Types
0Instelling
26Publicatiejaar
6Producttype
18Bestandstype
9Taal
5Onderzoeksthema's
13Publicaties met bestand/URL
2Projectstatus
3Dit literatuuronderzoek gaat over de competenties waaraan een hbo docent dans in het primair onderwijs moet voldoen. Er zijn verschillende redenen voor de keuze van dit onderwerp. Ten eerste zijn het mijn eigen ervaringen. Nadat ik afstudeerde aan de kunstvakopleiding docent dans heb ik voornamelijk in het primair onderwijs gewerkt als dansdocent. Door mijn brede vakopleiding tot dansdocent ontbrak naar mijn inziens specifieke kennis en vaardigheden benodigd voor het werken in het primair onderwijs. Toen ik op zoek ging naar een competentieprofiel voor de dansdocent in het primair onderwijs heb ik dit niet kunnen vinden. Dit was mij een prikkel om op zoek te gaan naar literatuur over dit onderwerp. Ten tweede is er onlangs het onderzoek “Dans in zicht. Onderzoek naar het voorkomen van het vak Dans in het (speciaal) basisonderwijs in Nederland. Onderzoek en tekst: Maaike Reijntjes(2009)” uitgebracht. Hieruit blijkt dat dans in het primair onderwijs nog in de kinderschoenen staat. Dit komt onder andere door het ontbreken van draagvlak en expertise ( Reijntjes, 2009). Het onderzoek van Reijntjes doet een aantal aanbevelingen zoals het ontwikkelen van een traject voor deskundigheidsbevordering en het opleiden van dansdocenten op het gebied van dans in het basisonderwijs. Dit heeft mij ertoe bewogen om onderzoek te doen naar welke specifieke competenties een HBO dansdocent nodig heeft om werkzaam te zijn in het primair onderwijs. Het is niet mijn bedoeling om een nieuw profiel te ontwikkelen in dit literatuuronderzoek maar het is wel mijn doel om te analyseren welke competenties een HBO dansdocent nodig heeft in het primair onderwijs. Als basis gebruik ik het opleidingsprofiel Docent Dans (Bachelor) dat in 2004 in opdracht van het KVDO (Netwerk Kunstvakdocentenopleidingen) is geschreven. Vervolgens wordt onderzocht in hoeverre deze competenties aangepast kunnen worden aan het primair onderwijs.
ANDERSOORTIG MATERIAAL
Het doel van dit onderzoek was:
Inzicht geven in het effect van de inzet in de pilots op kwantiteit en kwaliteit van het “dagarrangement sport en bewegen” binnen de betrokken scholen, en in de tevredenheid en ervaring van betrokken scholen en leerlingen hierbij.
Op basis hiervan zijn drie onderzoeksvragen gesteld, die achtereenvolgens zullen worden beantwoord.
1. Wat is de invloed van de pilotprojecten op de kwantiteit (het aanbod) en de kwaliteit van het bewegingsonderwijs op de betrokken scholen?
Het aantal gymlessen per week dat gegeven wordt door de vakdocent is op alle scholen uit de pilot toegenomen (met uitzondering van ’t Kompas, waar al twee lessen per week verzorgd werden door de vakdocent). Op drie van de acht gevolgde scholen worden nu twee gymlessen per week verzorgd door de
vakdocent. Op de overige scholen is dat één dag per week, krijgen slechts één of enkele klassen twee lessen per week gym van de vakdocent. Volgens zowel leerlingen als betrokkenen uit de scholen is de kwaliteit van
het bewegingsonderwijs verbeterd sinds de pilot: de leerlingen beoordelen de kwaliteit van de gymlessen gegeven door de vakdocent hoger (leukere en betere lessen), er worden meer verschillende activiteiten aangeboden in de gymlessen en de gymles wordt als leerzamer ervaren. Bovendien zijn er in de gymles die
gegeven wordt door de vakdocent minder leerlijnen die niet aan bod komen dan in de gymles gegeven door de groepsleerkracht.
