig van de sociale dienst en opvangvoorzieningen gingen zij in een werkleeratelier aan de slag, met als uitkomst een adviesrapport.
DOCUMENT
De huidige grote en middelgrote hogescholen in Nederland zijn vanaf het eind van de jaren '80 ontstaan uit instellingsfusies die tot op heden - zij het in een afgezwakt tempo - doorgaan. Lag in de gefuseerde instellingen aanvankelijk de nadruk op het verbinden van alle afdelingen en geledingen op bestuurlijk niveau, in de loop van de jaren '90 is in de meeste hogescholen de problematiek van de beheersorganisatie prominent op de agenda gekomen. Ondersteunende processen werden gecentraliseerd in centrale diensten en in veel hogescholen werd de organisatie verplat door de oude faculteiten te ontmantelen ten gunste van nieuwe, veel kleinere onderwijsafdelingen die bekend werden onder allerlei namen als "academies", "schools", "instituten" of zelfs weer als "faculteiten". Een van de ondersteunende processen waar hogescholen veel moeite mee hadden, was het roosterproces. Menig roosterverbeterproject is de afgelopen jaren uitgevoerd met doelstellingen die varieerden van de selectie en implementatie van een nieuw roosterpakket voor de hele hogeschool tot het opstellen van een administratieve organisatie voor het roosterproces en/of het centraliseren van dat proces in een centraal roosterbureau. En hoewel deze activiteiten in het algemeen hebben geleid tot verbeteringen, is het roosterproces ondanks al deze inspanningen voor de meeste hogescholen een zorgenkind gebleven dat voortdurend nieuwe pijnpunten oplevert. Parallel aan deze organisatorische ontwikkelingen deden zich vanaf de jaren '90 onderwijskundige ontwikkelingen voor die zowel voor het onderwijs als voor de ondersteuning consequenties hadden. In hun zoektocht naar een betere aansluiting van het hoger beroepsonderwijs met de praktijk waarvoor wordt opgeleid, voerden de opleidingen nieuwe onderwijsvormen in zoals probleemgestuurd onderwijs en competentieleren. Hierdoor kwamen de traditionele onderwijsprogramma's en de gebruikelijke groepsgrootten onder druk te staan. Om het onderwijs bovendien beter te laten aansluiten bij de persoonlijke ontwikkeling van de studenten werden vormen van vraaggestuurd onderwijs ingevoerd die de traditionele groepsvorming binnen het onderwijs doorbraken. Meer dan competentieleren heeft vraaggestuurd onderwijs impact op het roosterproces omdat de activiteiten van de studenten niet meer groepsgewijs door de opleidingen gepland kunnen worden, maar binnen zekere grenzen door de studenten zelf worden bepaald. In het HBO vindt momenteel die omslag van aanbodgericht naar vraaggestuurd onderwijs plaats met grote gevolgen voor de onderwijslogistiek. Vooral de processen van planning en roostering spelen een sleutelrol in de organisatie van vraaggestuurd onderwijs. Tegelijkertijd heeft deze omslag consequenties voor de informatiehuishouding van de hogescholen, de plannings- en roosterapplicaties en de informatiearchitectuur. De problematiek van de invoering van vraaggestuurd onderwijs wordt nog gecompliceerder, doordat veel hogescholen hun plannings- en roosteringsprocessen voor het aanbodgerichte onderwijs nog altijd niet op orde hebben en de overstap naar vraagsturing dus moeten maken vanuit een instabiele procesorganisatie en een gebrekkige informatiearchitectuur. Maar in deze situatie kunnen ook kansen worden gezien. Door de overgang op een onderwijslogistiek voor vraaggericht onderwijs worden hogescholen opnieuw uitgedaagd na te denken over de inrichting van hun processen en hun informatiehuishouding en komen tevens de knelpunten van aanbodgerichte planning en roostering in een nieuw daglicht te staan. Bovenstaande is de achtergrond waartegen het Coördinerend Overleg Managers Informatie Technologie in het HBO (COMIT) in het najaar van 2008 het lectoraat ICT en Onderwijsinnovatie (LICTO) van Windesheim gevraagd heeft een knelpuntenonderzoek te doen op de huidige procesorganisatie en informatiehuishouding van planning en roostering bij de hogescholen. Het onderzoek is uitgevoerd in het voorjaar van 2009 en de belangrijkste bevindingen zijn aan COMIT gepresenteerd op zijn vergadering van 11 september 2009 in Groningen.
DOCUMENT
Hoewel de meeste hogescholen expliciet aangeven zich te richten op het realiseren van maatschappelijke waarde, vaak onder de noemer van Bildung of responsiviteit, krijgt dit onvoldoende uitwerking in jaarverslagen in termen van prestatie-indicatoren en andere verantwoordingselementen.
LINK
Full text via link. Binnen Hogeschool Utrecht, Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Inholland en Hogeschool Saxion is onderzocht hoe studenten worden uitgedaagd tot studieprestaties en hoe zij hun opleidingsprogramma’s ervaren. De onderzoeksresultaten geven inzicht in de ontwikkeling van interventies voor de invoering van een talentgericht programma. In dit artikel de resultaten van de nulmeting en een discussie over de invoering.
