Types
0Instelling
26Publicatiejaar
6Producttype
19Bestandstype
9Taal
5Onderzoeksthema's
41Publicaties met bestand/URL
2Projectstatus
3De provincie Groningen heeft HanzePro gevraagd om een verkenning te doen naar de stand van zaken binnen de restauratiebranche in Groningen, met aandacht voor onderwijs, arbeidsmarkt en innovaties. Het doel van de verkenning is om te komen tot een realistisch en gezamenlijk beeld van de huidige situatie en wat vervolgens nodig is om de restauratiebranche in de provincie Groningen toekomstbestendig te maken. In het voorliggende rapport is de verkenning en haar uitkomsten beschreven.
DOCUMENT
Onderzoek naar de effectiviteit van verenigingsondersteuning in de provincie Groningen in opdracht van Sportplein Groningen en de provincie. Op basis van focus groepen en interviews is er gekeken in welke mate verenigingsondersteuners de ruimte krijgen en nemen om zichzelf te ontwikkelen, kennis uit te wisselen en inzicht hebben in de effecten van hun interventies bij sportverenigingen.
DOCUMENT
In de periode september 2019 tot april 2020 heeft HanzePro SOFE in opdracht van de provincie Groningen een verkenning uitgevoerd naar de restauratiebranche in de provincie Groningen. De thema’s onderwijs, arbeidsmarkt en innovaties stonden daarbij centraal. Het doel van de verkenning was om te komen tot een gedragen beeld van de huidige situatie en wat vervolgens nodig is om de restauratiebranche in de provincie Groningen toekomstbestendig te maken. Op 13 juli 2020 is het rapport van de verkenning door HanzePro opgeleverd.
Het doel van dit verdiepend onderzoek is om in beeld te brengen wat voor de onderdelen Erfgoedlab en Kennisdatabase nodig is om deze initiatieven succesvol te realiseren.
DOCUMENT
Het doel van dit onderzoek was:
Inzicht geven in het effect van de inzet in de pilots op kwantiteit en kwaliteit van het “dagarrangement sport en bewegen” binnen de betrokken scholen, en in de tevredenheid en ervaring van betrokken scholen en leerlingen hierbij.
Op basis hiervan zijn drie onderzoeksvragen gesteld, die achtereenvolgens zullen worden beantwoord.
1. Wat is de invloed van de pilotprojecten op de kwantiteit (het aanbod) en de kwaliteit van het bewegingsonderwijs op de betrokken scholen?
Het aantal gymlessen per week dat gegeven wordt door de vakdocent is op alle scholen uit de pilot toegenomen (met uitzondering van ’t Kompas, waar al twee lessen per week verzorgd werden door de vakdocent). Op drie van de acht gevolgde scholen worden nu twee gymlessen per week verzorgd door de
vakdocent. Op de overige scholen is dat één dag per week, krijgen slechts één of enkele klassen twee lessen per week gym van de vakdocent. Volgens zowel leerlingen als betrokkenen uit de scholen is de kwaliteit van
het bewegingsonderwijs verbeterd sinds de pilot: de leerlingen beoordelen de kwaliteit van de gymlessen gegeven door de vakdocent hoger (leukere en betere lessen), er worden meer verschillende activiteiten aangeboden in de gymlessen en de gymles wordt als leerzamer ervaren. Bovendien zijn er in de gymles die
gegeven wordt door de vakdocent minder leerlijnen die niet aan bod komen dan in de gymles gegeven door de groepsleerkracht.
2. Wat is het effect van de pilotprojecten op het aanbod (de kwantiteit) en de kwaliteit van het tussenschools en naschools sportaanbod?
Met betrekking tot het tussenschools sportaanbod: de pauze met sportieve activiteiten is op het merendeel van de scholen gerealiseerd. Op de Wilster en de Huifkar vestiging Woltersum is dat (nog) niet het geval, op de
Fontein wordt hiermee gestart na de meivakantie. 82% van de bevraagde kinderen heeft één of meerdere keren deelgenomen aan het de pauze met sportieve activiteiten. 40% zegt in zo’n pauze meer te bewegen en
40% zegt dat dit soms het geval is. De meting met de stappentellers laat niet zien dat er in een dergelijke pauze meer wordt bewogen, maar om dit duidelijker in kaart te brengen zou meer onderzoek moeten worden gedaan. Betrokkenen vanuit de scholen geven vooral aan dat de pauze met sportieve activiteiten leidt tot een leukere pauze, die leidt tot rustiger kinderen en minder ruzies op het schoolplein. Vooraf was wellicht niet altijd goed duidelijk wat er verstaan wordt onder een kwalitatief beter tussenschools sportaanbod. Eén van de
vakdocenten merkt bijvoorbeeld op dat het doel van een sportieve pauze ook zou moeten zijn dat kinderen zelf beter leren om activiteiten op te zetten, uit te voeren en aan te passen, zodat dit ook buitenschools tot een actievere leefstijl leidt. Of dat ook het geval is, is nu niet duidelijk. In het naschools aanbod is tot op heden weinig veranderd als gevolg van de pilot. Wel geeft ruim 80% van de bevraagde kinderen aan dat de vakdocent hen soms of regelmatig wijst op naschools sportaanbod.
3. Welke succes- en faalfactoren spelen een rol bij het aanbieden van een dagarrangement sport- en bewegen op scholen in het primair onderwijs?