2. Wat is het effect van de pilotprojecten op het aanbod (de kwantiteit) en de kwaliteit van het tussenschools en naschools sportaanbod?
Met betrekking tot het tussenschools sportaanbod: de pauze met sportieve activiteiten is op het merendeel van de scholen gerealiseerd. Op de Wilster en de Huifkar vestiging Woltersum is dat (nog) niet het geval, op de
Fontein wordt hiermee gestart na de meivakantie. 82% van de bevraagde kinderen heeft één of meerdere keren deelgenomen aan het de pauze met sportieve activiteiten. 40% zegt in zo’n pauze meer te bewegen en
40% zegt dat dit soms het geval is. De meting met de stappentellers laat niet zien dat er in een dergelijke pauze meer wordt bewogen, maar om dit duidelijker in kaart te brengen zou meer onderzoek moeten worden gedaan. Betrokkenen vanuit de scholen geven vooral aan dat de pauze met sportieve activiteiten leidt tot een leukere pauze, die leidt tot rustiger kinderen en minder ruzies op het schoolplein. Vooraf was wellicht niet altijd goed duidelijk wat er verstaan wordt onder een kwalitatief beter tussenschools sportaanbod. Eén van de
vakdocenten merkt bijvoorbeeld op dat het doel van een sportieve pauze ook zou moeten zijn dat kinderen zelf beter leren om activiteiten op te zetten, uit te voeren en aan te passen, zodat dit ook buitenschools tot een actievere leefstijl leidt. Of dat ook het geval is, is nu niet duidelijk. In het naschools aanbod is tot op heden weinig veranderd als gevolg van de pilot. Wel geeft ruim 80% van de bevraagde kinderen aan dat de vakdocent hen soms of regelmatig wijst op naschools sportaanbod.
3. Welke succes- en faalfactoren spelen een rol bij het aanbieden van een dagarrangement sport- en bewegen op scholen in het primair onderwijs?
Hoewel het aanbieden van een dagarrangement sport en bewegen op de scholen op verreweg de meeste scholen nog een brug te ver is, zijn de doelstellingen op het gebied van de kwaliteit van het bewegingsonderwijs en het tussenschools aanbod redelijk behaald. Op plekken waar het aanbieden van een
dagarrangement sport en bewegen wel lijkt te lukken, is dat vaak als gevolg van een structuur die er al ligt: in Groningen bijvoorbeeld vanuit BSlim en op een andere school verzorgt de vakdocent ook het naschools
aanbod. Een belangrijke factor die een rol heeft gespeeld in de pilot is de snelle termijn waarmee één en ander is opgezet. Hoewel overal verkennende gesprekken zijn gevoerd en men unaniem enthousiast aan de slag is
gegaan, waren de doelstellingen vooraf niet bij alle betrokkenen helemaal duidelijk, of hebben die bij aanvang minder prioriteit gehad. De doelstelling ‘verhoging kwaliteit bewegingsonderwijs door inzet van de vakdocent’ is door alle betrokkenen erkend en overal ook wel gerealiseerd. Voor de andere doelstellingen geldt dat er
mogelijk te weinig tijd is geweest om bij alle betrokkenen draagvlak te creëren (bijvoorbeeld voor het ondersteunen van groepsleerkrachten bij hun professionalisering in het bewegingsonderwijs). De context op de verschillende scholen (bv. samenwerking met naschools sportaanbod, aanwezigheid groepsleerkrachten tijdens de gymlessen, de opzet van de tussen de middag opvang) is gedurende de looptijd van de pilot langzamerhand duidelijk geworden. Hierop wordt door de betrokkenen zo goed mogelijk maatwerk gecreëerd.
