Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Rationale
In bioelectrical impedance analysis (BIA) measurements, one pair of electrodes is typically placed dorsal on the right hand (position A) and one pair on the foot. In patients with fragile skin, scars or wounds, this dorsal hand placement is not always possible. This study compares agreement of BIA measurements at seven alternative placements with position A.
Methods
BIA measurements were performed with the Bodystat-500 using eight combinations of hand electrodes: at the dorsal side of the hand (position A) or dorsal side hand-forearm (position B and C); at the palmar side of the hand (position D) or palmar side hand-forearm (position E and F) or mixed palmar-dorsal side of the hand (position G and H). ICCs were used to compare alle outcomes to position A. Changes in fat mass ∆FM, fat-free mass ∆FFM and appendicular skeletal muscle mass ∆ASMM were calculated using Kyle’s formula.
Results
Seventy healthy Caucasian participants were measured: median age 22 years, IQR 21-23; mean BMI 22.8 ± 2.5 kg/m². Electrode positions D,G and H showed an ICC 0.99-1.00 for ∆FM, ∆FFM and ∆ASMM with minimal changes in ∆FFM and ∆FM: 0.1–0.4 kg ± 0.3 kg and ∆ASMM: 0.0–0.2 kg ± 0.2 kg. Measurements at position B, C, E, and F showed significant and clinically relevant differences with ∆FM and ∆FFM: 3.8–4.0 kg ± 1.1 kg and ∆ASMM: 2.0–2.1 kg ± 0.6 kg, with ICCs 0.96-0.97.
Conclusion
Alternatively to the typical electrode placement on the dorsal side of the hand, this study demonstrates that three alternative placements results in an excellent agreement with only minimal changes in FFM, FM and ASMM. In practice, placing electrodes at more proximal positions on the forearm should be avoided. Alternatively, we recommend a mixed or palmar electrode placement on the hand.
DOCUMENT
Deze rapportage maakt deel uit van zes rapportages die zijn opgeleverd in het WHeelchair ExercisE and Lifestyle Study (WHEELS) project. In deze rapportages worden de resultaten gepresenteerd van de Intervention Mapping (IM) stappen 1 t/m 6 in het ontwikkelen van een leefstijlapp voor rolstoelgebruikers met een dwarslaesie of beenamputatie. Deze rapportage betreft de uitwerking van IM-stap 6 waarin wordt beschreven hoe de ontwikkelde leefstijlapp is geëvalueerd in een pilotstudie.
DOCUMENT
Rationale
Bij bio-elektrische impedantieanalyse (BIA)-metingen wordt doorgaans een paar elektroden dorsaal op de rechterhand geplaatst (positie A) en een paar op de voet. Bij patiënten met kwetsbare huid, littekens of wonden is deze dorsale handplaatsing niet altijd mogelijk. Deze studie vergelijkt de overeenstemming van BIA-metingen bij zeven alternatieve plaatsingen met positie A.
Methode
BIA-metingen werden uitgevoerd met de Bodystat-500 met behulp van acht combinaties van handelektroden: op de dorsale zijde van de hand (positie A) of dorsale zijde hand-onderarm (positie B en C); op de palmaire zijde van de hand (positie D) of palmaire zijde hand-onderarm (positie E en F) of gemengd palmair-dorsale zijde van de hand (positie G en H). ICC's werden gebruikt om alle uitkomsten te vergelijken met positie A. Veranderingen in vetmassa ∆FM, vetvrije massa ∆FFM en appendiculaire skeletspiermassa ∆ASMM werden berekend met behulp van de formule van Kyle.
Resultaten
Zeventig gezonde Kaukasische deelnemers werden gemeten: mediane leeftijd 22 jaar, IQR 21-23; gemiddelde BMI 22,8 ± 2,5 kg/m². Elektrodeposities D, G en H toonden een ICC van 0,99-1,00 voor ∆FM, ∆FFM en ∆ASMM, met minimale veranderingen in ∆FFM en ∆FM: 0,1–0,4 kg ± 0,3 kg en ∆ASMM: 0,0–0,2 kg ± 0,2 kg. Metingen op positie B, C, E en F toonden significante en klinisch relevante verschillen met ∆FM en ∆FFM: 3,8–4,0 kg ± 1,1 kg en ∆ASMM: 2,0–2,1 kg ± 0,6 kg, met ICC's van 0,96-0,97.
Conclusie
Als alternatief voor de typische elektrodeplaatsing op de dorsale zijde van de hand toont deze studie aan dat drie alternatieve plaatsingen uitstekende overeenstemming geven met slechts minimale veranderingen in FFM, FM en ASMM. In de praktijk dient het plaatsen van elektroden op meer proximale posities op de onderarm te worden vermeden. Alternatief bevelen we een gemengde of palmaire elektrodeplaatsing op de hand aan.
