Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Dit artikel bespreekt een dynamische benadering van de muzikale (talent)ontwikkeling bij jonge kinderen (Steenbeek, Van Geert & Van Dijk, 2011). Volgens een theoretisch, dynamisch kader is ontwikkeling een emergente eigenschap. Talent kan bij elk kind ontstaan als er een opwaarts dynamisch proces tot stand komt in de interactie tussen kind, volwassene en de activiteit. Het gebruik van Expressed Pedagogical Content Knowledge (EPCK; vgl. Geveke, 2017) door de volwassene is de sleutel om een positieve talentspiraal tot stand te brengen. Een dynamische kijk op ontwikkeling gaat terug op het werk
van pedagogen als Vygotsky, Piaget, Bruner en Dewey, en is verbonden met het sociaal-constructivisme. Daarnaast hebben de ecologische theorieën van Bronfenbrenner en Gibson er een belangrijke invloed op gehad. Verder is deze visie op macro-theoretisch niveau verwant aan theorieën over motivatie, zelfbeschikking en zelfregulering (Deci & Ryan, 2000), en over self-efficacy (Eraut, 2004). Het doel van deze studie is het beschrijven en evalueren van een inventarisatie van onderzoek naar muziekeducatieve praktijken voor jonge kinderen vanuit een dynamisch perspectief. Bij wijze van kwalitatieve inhoudsanalyse is een literatuurstudie uitgevoerd naar muziekeducatieve praktijken bij jonge kinderen. Deze studie heeft verschillende voorbeelden opgeleverd van veelbelovende praktijken die dynamische kenmerken vertonen. De resultaten geven aan dat onderzoek vanuit een dynamisch oogpunt naar betekenisvolle muziek-educatieve praktijken internationaal ‘in de lucht hangt’. Door een gebrek aan gedetailleerde analyses binnen de studies van activiteiten op de microtijdschaal blijft de kracht van EPCK echter meestal een blinde vlek. Door te focussen op EPCK kan onderzoek bijdragen aan kennis over hoe professionals meer ontwikkelingskansen voor kinderen kunnen creëren.
DOCUMENT
Drie jaar geleden werd aan de Hogeschool Rotterdam de Kenniskring Transities in Zorg opgericht. Binnen deze kring zijn vijf onderzoeksprogramma’s geformuleerd waarmee studenten aan de slag zijn gegaan. Het onderzoeksprogramma ‘Op eigen benen : Transities bij jongeren’ richt zich onder meer op de voorbereiding op de overgang van kinderziekenhuis of revalidatie naar de volwassenenzorg. Centraal daarin staat de voorbereiding van jongeren (12-19 jaar) op een volwassen leven met een ziekte of beperking, zoals bijvoorbeeld anusatresie. Om een beeld te krijgen van de huidige stand van zaken in de zorg voor volwassenen die geboren zijn met een anusatresie, hebben twee vierdejaars HBO-V studenten, onder begeleiding van kinderchirurg Richard Langemeijer en AnneLoes van Staa, lector Kenniskring Transities in zorg, een deelonderzoek opgezet : Hoe is het om te leven als volwassene met een anusatresie? Shudeska Martina hield tijdens het Symposium 2006 in Arnhem een presentatie over het onderzoek.
DOCUMENT
Preconceptiezorg is de beste economische en maatschappelijke preventieve investering voor de gezondheid van een bevolking. Preconceptiezorg omvat het geheel aan maatregelen te nemen vóór de conceptie om de gezondheid van de toekomstige moeder en haar kind te bevorderen en geïnformeerde reproductieve keuzes te maken. Zowel bij zorgverleners als bij de bevolking is het onvoldoende bekend dat de eerste 10 weken van de zwangerschap, waarin de embryonale groei en ontwikkeling en vroege placentatie plaatsvinden, medebepalend zijn voor niet alleen de gezondheid van de pasgeborene, maar ook die van het opgroeiende kind en de latere volwassene. De antenatale zorg begint echter pas bij 8 weken – of vaak nog later – en dan is het te laat om eventuele risico’s te kunnen beïnvloeden.
LINK
Het overvoeren van zeer jonge kinderen (0 - 3 jaar) leidt ertoe dat zij later als volwassene een enorm hongergevoel hebben en daardoor in onze maatschappij van automatisering en overvloed overgewicht ontwikkelen. Daarnaast slapen mensen met overgewicht significant korter. In dit artikel wordt uiteengezet wat de evolutionaire verklaring hiervoor zou kunnen zijn. Tevens wordt een toetsbare hypothese opgesteld waarin de voorspelling wordt gedaan dat overvoeren op jonge leeftijd leidt tot overgewicht en korter slapen op latere leeftijd.
