Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3In de discussies over een herziening van het taalcurriculum is een belangrijke plaats weggelegd voor de rol van begrijpend leesonderwijs. Daarvoor zijn de volgende redenen te geven. In de eerste plaats is begrijpend lezen een belangrijk onderdeel van het taalcurriculum vanaf groep 3 van het basisonderwijs tot en met het hoger onderwijs. In de tweede plaats is begrijpend lezen niet alleen een onderdeel van het taalcurriculum, maar een belangrijke voorwaarde bij het leren in alle vakken. In de derde plaats is begrijpend lezen een vaardigheid, waar maatschappelijk gezien een grote betekenis aan gehecht wordt, zowel in het privédomein (lezen voor plezier, of om goed te kunnen functioneren als burger) als in het beroepsdomein (kansen op een baan, steeds meer beroepen vereisen het gebruik en begrip van complexe teksten al of niet in een digitale omgeving). In de vierde plaats stelt de digitalisering en robotisering van de samenleving nieuwe eisen aan de vaardigheden van burgers bij de omgang met en het begrip van teksten. Juist het feit dat veel werk in de context van computers moet worden uitgevoerd, zorgt ervoor dat werknemers afhankelijk zijn van hun begrip van geschreven tekst, aangezien verreweg de meeste informatie schriftelijk is en vaak niet erg toegankelijk is geschreven.
DOCUMENT
Discussiëren over teksten is een belangrijke methode om leerlingen te helpen bij het gebruik van die teksten voor kennisverwerving. Het verwerven van nieuwe kennis is een van de belangrijkste functies van begrijpend lezen in het curriculum van basisonderwijs, voortgezet onderwijs en hoger onderwijs. Bij vrijwel alle vakken worden teksten gebruikt voor kennisverwerving. Vandaar dat we spreken van studerend lezen als een specifieke vorm van begrijpend lezen. Een andere vorm is verhaalbegrip (het lezen van fictie). Terwijl bij verhaalbegrip belevingsaspecten centraal staan (inleving, amusement, spanning, emotie), is studerend lezen gericht op de uitvoering van schoolse taken, zoals het beantwoorden van studievragen, het uitvoeren van (leer)opdrachten en het voorbereiden op een toets of examen. Dit hoofdstuk richt zich vooral op onderwijs waarin leerlingen teksten gebruiken voor kennisverwerving en de rol van discussie daarbij.
LINK
De onderzoeksvraag die in dit onderzoek gesteld is, was: “Welke invloed heeft het CORI-model op de motivatie en leeropbrengsten bij begrijpend lezen van leerlingen in de groepen 5 tot en met 8 van de basisschool?”
MULTIFILE
Bij het leren lezen kan oefensoftware veel voordelen bieden. Leerlingen kunnen individueel en op hun eigen niveau oefenen met de leerstof en krijgen daarbij directe feedback. Het is echter niet altijd makkelijk om oefensoftware op een goede manier in het onderwijs in te zetten, bijvoorbeeld vanwege een beperkt aantal computers op school, of vanwege organisatorische moeilijkheden bij het inpassen van het computerwerk in het lesprogramma. In het onderzoeksproject EDiLe (Effecten van een Digitaal leermiddel bij het leren Lezen) is onderzocht hoe oefensoftware het beste kan worden ingezet in het leesonderwijs in groep 3 en welke effecten de software heeft op de leeruitkomsten. Het onderzoek werd gefinancierd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).
DOCUMENT
In Leer ze lezen, praktische inzichten uit onderzoek voor leraren basisonderwijs zijn 23 kernpublicaties uit de schatkamer van het internationale onderzoek bijeengebracht. Leesonderzoekers Amos van Gelderen, Kees de Glopper en Roel van Steensel selecteerden 23 kernartikelen over de fundamenten van goed leesonderwijs. Onderwijsjournalist Bea Ros beschrijft in een toegankelijke stijl hoe leraren en schoolleiders uit het basisonderwijs iedere leerling kunnen leren lezen. Leer ze lezen bestrijkt het hele palet van ontluikende geletterdheid tot en met tekstbegrip en geeft uitsluitsel over het belang van onder meer leesmotivatie, leesstrategieën en thematisch leesonderwijs.
DOCUMENT
Zo’n 10 tot 15 procent van de leerlingen in het basisonderwijs ondervindt problemen bij het technisch leesonderwijs. Om zwakke lezers een inhaalslag te laten maken, blijkt de methodiek Begeleid hardop lezen effectief. Dat wijst experimenteel onderzoek naar de varianten Verder lezen en Opnieuw lezen in de verschillende leerjaren uit. Ook laten de uitkomsten zien dat het leesplezier via deze aanpak bij de zwakke lezers toeneemt.
DOCUMENT
Dit rapport beschrijft een ontwerpgericht onderzoek waarin de aanpak ‘Leraren als leesbevorderaars’ centraal staat. De aanpak heeft als doel om de leesmotivatie, het leesgedrag, de kennis van (recente) jeugdboeken en de deskundigheid van leraren op het gebied van leesbevordering te vergroten. Zo worden leraren in staat gesteld om leerlingen te enthousiasmeren voor lezen en om hen passende boeken aan te raden.
