Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3In deze tekst gaan we in op de methodiek van het inzetten van levensverhalen binnen het onderzoek van het lectoraat Diversiteitvraagstukken van hogeschool Inholland. Eerst zal een korte weergave worden gegeven van de opdracht van het lectoraat, de focus van het lectoraat in haar onderzoek(en), de theoretische uitgangspunten die ze hanteert en ten slotte zal worden ingegaan op de wijze waarop het lectoraat levensverhalen inzet als methodiek van dataverzameling. Het in beeld brengen van levensverhalen kan op zichzelf staan en dienen als enige onderzoeksmethode. Ze is echter met name betekenisvol als de verzamelde verhalen worden gecombineerd met andere onderzoeksmethoden, zoals focusgroepen, interviews en (online) vragenlijsten, waardoor informatie over iemands leven van nog meer context wordt voorzien. De informatie in deze tekst is bedoeld voor onderzoekers en studenten die geïnteresseerd zijn in het inzetten van de levensverhalen methodiek. De tekst wordt afgesloten met een visuele weergave van de items die bij deze methodiek kunnen worden bevraagd en een aantal voorbeeldvragen die kunnen worden gesteld. De citaten zijn afkomstig uit het levensverhalenboek Ik ben dat samen met studenten van de minor Migratievraagstukken is gemaakt in 2021
DOCUMENT
In de periode september 2023 tot en met januari 2024 hebben studenten van diverse opleidingen van de Hogeschool van Amsterdam en van andere hbo-opleidingen uit heel Nederland de minor Migratievraagstukken gevolgd. Het maken van een levensverhalenboek is een van de onderdelen van deze minor en onderdeel van het vak Ontvangende Samenleving. Met veel bewondering hebben we de, inmiddels, zesde editie van ‘het levensverhalenboek’ gemaakt. Bewondering voor de studenten die we het afgelopen half jaar hebben ontmoet en met wie we veel verhalen hebben gedeeld, resulterend in dit prachtige boekje
MULTIFILE
Vaak wordt bij zorgprofessionals de vraag gesteld: hebben we wel tijd om echt naar het levensverhaal van de cliënt te luisteren? Het antwoord is duidelijk: uit onderzoek blijkt dat actief luisteren zonder oordeel en het navragen van de hele levensloop, voor de cliënt waardevol is en veel informatie voor de zorgprofessional geeft. Dit wordt versterkt door het tekenen van levenslooplijnen.
DOCUMENT
Dr. Floor van Renssen (opleiding Nederlands) en drs. Gertjan Aalders (opleiding Journalistiek) doen in 2018 - 2019 in opdracht van het lectoraat Onderwijsinnovatie en ICT en in samenwerking met het Lectoraat Sociale Innovatie Hogeschool Windesheim onderzoek naar de wijze waarop het schrijven van levensverhalen bijdraagt aan een nadere invulling van de begrippen ‘diversiteit’ en ‘inclusiviteit’ binnen hogeschool Windesheim. Uit interviews met de deelnemende studenten blijkt, dat het schrijven van een levensverhaal van een 'ander' hen - een beetje - verandert. Ze lijken zich meer thuis te voelen binnen de hogeschool. Ze ontwikkelen meer begrip voor iemand die anders is dan zijzelf, en kunnen deze inzichten vertalen naar hun professioneel handelen. In het onderzoeksverslag gaan de auteurs in op de resultaten van hun onderzoek naar diversiteitsbeleving onder studenten van de hogeschool en presenteren zij een interviewleidraad die gebruikt kan worden bij het optekenen van levensverhalen.
DOCUMENT
In de wetenschappelijke en bestuurlijke wereld is veel interesse voor de terugkeer van justitiabelen uit detentie. Opvallend is echter dat in beide domeinen weinig oog is voor de percepties van ex-gedetineerden op hun bestaan. De ‘mainstream’ van wetenschappelijk onderzoek richt zich op het in beeld brengen van kenmerken van representatieve groepen delinquenten, en de evaluatie van justitiële interventies en het nazorgbeleid. Minder prominent zijn zogenoemde ‘narratieve studies’, waarin de levensverhalen van ex-gedetineerden centraal staan. Het hoofddoel van deze studies is het proces van stoppen of doorgaan met criminaliteit beter te begrijpen. Narratief onderzoek legt op grond van de betekenis die ex-gedetineerden geven aan belangrijke levensgebeurtenissen de mechanismen van verandering en volharding bloot. De studies geven een ‘insidersview’ in het criminele bestaan en het leven na detentie. Daarmee kunnen ook deze onderzoeken waardevolle kennis leveren over de rol die beleid en interventies spelen bij de re-integratie van ex-gedetineerden in de samenleving. Aanbevelingen voor de praktijk kunnen als ‘bijvangst’ op basis van dit weinig toegepaste type onderzoek worden geformuleerd. De onderliggende rapportage doet verslag van een verkennend narratief onderzoek naar ex-gedetineerden die terugkeren naar gemeenten in de provincie Noord-Brabant. Het doel van de studie was tweeledig. Enerzijds is gepoogd diepgaande inzichten te bieden in de levens(ervaringen) van ex-gedetineerden, waarbij zowel aandacht was voor een crimineel bestaan als het proces van stoppen met criminaliteit. Anderzijds moest de studie leiden tot aanbevelingen voor het beleid inzake nazorg, en voor het professioneel handelen van beroepskrachten die ex-gedetineerden advies en ondersteuning bieden en/of toezicht houden. In het bijzonder werd de volgende onderzoeksvraag opgesteld: Welke inzichten geven de levenslopen van ex-gedetineerden in de factoren die