DOCUMENT
https://crimsonpublishers.com/ggs/fulltext/GGS.000645.php Sinds kort is er in Nederland meer aandacht voor de intieme en seksuele behoeften van ouderen, zowel in hun privé-thuisomgeving als in de langdurige zorg. Het is algemeen bekend dat een persoonsgerichte aanpak nodig is om de kwaliteit van de zorg aan ouderen te verbeteren. Er zijn verschillende hulpmiddelen ontwikkeld om de intieme en seksuele behoeften van oudere volwassenen te ondersteunen. Desondanks is er in de praktijk nog steeds een gebrek aan begrip bij zorgprofessionals (HPC 's) en organisaties hoe ze deze tools in specifieke situaties kunnen gebruiken. Het matchen van de juiste tool met de juiste organisatie, HPC 's, ouderen en hun dierbaren is essentieel om persoonsgerichte intieme en seksuele ondersteuning te bieden aan oudere volwassenen.Sleutelwoorden: Oudere volwassene; Intimiteit, Seksualiteit, Persoonsgericht, Co-creatie, Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg (HCP 's)
DOCUMENT
De afgelopen vier jaar heeft Johan Bijzen samen met leerkrachten en leerlingen van een groene vmbo-schoolonderzoek gedaan naar de manieren waarop je leren leren kunt stimuleren. Wat kunnenleerlingen, in relatietot ‘leren te leren’, in de praktijk met de principes van gemedieerd leren. Dat is de methode waarmeeik heb gewerkt is en die volgens de schrijver vooral ontwikkeld is door Feuerstein.Bij het gemedieerd leren vervult de volwassene – in het onderwijs de leerkracht – een cruciale bemiddelenderol tussen de leerlingen en de leerstof. Voortbouwend op het werk van Piaget en Vygotsky heeft Feuersteinvanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw het mediërend leren vormgegeven (Feuerstein, Rand & Rynders,1993). In Israël en ook in Nederland wordt zijn gedachtegoed vooral gebruikt bij het individueel begeleiden vankinderen met leerproblemen (Van Loo en Van Doorn, 2013).De opvatting – ontstaan gedurende de periode dat de schrijver hiernaar onderzoek deed - is dat leerlingen in devmbo-brugklas kunnen leren te leren, dat het gemedieerde leren daarbij goed gebruikt kan worden en dat desleutel hiertoe in handen van de leerkracht ligt.
DOCUMENT
Personality disorders (PDs) cause much suffering. In treating patients with PDs, it is important not only to focus on reducing symptoms, but also on promoting psychological adaptability and well-being. The experiential nature of Creative Arts and Psychomotor Therapies (CAPTs) contributes to working on psychological adaptability and improving well-being, although more evidence is needed. This protocol paper describes a study to develop and evaluate a CAPTs-intervention aimed at promoting psychological adaptability and well-being in people with PDs.
MULTIFILE
In de schooljaren 2010-2011 en 2011-2012 hebben 20 scholen , mee gedaan aan het Orion Programma van het Wetenschapsknooppunt Noord-Nederland . De doelstelling van het Orion Programma is kort gezegd: het aanbieden van stimulerende leeromgevingen waarin Wetenschap &Techniek (W&T)-talenten van kinderen (en hun begeleidende volwassene) ontlokt en ontwikkeld kunnen worden, passend bij de wensen en de doelen van de school. Het aanbod van het Wetenschapsknooppunt wordt verzorgd door meerdere partners van de RuG en Hanzehogeschool. De basis voor de gezamenlijke vormgeving van de activiteiten is de TalentenKracht (TK)-benadering. In dit rapport staan twee vragen centraal ten behoeve van de verbetering van het aanbod van het Wetenschapskooppunt Noord-Nederland en de afstemming met de scholen, te weten: In hoeverre past het Orion Programma bij de wensen en doelen van de school én in welke mate vinden de deelnemende scholen dat de leeromgevingen de talenten van kinderen en hun begeleidende volwassenen worden gestimuleerd? De leerkrachten van de deelnemende scholen hebben een digitale vragenlijst ingevuld, waaruit het volgende naar voren kwam: Vrijwel iedere school geeft aan dat het programma passend is. Scholen bereiden het bezoek echter veelal niet voor. Het materiaal dat het Orion Programma aanbiedt, wordt ook niet altijd gebruikt bij de voorbereiding. Scholen vinden wel dat de talenten van kinderen zijn gestimuleerd door de leeromgeving. De scholen geven dan ook een rapportcijfer van gemiddeld een 7,3. Leerkrachten zijn vooral positief over het effect van de activiteiten op de leerlingen.
DOCUMENT
In de context van zorghuisvesting voor langdurige zorg wordt verondersteld dat, vanwege de specifieke doelgroep (kwetsbare mensen) die hierin gehuisvest is, aanvullende eisen voor luchtkwaliteit en het thermische binnenklimaat wenselijk zijn ten opzichte van de eisen voor de gemiddelde gezonde (jong) volwassene. Echter, in hoeverre dit vraagt om specifieke eisen ten aanzien van het binnenklimaat is onduidelijk en, indien dit het geval is, welke condities dan de voorkeur zouden hebben is eveneens niet bekend. Om hier antwoord op te vinden is onderzoek nodig dat in dit rapport is beschreven.
DOCUMENT
There is a central dilemma embedded in the relationship between teachers and researchers. Teachers know the story of the classroom well, but they are seldom asked to tell their stories, nor do they usually have the opportunity. Researchers, on the other hand, are skilled at telling certain things about classrooms, but they often miss the central stories that are there. This divergence can lead to different opinions on what teaching is about and what is important within it. To bridge this gap, we describe an approach which puts the teacher and the student at the centre. With respect to emotional and behavioural problems of students, we underline the notion of student-teacher compatibility, deriving from theories emphasizing the transactional/reciprocal nature of human behaviour. One of the aims of the Lectorship and Knowledge Network Behavioural Problems in School Practice, is to identify at-risk-teachers (i.e. those most vulnerable to the presence of behaviourally challenging students and parents) so that interventions, both in initial teacher training as well as in inservice training can be applied to help them develop adequate attitudes and coping-skills. In clinical supervision, peer coaching or reflective practice, these teachers can be helped to consider in what way student and parental problem behaviour contribute to their loss of satisfaction, their feelings of self doubt, perceived disruption of the teaching process, and their frustration working with parents.
DOCUMENT