DOCUMENT
‘Lezen gaat voor (LGV)’en ‘Lezen gaat door (LGD)’ zijn twee projecten voor verbetering van het leesonderwijs. LGV richt zich op de zwakke technische lezers in groep 4. LGD is het vervolgproject voor leerlingen die ook in groep 5 nog een forse leesachterstand hebben. In beide projecten maken scholen kennis met effectieve methodieken voor leerlingen die bij het leren lezen een ernstige stagnatie vertonen. Ook maken scholen een leesverbeterplan om de kwaliteit van het leesonderwijs schoolbreed een impuls te geven. LGV is gestart in het schooljaar 2004-2005, LGD twee jaar later in 2006-2007. Inmiddels hebben enkele tientallen scholen in Almere en Lelystad aan één of beide projecten meegedaan. Meedoen impliceert een begeleide pilotperiode van twee jaar, waarna de school geacht wordt zonder begeleiding de LGV- en LGD-aanpak te continueren. Het onderzoek is uitgevoerd op twee scholen die de pilotperiode inmiddels hebben afgesloten. Eén school heeft aan beide projecten deelgenomen, de andere alleen aan LGV. Tijdens het onderzoek zijn gegevens verzameld over de vorderingen van leerlingen. Ook zijn gesprekken gevoerd met intern begeleiders en met onderwijsassistenten. Aangezien de representativiteit van beide scholen voor de groep van alle projectscholen onbekend is, zijn de navolgende uitkomsten en conclusies beperkt generaliseerbaar. In de pilotperiode zijn, gerekend over twee jaar en over beide scholen, in totaal 21 leerlingen begeleid. De leerlingen kregen vijftien weken lang vier maal per week gedurende een half uur één-op-één leeshulp. De leeshulp werd deels gegeven door een pabo-student, deels ook door een onderwijsassistent. Wat betreft technisch lezen hebben de leerlingen duidelijke vooruitgang geboekt. Hoewel nog geen van de leerlingen groep 8 heeft bereikt, lijkt het een redelijke veronderstelling dat voor nagenoeg alle leerlingen AVI-9 binnen bereik is. Vijf leerlingen hebben dit niveau al in leerjaar 6 of 7 bereikt. De betrokken leerlingen zijn, vergeleken met hun leeftijdsgenoten, zwakke technische lezers gebleven. Wat begrijpend lezen betreft is het beeld gunstiger. Enkele leerlingen hebben een niveau bereikt waarmee ze zich met hun klasgenoten kunnen meten. In de periode ná de pilot hebben, wederom gerekend over beide scholen, elf van de veertien daarvoor in aanmerking komende leerlingen LGV-leeshulp van de school gekregen. Hun vorderingen vertonen, voor zover zich dat nu laat aanzien, hetzelfde patroon als van de eerder genoemde leerlingen. Het is op beide scholen een gunstige omstandigheid geweest dat de huidige interne begeleiders en onderwijsassistenten dezelfde zijn geweest die de pilotperiode hebben meegemaakt. De methodieken zijn daardoor binnen de school verankerd. Een probleem is soms wel om de vereiste begeleidingsfrequentie – vier maal per week – te realiseren. Beide scholen hebben een leesverbeterplan ontwikkeld en uitgevoerd. Omdat de plannen niet door de scholen zijn geëvalueerd, is het moeilijk aan te geven wat de resultaten ervan zijn geweest. Uit een analyse van de groeps- en schoolgemiddelden op diverse toetsen voor begrijpend lezen is naar voren gekomen dat er van een trendmatige ontwikkeling geen sprake is, noch in positieve, noch in negatieve zin. De jaarlijkse variatie is zo groot – ondanks groepsgroottes van omstreeks 25 leerlingen of meer per leerjaar – dat een eventuele trendmatige ontwikkeling ook niet gemakkelijk zichtbaar te maken is. In de discussie wordt ingegaan op het belang van follow-up onderzoek, niet alleen in het geval van deze projecten, maar zeker ook meer algemeen. Verder wordt besproken dat de relatie tussen onderwijsinnovatie en verbeterde leerresultaten niet eenduidig is. In de eerste plaats zijn er veel contextfactoren die bepalen of een innovatie tot verbeterde leerresultaten leiden. In de tweede plaats zijn leerresultaten – ook als ze zijn vastgesteld met Cito-toetsen – niet altijd eenduidig te interpreteren
DOCUMENT
Lezen is belangrijk voor een soepele schoolcarrière, het is iets dat onderzoekers keer op keer benadrukken. Maar wat maakt lezen eigenlijk leuk? En wanneer is het helemaal niet leuk? Spanning en humor blijken de belangrijkste ingrediënten voor een goed kinderboek. Althans, volgens 26 Groningse groep 5 kinderen die zijn geïnterviewd over lezen.
LINK
Uit het project ‘Schoolcijfers’ is naar voren gekomen dat OBS het Landje het onderwijsaanbod met betrekking tot het voorbereidend technisch lezen in groep 1/2 optimaal wil verbeteren, zodat ze hun leerlingen zo goed mogelijk kunnen begeleiden in de overgang van groep 2 naar groep 3.
DOCUMENT