DOCUMENT
Het onderwerp IT Governance is in dit decennium in navolging van Corporate Governance ook in het hoger onderwijs op menig bestuurdersagenda terecht gekomen. Het betekent zoveel als deugdelijk IT bestuur. Het belang van IT Governance is onder andere gelegen in het feit dat de kosten van IT (aanschaf, beheer en onderhoud) een belangrijk deel uitmaken van de onderwijsbudgetten. Daarnaast is de strategische potentie van IT momenteel nog onvoldoende benut en liggen er op dat gebied enorme kansen. In dit rapport zijn de resultaten weergegeven van een onderzoek dat betrekking heeft op IT Governance binnen het Hoger Beroepsonderwijs in Nederland. Daartoe zijn tien van de grootste HBO-instellingen bezocht en is aan de CIO's gevraagd welke relatie er bestaat tussen IT Governance en de kwaliteit van het onderwijs (het primair proces). Uit het theoretisch vooronderzoek is gebleken dat er tal van methoden zijn die een instelling kunnen ondersteunen in de uitvoering van IT Governance. Het overgrote deel van deze methoden of raamwerken beperkt zich tot het "wat' van Governance en niet zozeer het "hoe'. In de praktijk blijkt dat er binnen de onderzochte instellingen vaak meerdere methoden impliciet en expliciet gebruikt worden en ook dat meerdere mensen binnen dezelfde instelling meer dan één methode naast elkaar gebruiken. Zodoende ontstaat een lappendeken aan methoden met even zoveel uitgangspunten en filosofieën. Ieder van de onderzochte instellingen heeft een gedelegeerd CIO zonder dat de lijnmacht, behorend bij de formele CIO-positie, mee wordt gedelegeerd. Dit leidt in de praktijk tot een situatie waarin de CIO geen formele macht heeft maar in de meeste gevallen wel invloed. Het feit dat de CIO "niet in de lijn' zit kan er voor zorgen dat de gewenste draagkracht en handelingssnelheid op het gebied van IT worden beperkt. Daardoor zitten de CIO's nu vaak in een spagaat tussen de aanbodkant van IT en de vraagzijde die door het onderwijs ingevuld moet worden. Meestal gebeurt dit via het informatiemanagement. In totaal zijn vanuit de onderzoeksresultaten 13 conclusies getrokken. Deze zijn gerangschikt in een zestal rubrieken. Zo is onder andere de conclusie getrokken dat affiniteit van de bestuurders onontbeerlijk is voor een adequate IT Governance. Deze affiniteit zien we steeds vaker terug bij de portefeuillehouders in de colleges van bestuur. Adequaat impliceert ook een dialoog tussen vraag en aanbod. Aan de vraagzijde (onderwijs) is het IT-bewustzijn onvoldoende ontwikkeld om een invulling te kunnen geven aan het partnerschap in de dialoog tussen onderwijs en IT. De inhoudelijke dialoog kan alleen gevoerd worden indien de resultaten bekend zijn van de inzet van IT ten behoeve van het onderwijs. Deze resultaten zijn vaak bij gebrek aan managementinformatie niet bekend waardoor er in feite geen sprake is van een volwaardige IT-beleidscyclus waarbij resultaten bottom-up input vormen voor beleidsaanpassingen top-down. Tot slot kenmerken de CIO's de eigen onderwijsinstelling vanuit IT-perspectief als procesgedreven. De wens om businessgedreven te werken is duidelijk aanwezig. Er zijn dertien inrichtingsfactoren gevonden die een positieve bijdrage kunnen leveren aan de uitvoering van IT Governance, waaronder de formele aanwezigheid van strategisch IT beleid, het nemen van verantwoordelijkheid en niet alleen het afleggen van verantwoording ten aanzien van IT, en het belang om IT vanuit organisatiekundig perspectief te benaderen in plaats van technische invalshoek. Wellicht de belangrijkste uitspraak van één van de respondenten luidde: "Structuren of methoden werken nooit uit zichzelf, mensen werken!" Deze uitspraak roept direct de volgende vraag op, namelijk "hoe werken ze'.
DOCUMENT
Uit het rapport: "Hogescholen verrichten praktijkgericht onderzoek. Dit onderzoek is gericht op het verhogen van de kwaliteit van de hbo-afgestudeerden, op het responsief houden van het onderwijs én op het innoveren van de beroepspraktijk. Hogescholen worden dan ook al geruime tijd betrokken bij het nationaal en regionaal beleid dat zich richt op de maatschappelijke waardecreatie vanuit kennis ofwel valorisatie. Zo zijn zij sinds het ontstaan actief betrokken bij het Valorisatieprogramma (2010) en wordt in het Hoofdlijnenakkoord (2011) gesproken over het ontwikkelen van een eigen set valorisatieindicatoren voor hogescholen. De brief ‘Wetenschap met Impact’ van staatssecretaris Dekker van 19 januari 2017 richt zich echter voornamelijk op de universiteiten. Dit is mede aanleiding voor de Vereniging Hogescholen om een eigen visie te ontwikkelen op de maatschappelijke waardecreatie vanuit kennis in het hbo en hier uitwerking aan te geven. Daarvoor is een Ad hoc commissie opgericht bestaande uit bestuurders en lectoren. In dit rapport presenteren zij hun visie en de uitwerking daarvan."
DOCUMENT