Types
0Instelling
24Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Binnen de klas kunnen aspecten van burgerschap ontwikkeld en gestimuleerd worden. Het stimuleren kan op verschillende manieren gebeuren. Daarbij worden twee hoofdvormen onderscheiden:
Een open en veilig klasklimaat is een belangrijke manier om burgerschap te ontwikkelen. Hierbij gaat het er dan om dat leerlingen het gevoel moeten hebben dat zij er mogen zijn, er ruimte is voor verschillende perspectieven en zij niet afgerekend worden op hun inbreng.
Ook het lesgeven over burgerschapsonderwerpen is een belangrijke manier voor het stimuleren van burgerschap van leerlingen. Het kan dan van belang geacht worden dat leerlingen leren over het 'hoe en waarom’ van onderwerpen. Daarnaast is het belangrijk dat zijzelf actief aan het werk gezet worden, dat er een kwalitatief goede dialoog is en dat onderwerpen in een curriculaire lijn worden ingezet. Dit kan vervolgens via verschillende werkvormen worden uitgevoerd, zoals klassikale instructie, discussie in kleine groepen, toepassingsopdrachten, maatschappelijke projecten, en besluitvormingsoefeningen via simulaties en leerlingenraden. Kennis zal waarschijnlijk vooral via instructiegerichte werkvormen aangeleerd worden, houdingen zijn vaker gekoppeld aan projecten of ervaringsleren.
Effectieve benaderingen van burgerschapsonderwijs zullen een combinatie laten zien van het gebruikmaken van zowel een open en veilig klasklimaat en het behandelen van burgerschapsonderwerpen aan de hand van verschillende werkvormen.
MULTIFILE
"Je kunt niet op Bonaire wonen en niets van Bonaire afweten, dan ben je een half mens” Duidelijke taal van juf Sonia Janga. Ze is remedial teacher op het Integraal Kind Centrum (IKC) van de Bonairiaanse basisschool Kolegio Kristu Bon Wardador. Ze deed deze uitspraak toen ze door ons werd geïnterviewd over het Bonairiaans burgerschapsprogramma, dat recent voor vier basisscholen op het eiland is ontwikkeld. De noodzaak om een burgerschapsprogramma te ontwikkelen kwam voort uit het feit dat het onderwijs op Bonaire – in de hoedanigheid van bijzondere gemeente binnen het Koninkrijk der Nederlanden – uitgaat van vrijwel dezelfde richtlijnen als voor scholen in Europees Nederland. Daar hoort de burgerschapsopdracht uit 2021 ook bij. In deze bijdrage staan we achtereenvolgens stil bij: 1) de visie achter en uitgangspunten voor het betekenisvolle Bonairiaans burgerschapsonderwijs, 2) de wijze waarop scholen dit burgerschapsonderwijs hebben ontwikkeld en geïmplementeerd en 3) succesfactoren en uitdagingen die de scholen tijdens het proces ondervonden.Inzichten over het Bonairiaanse burgerschapsonderwijsprogramma zijn ook relevant voor scholen in Europees Nederland, die een (cultureel) diverse leerlingpopulatie hebben: ook zij moeten stilstaan bij de vraag welk (burgerschaps)onderwijs voor hun leerlingen betekenisvol is.
LINK
Vanaf 1 augustus 2021 gelden nieuwe wettelijke eisen voor de bevordering van burgerschap in het (speciaal) basis- en voortgezet onderwijs. Deze wettelijke opdracht om ‘actief burgerschap en sociale cohesie’ te bevorderen, verduidelijkt de burgerschapsopdracht die de overheid in 2006 al had opgesteld. Deze aanscherping van de wet betekent dat ook teams van daltonscholen zich over de vraag moeten buigen hoe zij aan de wettelijke opdracht voldoen. Daarbij is het niet voldoende om vanuit een bijna vanzelfsprekende houding erop te wijzen dat ‘we’ een daltonschool zijn en dat ‘we’ dus aan burgerschapsonderwijs doen. De opdracht om burgerschap als ‘a way of living’ op school en het burgerschapsvormende aanbod van daltononderwijs te verantwoorden, roept allereerst de vraag op in hoeverre daltononderwijs in haar wezen (oorspronkelijk) al burgerschapsvormend is. Een tweede vraag is hoe burgerschapsvormend daltononderwijs er anno nu uit zou moeten zien. En tot slot ligt in het verlengde van deze twee vragen een derde vraag, namelijk hoe in het daltononderwijs in het buitenland aangekeken wordt tegen burgerschapsonderwijs. Het lectoraat Vernieuwend Onderwijs is in samenwerking met de Nederlandse Dalton Vereniging een onderzoek gestart naar deze vragen. In deze uitgave wordt een antwoord gegeven op de eerste vraag; In hoeverre is het daltononderwijs van oorsprong al burgerschapsvormend? Daarbij onderzoeken we welke ideeën over burgerschap en burgerschapsonderwijs een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het daltononderwijs. We gaan daarvoor terug naar de roots; naar Helen Parkhurst zelf en naar de eerste ‘daltonianen’ die het gedachtegoed van Parkhurst verspreid hebben en daarover hebben gepubliceerd.
