Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Op het congres van de Britisch Transplant Society en de Nederlandse Transplantatie Vereniging dat gehouden werd in Bournemouth, Engeland is deze bijgevoegde poster gepresenteerd. De poster beschrijft het onderzoek naar de inspanningstolerantie van mensen na een orgaantransplantatie op grote hoogte, tijdens de beklimming van de Kilimanjaro.
DOCUMENT
BACKGROUND:
Long-term survival of renal transplant recipients (RTR) has not improved over the past 20 yr. The question rises to what extent lifestyle factors play a role in post-transplant weight gain and its associated risks after transplantation.
METHODS:
Twenty-six RTR were measured for body weight, body composition, blood lipids, renal function, dietary intake, and physical activity at six wk, and three, six, and 12 months after transplantation.
RESULTS:
Weight gain ranged between -2.4 kg and 19.5 kg and was largely due to increase in body fat. RTR who remained body fat stable, showed more daily physical activity (p = 0.014), tended to consume less energy from drinks and dairy (p = 0.054), consumed less mono- and disaccharides (sugars) (p = 0.021) and ate more vegetables (p = 0.043) compared with those who gained body fat. Gain in body fat was strongly related to total cholesterol (r = 0.46, p = 0.017) and triglyceride (r = 0.511, p = 0.011) at one yr after transplantation.
CONCLUSIONS:
Gain in adiposity after renal transplantation is related to lifestyle factors such as high consumption of energy-rich drinks, high intake of mono- and disaccharides and low daily physical activity. RCTs are needed to investigate potential benefits of lifestyle intervention on long-term morbidity and mortality.
LINK
In Fysiopraxis, het blad van de beroepsorganisatie van fysiotherapeuten is een Nederlandse samenvatting geplaatst van het artikel dat geschreven is in Physical Therapy.
DOCUMENT
Patiënten met hematologische kanker die hiervoor een autologe stamceltransplantatie ondergaan, staan voor de moeilijke taak om te gaan met zowel een potentieel levensbedreigende ziekte als een stressvolle behandeling. Een deel van deze patiënten rapporteert psychologische klachten. Behandeling van deze klachten verdient aandacht en zal naar verwachting leiden tot een verbetering van de kwaliteit van leven van deze patiënten. In dit artikel beschrijven we de implementatie van een zorgprogramma gericht op vermindering van psychologische klachten, met als belangrijkste onderdeel het internetzelfhulpprogramma ‘Stress onder controle’
DOCUMENT
Verpleegkundig specialisten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het optimaliseren van zelfmanagement bij patiënten met chronische aandoeningen door hen adequaat te ondersteunen. Effectieve interventies hiervoor zijn echter schaars en verpleegkundig specialisten vinden het lastig om patiënten te coachen bij alle uitdagingen die zij in hun leven met een chronische aandoening tegenkomen. In dit artikel beschrijven we de eerste onderzoeksresultaten en de systematische ontwikkeling van een verpleegkundige interventie in het Erasmus MC binnen het onderzoeksprogramma NURSE-CC en de ZENN studie.
DOCUMENT
Verpleegkundig specialisten kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het optimaliseren van zelfmanagement bij patiënten met chronische aandoeningen door hen adequaat te ondersteunen. Effectieve interventies hiervoor zijn echter schaars en verpleegkundig specialisten vinden het lastig om patiënten te coachen bij alle uitdagingen die zij in hun leven met een chronische aandoening tegenkomen. In dit artikel beschrijven we de eerste onderzoeksresultaten en de systematische ontwikkeling van een verpleegkundige interventie in het Erasmus MC binnen het onderzoeksprogramma NURSE-CC en de ZENN studie. Eerst gaan we in op het begrip zelfmanagement, de verschillende visies van verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten, en de behoeften van patiënten ten aanzien van zelfmanagementondersteuning. We bespreken de belangrijkste onderzoeksresultaten die hebben geleid tot de ontwikkeling van een interventie om zelfmanagement te ondersteunen. Daarna beschrijven we de eerste ervaringen van verpleegkundig specialisten met het werken met het Zelfmanagement Web in combinatie met oplossingsgerichte gesprekstechnieken. Deze worden toegelicht met een casus.