RAPPORT
Het lectoraat ‘Kunst- en Cultuureducatie’ van de AHK heeft voor Stichting Amsterdamse Muziekeducatie (Amuze) een scan gemaakt waarmee de stand van zaken betreffende muziekonderwijs op basisscholen in kaart kan worden gebracht. Deze ‘Amuze Muziek Primair Onderwijs Scan’ is mede ontwikkeld op basis van de uitkomsten van een literatuurstudie maar ook op bestaande instrumenten zoals deze door de SLO, het Ministerie van OCW en de KPC-groep ontwikkeld zijn. De scan is getest op vijf scholen binnen een stadsdeel. Op- en aanmerkingen die naar voren zijn gekomen uit deze pilot hebben geleid tot de bijstelling van de definitieve scan. De belangrijkste onderwerpen die in de scan aan de orde worden gesteld zijn de visie van de school op muziekonderwijs, de doelen, de omvang en de inhoud van het muziekonderwijs, de randvoorwaarden en coördinatie, de samenwerking met muziekeducatieve instellingen, de ambities van de school en de wensen ten aanzien van Amuze partners. De Amuze Muziek Primair Onderwijs Scan kan zowel door scholen als instellingen gebruikt worden.
ARTIKEL
In het primair onderwijs is er een lerarentekort en volgens prognoses gaat dit tekort de komende jaren verder oplopen. Basisscholen in Utrecht hebben of krijgen ook met tekorten te maken. Deze tekorten kunnen ervoor zorgen dat scholen hun onderwijs anders zullen moeten gaan organiseren. Dit betekent minder leerkrachten voor dezelfde hoeveelheid leerlingen. Utrecht Leert heeft een subsidie beschikbaar gesteld om scholen te stimuleren te gaan experimenteren met anders organiseren, om deze tekorten op te vangen. Deze subsidie heet de experimenteerregeling. Voor scholen was er 16.000 euro beschikbaar om (verder) te experimenteren met anders organiseren. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Utrecht Leert. Het doel was om verder te kijken dan enkel te inventariseren welke maatregelen scholen nemen bij anders organiseren. Er is ook onderzocht welke keuzes scholen maakten, hoe zij het veranderproces organiseerden en wat de gepercipieerde meerwaarde voor leerlingen, leerkrachten en de school was.
RAPPORT
In deze notitie gaan we in op meertaligheid: wat is het, en hoe speelt het een rol in zowel de samenleving als in het onderwijs? We schetsen het overheidsbeleid rond meertaligheid: hoe is meertaligheid uitgewerkt in de huidige leerplankaders en welke plek heeft meertaligheid in de Nederlandse wet? Ook beschrijven we de rol van meertaligheid in de Nederlandse onderwijspraktijk en gaan we in op de natuur van de meertalige leerling. Vervolgens bespreken we vanuit wetenschappelijke inzichten argumenten om meertaligheid in het curriculum op te nemen, en komen we aan de hand van inspirerende buitenlandse praktijken en curricula tot een aantal aanbevelingen rond meertaligheid in het curriculum.
RAPPORT
Internationalisering levert een belangrijke bijdrage aan drie kerntaken binnen het basisonderwijs. Dat concluderen Maarten Hogenstijn en Daniel van Middelkoop, onderzoekers van Hogeschool van Amsterdam, in onderwijsvakblad JSW. Zij deden eerder dit jaar in opdracht van EP-Nuffic onderzoek naar grip op het begrip internationalisering.
Met de drie kerntaken doelen de onderzoekers op taken die leerkrachten tijdens het onderzoek vaak noemden. De eerste is persoonlijke ontwikkeling en groei van kinderen, gevolgd door de voorbereiding van kinderen op hun toekomstige rol als burger in de maatschappij en daarnaast de voorbereiding van kinderen op hun toekomstige functie op de arbeidsmarkt.
RAPPORT
Goed Bestuur staat al enkele jaren volop in de belangstelling binnen het onderwijs. De branche-organisaties spelen een belangrijke rol bij het normeren en invoeren van Goed Bestuur in het onderwijs, elk in hun eigen sector. Met de
inwerkingtreding van de wet ‘Goed onderwijs, Goed Bestuur’ (Staatsblad 2010, nr.