Hoewel het aanbieden van een dagarrangement sport en bewegen op de scholen op verreweg de meeste scholen nog een brug te ver is, zijn de doelstellingen op het gebied van de kwaliteit van het bewegingsonderwijs en het tussenschools aanbod redelijk behaald. Op plekken waar het aanbieden van een
dagarrangement sport en bewegen wel lijkt te lukken, is dat vaak als gevolg van een structuur die er al ligt: in Groningen bijvoorbeeld vanuit BSlim en op een andere school verzorgt de vakdocent ook het naschools
aanbod. Een belangrijke factor die een rol heeft gespeeld in de pilot is de snelle termijn waarmee één en ander is opgezet. Hoewel overal verkennende gesprekken zijn gevoerd en men unaniem enthousiast aan de slag is
gegaan, waren de doelstellingen vooraf niet bij alle betrokkenen helemaal duidelijk, of hebben die bij aanvang minder prioriteit gehad. De doelstelling ‘verhoging kwaliteit bewegingsonderwijs door inzet van de vakdocent’ is door alle betrokkenen erkend en overal ook wel gerealiseerd. Voor de andere doelstellingen geldt dat er
mogelijk te weinig tijd is geweest om bij alle betrokkenen draagvlak te creëren (bijvoorbeeld voor het ondersteunen van groepsleerkrachten bij hun professionalisering in het bewegingsonderwijs). De context op de verschillende scholen (bv. samenwerking met naschools sportaanbod, aanwezigheid groepsleerkrachten tijdens de gymlessen, de opzet van de tussen de middag opvang) is gedurende de looptijd van de pilot langzamerhand duidelijk geworden. Hierop wordt door de betrokkenen zo goed mogelijk maatwerk gecreëerd.
DOCUMENT
Met dit rapport wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste resultaten van het onderzoek naar Lokale Energie Initiatieven (LEI) en ondersteunende organisaties in de provincie Groningen.
DOCUMENT
Hoe kunnen we een dagprogrammering op basisscholen in de provincie Groningen (met elk hun eigen populatie en context) zodanig vormgeven dat leerlingen hun talenten ontwikkelen, voldoende arbeidsmarkt perspectief hebben en een duurzame gezonde en actieve leefstijl ontwikkelen?
DOCUMENT
De resultaten van het onderzoek naar de Lokale Energie Initiatieven in de provincie Groningen
DOCUMENT
Zonder waarde is er geen erfgoed. Als iets waardevol is, is er immers de wens om het te bewaren voor de toekomst. Erfgoed kan worden gewaardeerd aan de hand van een normatieve, kunsthistorische benadering, maar ook vanuit hoe mensen en groepen mensen waarde toekennen aan het erfgoed. In dit onderzoek staat die laatste waardetoekenning centraal. Dit onderzoek wil meer inzicht geven in de verschillende waarden die belanghebbenden toekennen aan middeleeuwse kerken met historische orgels in de provincie Groningen. Aan de hand van verschillende onderzoeken en publicaties zijn er 10 aardetypologiën vastgesteld die van belang zijn bij de waardering van de kerken en orgels. Verschillende belanghebbenden die betrokken zijn bij de kerken en orgels in de provincie Groningen zijn geïnterviewd waarbij de 10 eerdergenoemde typologieën als leidraad dienden. Uit de geraadpleegde literatuur en de interviews blijkt dat de kerken voor elke typologie nog steeds van waardevolle betekenis voor veel mensen en groepen mensen. Het orgel vergroot en verdiept de betekenis en waardering die aan het kerkgebouw wordt toegekend.
DOCUMENT
De wereld van werk is aan verandering onderhevig. Inwoners van de provincie
Groningen stellen zich net als andere bewoners van ons land vragen over hoe hun leven, de opleiding van hun kinderen en hun werk en dat van hun kinderen er straks uit zal zien. Dát werk en opleidingen er over 20 jaar anders uitziet is zeker. Maar hoe? Dat weet niemand. Wat we wel weten is dat werk voor mensen een wezenlijk onderdeel van het leven is en blijft en van groot belang is voor hun zelfontplooiing, gezondheid en welbevinden. Wat we ook weten is dat de wereld steeds sneller verandert. Het is dus van belang dat de inwoners van Groningen zich goed kunnen voorbereiden op dat veranderende werk. Dat betekent dat zij in staat moeten zijn zich te blijven ontwikkelen en zich voortdurend aan te passen aan wat werkgevers en de samenleving van hen vragen. Maar ook wat hun directe omgeving van hen vraagt. Want niet alleen het werk
verandert. Ook de persoonlijke situatie van mensen doet dat. De zorg en aandacht voor kinderen, ouders en anderen uit de persoonlijke omgeving vereisen een goede balans tussen werk en privé. Om in 2040 volwaardig mee te kunnen doen, moeten onze inwoners stevig in hun schoenen staan, zodat zij in staat zijn zich voortdurend aan te passen aan veranderende omstandigheden. Dat is goed voor henzelf, maar zorgt er ook voor dat (verschillende) werkgevers met hun tijd meekunnen. Overheden, onderwijs- en kennisinstellingen, bedrijven en werkgevers- en werknemersorganisaties hebben daarom een gezamenlijke taak om bij te dragen aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van
scholing, training en werk. Dat is niet alleen van belang voor bewoners, maar ook voor Noord-Nederland als geheel, waar een aantrekkelijke omgeving, een gezond leven en duurzame productie samenkomen.
DOCUMENT
Hoe staan de negen gemeenten in het hart van het aardbevingsgebied in Noord-Groningen er voor? De Economic Board Groningen (EBG) liet economen van Hanzehogeschool Groningen en de Rijksuniversiteit Groningen er onderzoek naar doen.
De Economic Board Groningen wil weten welke effecten het programma van EBG heeft op de economie van de negen gemeenten in het aardbevingsgebied. Om dat te kunnen vaststellen hebben economen van de Rijksuniversiteit Groningen en de Hanzehogeschool Groningen in opdracht van de Economic Board de huidige situatie in de negen Noord-Groninger gemeenten gemeten.
DOCUMENT