DOCUMENT
Marktwerking binnen de gezondheidszorg. Schaarste aan organen leidt tot orgaantoerisme, schending van menselijke waardigheid of zelfbeschikkingsrecht van de koper.
DOCUMENT
BACKGROUND:
Exercise capacity, muscle function, and physical activity levels remain reduced in recipients of lung transplantation. Factors associated with this deficiency in functional exercise capacity have not been studied longitudinally.
OBJECTIVE:
The study aims were to analyze the longitudinal change in 6-minute walking distance and to identify factors contributing to this change.
DESIGN:
This was a longitudinal historical cohort study.
METHODS:
Data from patients who received a lung transplantation between March 2003 and March 2013 were analyzed for the change in 6-minute walking distance and contributing factors at screening, discharge, and 6 and 12 months after transplantation. Linear mixed-model and logistic regression analyses were performed with data on characteristics of patients, diagnosis, waiting list time, length of hospital stay, rejection, lung function, and peripheral muscle strength.
RESULTS:
Data from 108 recipients were included. Factors predicting 6-minute walking distance were measurement moment, diagnosis, sex, quadriceps muscle and grip strength, forced expiratory volume in 1 second (percentage of predicted), and length of hospital stay. After transplantation, 6-minute walking distance increased considerably. This initial increase was not continued between 6 and 12 months. At 12 months after lung transplantation, 58.3% of recipients did not reach the cutoff point of 82% of the predicted 6-minute walking distance. Logistic regression demonstrated that discharge values for forced expiratory volume in 1 second and quadriceps or grip strength were predictive for reaching this criterion.
LIMITATIONS:
Study limitations included lack of knowledge on the course of disease during the waiting list period, type and frequency of physical therapy after transplantation, and number of missing data points.
CONCLUSIONS:
Peripheral muscle strength predicted 6-minute walking distance; this finding suggests that quadriceps strength training should be included in physical training to increase functional exercise capacity. Attention should be paid to further increasing 6-minute walking distance between 6 and 12 months after transplantation.
LINK
Camp COOL is een activiteitenkamp voor 16 – 25 jarigen met een chronische nieraandoening. ‘COOL’ staat voor Communicatie, Ontplooiing, Ontmoeting en Lol. Het kamp wil jongeren ondersteunen bij het ontwikkelen van zelfstandigheid tijdens de transitieperiode van kindertijd naar volwassenheid. Uniek aan Camp COOL is het buddy-deelnemer concept. Jongeren die zelf eerder mee zijn geweest en de transitie naar de zorg voor volwassenen hebben doorlopen, leiden het kamp. Bijzonder is ook dat jongeren door de zorgverlener uit het ziekenhuis worden ‘verwezen’ en geen lid hoeven te zijn van een patiëntenorganisatie. De ervaringen met het kamp zijn positief, maar gegevens over de specifieke werkzame elementen van de opzet, de waardering van de deelnemers en de effecten van deelname op zelfstandigheid en maatschappelijke participatie van de jongeren is nog niet systematisch in kaart gebracht. Het doel van het ‘Evaluatieonderzoek Camp COOL’ is om de ervaringen van deelnemers aan Camp COOL en het effect dat dit specifieke ondersteuningsprogramma op hen heeft in kaart te brengen. De vraagstelling luidt als volgt: 1) Wat zijn de ervaringen en waardering van jongeren met chronische nieraandoeningen die als buddy of deelnemer aan Camp COOL hebben meegedaan en welke effecten heeft deelname volgens hen en hun zorgverleners gehad op het zelf managen van hun aandoening en leven (d.w.z. op hun zelfstandigheid en maatschappelijke participatie). 2) Welke interesse bestaat er onder andere patiëntenorganisaties voor Camp COOL en welke mogelijkheden zijn er om dit concept te verbreden naar andere doelgroepen?
DOCUMENT