80 en 282) is in het primair onderwijs de aandacht voor vraagstukken rond Goed
Bestuur, intern toezicht en het sturen op kwaliteit nog sterker in het brandpunt van de belangstelling komen te staan. In 2010 stelde de PO-raad de Code Goed Bestuur Primair Onderwijs vast. Deze code geldt voor alle leden van de PO-raad volgens het principe van ‘pas-toe-of-leg-uit’.
Deze eindrapportage van de monitor Goed Bestuur die in opdracht van de PO-raad uitgevoerd is, geeft zicht op de stand van zaken ten aanzien van de implementatie van de code Goed Bestuur in het Primair Onderwijstussen oktober2010 en oktober 2011. De gegevens zijn verzameld in 2010 en 2011 bijschoolbesturen en in 2011 ook bij intern toezichtsorganen in het primair onderwijs.
RAPPORT
Onder de naam Peil.onderwijs voert de Inspectie van het Onderwijs de regie over periodieke peilingsonderzoeken in het primair onderwijs. Peil.onderwijs is de opvolger van PPON, uitgevoerd door Cito. In deze peilingen wordt gerapporteerd over de inrichting van het onderwijs en de kennis, attitude en vaardigheden die leerlingen hebben op de gepeilde inhoudsgebieden. In de nieuwe opzet van de peilingen is een belangrijke doelstelling meer inzicht te verkrijgen in de relatie tussen kenmerken van het onderwijs, zoals aanbod, instructie en differentiatie en de competenties. In het voorjaar van 2024 is een nieuwe peiling gepland naar de kenmerken van bewegingsonderwijs en de bewegingscompetenties van leerlingen aan het einde van het basisonderwijs. Ter voorbereiding op deze peiling wordt een literatuurstudie uitgevoerd naar wat uit onderzoek bekend is over de relatie tussen de kenmerken van bewegingsonderwijs en de bewegingscompetenties. De centrale vraagstelling van dit literatuuronderzoek luidt als volgt: “Welke kenmerken van bewegingsonderwijs in het basisonderwijs dragen bij aan het behalen van de beoogde bewegingscompetenties?" Het doel van de literatuurstudie is inzicht geven in de factoren die bijdragen aan de bewegingscompetenties van leerlingen in de bovenbouw van het basisonderwijs. Het inzicht van de beïnvloedende factoren dient een kader te vormen voor de ontwikkeling van onderzoeksinstrumenten waarmee het bewegingsonderwijs in het geplande peilingsonderzoek in kaart gebracht kan worden. Als eerste stap is echter nodig om te kijken naar de inhoud van de bewegingscompetenties. Op dit moment bestaan de bewegingscompetenties uit grondvormen van bewegen (o.a. gooien en vangen) en reguleringsvaardigheden (o.a. hulpverlenen). Onder invloed van de verwachte verandering in het kader van curriculum.nu zullen de bewegingscompetenties waarschijnlijk verbreed worden. In deze studie gaan we uit van onderstaande bewegingscompetenties: •Leren bewegen •Gezond bewegen •Bewegen regelen •Bewegen betekenis geven •Samen bewegen •Beweegcontexten verbinden In de literatuurstudie wordt een schets gegeven van de doelen van het bewegingsonderwijs (bewegingscompetenties) en de kenmerken die hierop van invloed zijn. Op basis van een (internationale) literatuurstudie wordt per bewegingscompetentie aangegeven wat de werkzame elementen zijn. Op basis van deze informatie worden meer generieke werkzame elementen gedestilleerd. Hieruit volgen dan de aanbevelingen voor het bewegingsonderwijs en het peilingsonderzoek.
RAPPORT
Dit onderzoek is een vervolg op het onderzoek ‘Lezen en laten lezen: een ontwerp-onderzoek naar de versterking van leraren als leesbevorderaars’ (Jongstra, Goriot & Bruins 2023; Jongstra e.a. 2023). In het huidige onderzoek ligt de focus niet alleen op leraren uit het primair onderwijs, maar ook op (aankomende) leraren uit zowel het primair als het voortgezet onderwijs.
CONFERENTIEBIJDRAGE