DOCUMENT
DOCUMENT
The need for excess weight gain prevention in disadvantaged young children is widely recognised. Early Childhood Education and Care teachers are potential key actors in early interventions to prevent overweight and obesity. This study examines the effects of a preschool-based intervention for teachers in promoting healthy eating and physical activity in young children. A cluster randomised controlled trial was conducted at 41 preschools in a deprived area of Amsterdam, The Netherlands. The intervention consisted of 2 programmes that were applied in succession: A Healthy Start and PLAYgrounds for TODdlers. The study period was 9 months. Primary outcomes were assessed via questionnaires and included teachers’ knowledge, attitude, food/activity-related practices, and level of confidence in promoting healthy behaviours. Secondary outcomes in this study were teachers’ and children’s BMI (z-score), body composition, dietary intake and physical activity level. Intention-to-treat analyses were performed using linear mixed models. In total, 115 teachers and 249 children (mean age 3.0 (0.2) years) were included. A positive effect on teachers’ knowledge about the Dutch dietary guidelines was found after the programme A Healthy Start (difference = 1.38; 1-sided 95% CL = 0.29; p = 0.02). This effect was not sustained at 9 months (difference = 0.34; 1-sided 95% CL = -0.76; p = 0.31). The overall intervention had a positive effect on 3 of the 5 attitude statements regarding a healthy lifestyle (difference ranged from 0.34 to 0.55) and on the practice scale Activity-related-Modelling (difference = 0.16; 1-sided 95% CL = 0.06; p = 0.01). No intervention effects were observed on food-related practice scales and the level of confidence in promoting healthy behaviours. At this stage, no effects were seen on teachers’ and children’s BMI (z-score). This study contributes to the professional development of Early Childhood Education and Care teachers and addresses the call for interventions to prevent overweight/obesity and to minimise health inequalities in young children.
MULTIFILE
Bioelectrical impedance analysis (BIA) may be used to assess fat free mass (FFM) with reasonable validity based on mean-level comparisons, but differences between BIA and DXA may vary by about 4 kg in an individual patient. These results require confirmation in a larger sample of HNC (Head and neck cancer) patients.
DOCUMENT
De eiwitbehoefte wordt voornamelijk bepaald door de hoeveelheid vetvrije massa (VVM) in het lichaam. In de praktijk wordt de eiwitbehoefte echter gebaseerd op het lichaamsgewicht. In dit onderzoek is de eiwitbehoefte op basis van gemeten VVM vergeleken met de eiwitbehoefte bepaald op basis van gemetenlichaamsgewicht, gecorrigeerd lichaamsgewicht en geschatte VVM met de formule van Gallagher. De onderzoeksvraag luidde: ‘Welke methoden om de eiwitbehoefte te berekenen zijn het beste vergelijkbaar met de referentiemethode: gemeten VVM x 1,5 g eiwit/kg?’MethodeDeze vraag werd onderzocht in twee populaties. De eerste populatie was de ANAC-populatie (Amsterdam Nutritional Assessment Center, Hogeschool van Amsterdam): relatief gezonde volwassenen met overgewicht en obesitas. De tweede populatie was de VUmc-populatie: klinische en poliklinische patiënten met zeer uiteenlopende ziektebeelden. De VVM werd gemeten met BOD POD (ANAC) en bio-elektrische impedantie-analyse (BIA) (VUmc). Drie methoden om de eiwitbehoefte te berekenen werden vergeleken met de referentiemethode (gemeten VVM x 1,5 g eiwit/kg):A. Gemeten lichaamsgewicht x 1,2 g eiwit/kgB. Gecorrigeerd lichaamsgewicht x 1,2 g eiwit/kg (correctie: gewicht bij BMI 20 voor personen met ondergewicht(BMI<18,5) en gewicht bij BMI 27,5 voor personen met overgewicht (BMI>30))C. Geschatte VVM x 1,5 g eiwit/kg. De schatting is uitgevoerd met de formule van Gallagher.De gemiddelde afwijking met spreiding en standaardafwijking werd gebruikt om de validiteit te toetsen van de drie methoden om de eiwitbehoefte te berekenen. Een over- of onderschatting van 5% werd gedefinieerd als klinisch relevant.ResultatenDe afwijking bij methode A was klein in de groep met ondergewicht en groot bij de groep met overgewicht en obesitas. Slechts bij 1% van de obese personen werd de eiwitbehoefte met methode A juist geschat. Dit verbeterde met methode B naar 15-33%. Methode C was voor alle groepen, met uitzondering van depersonen met ondergewicht, het gunstigst. De afwijking varieerde van 14 gram onderschatting tot 28 gram overschatting. Bij 38-54% van de personen met overgewicht en obesitas werd de eiwitbehoefte juist geschat.ConclusieEr is vooral bij overgewicht en obesitas een forse variatie tussen de verschillende methoden voor het berekenen van de eiwitbehoefte. De berekening van de eiwitbehoefte op basis van de gemeten VVM heeft de voorkeur. Als dit niet mogelijk is, volstaat bij deze groep een aanpassing van het gewicht in de berekening naar een gewicht bij BMI 27,5 niet. Toepassing van de formule van Gallagher om de VVM te schatten en daarmee de eiwitbehoefte te berekenen, geeft vooral voor personen met overgewicht en obesitas een betereovereenkomst met de eiwitbehoefte per kilogram gemeten VVM.
DOCUMENT