MULTIFILE
Gepubliceerd met licentie CC-BY-NC Jenaplan en burgerschapsonderwijs: De school als opvoedingsgemeenschap is een publicatie van het lectoraat Vernieuwend Onderwijs van Saxion en de Nederlandse Jenaplan Vereniging. Het boek gaat uit van drie invalshoeken van waaruit burgerschap op school vorm krijgt: 1) de wetgeving, 2) de identiteit van de school en 3) de populatie/locatie van je school. Dit boek onderzoekt de belangrijkste bronnen van een eeuw jenaplanonderwijs en biedt een stevige ondersteuning voor de jenaplanidentiteit van je school, met als bottomline dat de persoonswording van elk kind onlosmakelijk verbonden is aan de schoolgemeenschap waarvan het deel uitmaakt: in en aan de stamgroep ontwikkel je je. Alleen dan wordt het Jenaplan ‘de school waar je leert samenleven’.
MULTIFILE
Tijdens een lesson study ontwikkelde een groep mbo-docenten een lessenserie waarin burgerschaps- en kunstonderwijs elkaar ontmoeten. In een eerder artikel (Kunstzone 02 2024, pp.30-33) werd de inhoud van de lessenserie besproken. Hoe studenten en hun docenten dit ‘creatieve burgerschapsonderwijs’ ervoeren, staat nu centraal.
LINK
Bij het bepalen van een aanpak voor burgerschapsonderwijs kunnen scholen en lerarenopleidingen verschillende keuzes maken op basis van hun visie. In dit artikel beschouwen we twee aanpakken voor het vergroten van maatschappelijke betrokkenheid—een belangrijk maar nog steeds onderbelicht leerdoel binnen burgerschapsonderwijs: Bèta Burgerschap (Saxion) en Onderwijs in Sociaal Ondernemerschap (Marnix Academie). We beschrijven voor beide aanpakken de rationale, de didactiek, praktische voorbeelden en de positionering van de aanpak in de lerarenopleiding. Vervolgens gaan we de dialoog aan over overeenkomsten en verschillen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de pedagogische visie, het wel of niet inleiden in bepaalde waarden, de focus op cognitieve of handelingsgerichte betrokkenheid en de keuzes die worden gemaakt in de lerarenopleidingen. Het opzoeken van de dialoog over de twee aanpakken was voor ons als onderzoekers en lerarenopleiders een waardevolle exercitie. We besluiten het artikel dan ook met de aanbeveling om in de eigen context de dialoog aan te gaan over de vormgeving van onderwijs gericht op het vergroten van maatschappelijke betrokkenheid en de consequenties voor de lerarenopleiding.
MULTIFILE
Als je leerkrachten, docenten, schoolleiders, ondersteuners of leerlingen vraagt wat dalton voor hen betekent, is er een rode draad. De rode draad van vertrouwen, van vrijheid en verantwoordelijkheid, van zelfstandigheid, samenwerken en reflectie. En vaak worden ook de oneliners van Parkhurst genoemd: mensen zonder vrees, of positiever: mensen met lef. Of: no method, no system, a way of living. Dalton als gemeenschap, waar leerlingen leren democratische, kritische burgers te worden.
MULTIFILE
In dit onderzoek staan twee onderzoeksvragen centraal:
- Wat zijn de opvattingen van leraren over burgerschapsonderwijs in Amsterdam?
- Welke samenhang bestaat er bij de opvattingen van leraren over burgerschap?
We hebben geprobeerd een antwoord te vinden op deze vragen door een representatieve groep Amsterdamse leraren via een gestandaardiseerde vragenlijst te bevragen en daarnaast diepte-interviews bij een selectie groep leraren af te nemen over hun opvattingen aangaande verschillende aspecten van burgerschapsonderwijs bij hun op school. Hieronder worden eerst de belangrijkste uitkomsten besproken, daarna komen enkele beperkingen van het onderzoek aan bod, vervolgens worden de uitkomsten in breder kader geplaatst en afgesloten wordt met enkele aanbevelingen.
Volgens de bevraagde leraren is burgerschap een belangrijk onderdeel van het onderwijs en een belangrijk ontwikkeldoel voor hun leerlingen. Hierbij vinden we op hoofdlijnen geen verschil tussen verschillende groepen leraren. De verschillen tussen po-, vo- en mbo-leraren, het vak dat zij geven, hun sekse en bijvoorbeeld het aantal jaar dat zij voor de klas staan, maken geen wezenlijk verschil voor de erkenning van het belang van burgerschapsonderwijs.
Gemiddeld genomen oordelen de leraren neutraal over de situatie op hun school met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Hierbij vinden we geen verschillen voor bijvoorbeeld vak, type onderwijs, opleidingsniveau van de leraar en het aantal jaren dat zij lesgeven. Wel is er samenhang met andere opvattingen over het burgerschapsonderwijs: het plannen van activiteiten en de afwezigheid van belemmeringen gaat samen met een positiever oordeel over de situatie op school. Interessant is dat, daarbij rekening houdend met verschillende kenmerken van leraren en hun school, in een aantal stadsdelen (Noord, Zuidoost, Oost en Centrum) iets positiever geoordeeld wordt over burgerschapsonderwijs dan in andere stadsdelen.
In schril contrast met het belang dat aan burgerschap gehecht wordt, is de regelmaat en planning van burgerschapsonderwijs: slechts af en toe zijn leraren daarmee bezig en vaak zonder dat het gepland is. Hierbij bestaat wel verschil tussen leraren, ook wanneer we rekeninghouden met enkele relevante persoonskenmerken. Vrouwelijke leraren en leraren in gamma-vakken (zoals maatschappijleer, geschiedenis) geven vaker aan burgerschap een plek te geven in hun les dan mannen en leraren in andere vakken. Dezelfde analyse laat zien dat self-efficacy en planning samenhangen met het met regelmaat bezig met burgerschap in de les.
Leraren hebben aanzienlijk vertrouwen in eigen kunnen met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Opvallend hierbij is dat het kwalitatieve gedeelte van deze studie erop wijst dat leraren (docenten maatschappijleer uitgezonderd) menen dat zij in hun opleiding weinig of niets geleerd hebben over burgerschapsonderwijs. Dat zij zichzelf op dit terrein bekwaam achten heeft in hun ogen vooral te maken met hun opvoeding, steun van collega’s of persoonlijke beroepsinteresse. Voor self-efficacy vinden we alleen een robuuste samenhang met het met regelmaat uitvoeren van burgerschapsonderwijs. Als je er vaker mee bezig bent, krijg je meer vertrouwen in eigen kunnen of als je minder twijfelt over je eigen kunnen geef je burgerschap vaker een plek in je les.
De leraren in Amsterdam menen dat er slechts in beperkte mate sprake is van belemmeringen bij het vormgeven en uitvoeren van burgerschapsonderwijs. Interessant is dat leraren niet primair de achtergrond van leerlingen als belemmering ervaren maar veeleer organisatorische zaken: het onderwijs is overbelast en klassen zijn te groot. Niettemin laten de interviews zien dat wat leerlingen met zich meebrengen de klas in en hoe de stad Amsterdam zich ontwikkelt substantiële belemmeringen kunnen zijn voor burgerschapsonderwijs. Te denken valt dan vooral aan segregatie en daarmee samenhangende homogene klassen en extreme opvattingen van leerlingen. De context zoals die in de inleiding geschetst is, wordt daarmee gedeeltelijk door leraren bevestigd maar het lijkt niet de boventoon te voeren bij hun beeld over burgerschapsonderwijs in Amsterdam.
DOCUMENT
Het uitgangspunt van dit ontwerponderzoek is de veronderstelling dat activistische kunst en de werkwijze van hedendaagse activistische kunstenaars leerlingen kunnen inspireren om kritisch na te denken over de maatschappij waarin zij leven en hen aanzetten tot het bieden van weerstand tegen situaties waar zij het niet mee eens zijn. Om deze veronderstelling in de educatieve praktijk te onderzoeken is samen met een docent kunst, een docent maatschappijleer en een activistische kunstenaar een lessenserie ontworpen waarbinnen leerlingen kennismaken met het werk en de werkwijze van activistische kunstenaars en waarin vaardigheden als kritisch denken en weerstand bieden centraal staan. De opbouw van het onderzoek volgt de vier fases van ontwerponderzoek. In het tweede hoofdstuk, de identificatiefase, wordt de relatie tussen kunst, activisme en burgerschapsonderwijs en het daaruit voortgekomen ontwerpmode beschreven. In hoofdstuk 3 komen de onderzoeksvragen, methodologie, onderzoeksinstrumenten en participanten van het onderzoek aan bod. In het vierde hoofdstuk de ontwerp-, test- en evaluatiefase en tot slot in de reflectiefase (hoofdstuk 5) wordt teruggeblikt op de uitvoering van de lessenserie en het onderzoek.
DOCUMENT
De eerste uitgave van deze publicatie is in 1996 samengesteld door de werkgroep "Buigen van dunne plaat" en geeft gerichte theoretische en praktische informatie ten behoeve van respectievelijk de gebruikers van het buigproces, geïnteresseerden in dit proces, technische cursussen en opleidingen. In 2009 is deze publicatie aangepast aan de huidige stand der techniek. De inhoud van deze publicatie behandelt de aspecten welke voor het vormgeven van plaat door middel van buigen van belang zijn. De achterin toegevoegde supplementen over materialen en over machines en gereedschappen geven processpecifieke informatie over de desbetreffende onderwerpen. In de voorlichtingspublikaties VM 111 "Materialen" en VM 112 "Machines en gereedschappen" worden de algemene gegevens over deze onderwerpen behandeld.
DOCUMENT