bijdragen aan een leven na detentie met of zonder criminaliteit, en welke aanbevelingen zijn te geven voor de nazorg aan exgedetineerden? Er zijn verschillende onderzoeksmethoden gebruikt om de onderzoeksvraag te beantwoorden. De exgedetineerden die in de studie zijn betrokken, werden geworven in verschillende Penitentiaire Inrichtingen in de provincies Limburg en Noord-Brabant. In totaal hebben zeventien ex-gedetineerden aan het onderzoek deelgenomen. Binnen detentie is onder ieder van hen een vragenlijst en een life story interview afgenomen. In dit interview stond het levensverhaal van de gedetineerden centraal. Er is uitgebreid gesproken over het bestaan voor detentie en verwachtingen over de toekomst. Na circa zes maanden is met een deel van de respondenten een diepte-interview gehouden waarin werd teruggeblikt op de periode na detentie. Eveneens zijn familieleden van meerdere ex-gedetineerden geïnterviewd over hun ervaringen met het leven van de exgedetineerde in kwestie en het proces van terugkeer uit detentie. Er kon een onderscheid worden gemaakt tussen een groep ‘desisters’ (zij die afzien van criminaliteit) en ‘persisters’ (zij die volharden in het plegen van delicten). Op basis van de life story interviews is inzicht verkregen in levensgebeurtenissen die een positieve of negatieve invloed hadden op delinquent gedrag. Bij de analyse van deze gebeurtenissen is uitdrukkelijk gelet op de wijze waarop respondenten hun (criminele) handelen verantwoorden, in hoeverre zij ‘agency’ en ‘generativity’ ervoeren en welke ‘narratieve strategie’ zij toepasten. Uit eerder criminologisch onderzoek bleek dat dit belangrijke thema’s waren bij het proces van stoppen met criminaliteit. De invloedrijke levensgebeurtenissen konden uiteindelijk worden geordend in zeven categorieën: relaties, werk & inkomen, gezondheid, persoonlijke ontwikkeling, woonsituaties, scholing en strafrechtspleging. Iedere categorie bestond uit meerdere subcategorieën. De categorie relaties omvat de meeste subcategorieën en bleek dan ook het sterkst van invloed te zijn op crimineel gedrag. Overstijgend aan de bevindingen per subcategorie werd geconcludeerd dat de invloedrijke levensgebeurtenissen die desisters en persisters hadden meegemaakt niet veel van elkaar verschilden. Negatieve levensgebeurtenissen, zoals huiselijk geweld, verslavings-problematiek, werkeloosheid en dakloosheid kwamen in beide groepen voor. Een zeer duidelijk onderscheid in de interpretatie van deze gebeurtenissen was ook niet aan de orde. Opvallend was vooral hoe zowel desisters als persisters nauwelijks zelf verantwoordelijkheid namen voor de problemen in hun leven. De schuld werd afgeschoven op anderen of gezocht in situationele omstandigheden en vaststaande persoonskenmerken. Het eigen handelen zou daardoor begrijpelijk en rechtvaardig zijn. Verschillen deden zich vooral voor in de mate waarin problemenmeer dan desisters een zekere ‘grenzeloosheid’ in hun gedrag te hebben. Als een slechte keuze eenmaal is gemaakt, volhardt men daarin. Dit geldt niet alleen voor delictgedrag, maar was ook zichtbaar op andere gebieden, zoals middelengebruik, de omgang met ‘verkeerde’ contacten en het blijven hangen in familieconflicten. Desisters hebben meer relationele bindingen en zetten anderen eerder op de voorgrond in hun levensverhaal. Anderen boden steun bij het aanpakken van problemen. Desisters werden door familieleden ook aangesproken op hun verantwoordelijkheden en er was een zeker vertrouwen in de toekomst. De verwachtingen van familieleden van persisters waren beperkt. Er heerste een zekere gelatenheid rondom het afwijkende gedrag en het familielid werd niet langer als ‘volwaardig’ beschouwd. Een belangrijke bevinding in dit onderzoek was ook, dat de betrokkenheid van familieleden bij het reclasseringscontact, nazorgtraject en/of behandeling zeer beperkt was. Dit terwijl de relatie met familieleden en de steun die werd ervaren in de verhalen van zowel desisters als persisters een belangrijke rol speelde. Op basis van de onderzoeksbevindingen is gekomen tot de volgende aanbevelingen: - Versterk rechtsomlegging/alternatieve sancties en burgerschap bij beginnende delictplegers door een meer intensieve drangaanpak. - Voorkom marginalisering van beginnende delictplegers op school. - Kies voor een integrale drang- en dwangaanpak bij delictgedrag en huiselijk geweld. - Ga bij delictplegers consequent na of zij slachtoffer zijn (geweest) van huiselijk geweld. Ondersteun delictplegers die slachtoffer en/of dader zijn geweest van huiselijk geweld bij het (re)construeren van een levensverhaal waarin relationeel geweld geen plaats heeft. - Ga bij contact van cliënten met de verslavingszorg en/of justitie in relatie met middelengebruik en crimineel gedrag na of zij in een gezinssituatie verkeren waarop zij een negatieve invloed hebben. Bekijk in hoeverre de partner en/of gezinsleden dit gedrag (zouden kunnen) overnemen, en zorg voor intensieve bemoeienis bij het (re)construeren van een levensverhaal waarin middelengebruik en criminaliteit geen plaats heeft. - Ondersteun delictplegers intensief bij het doorbreken van contacten met negatieve/antisociale vrienden en kennissen, vooral via persoonlijke waardering door anderen. - Betrek leden van het gezin en van de familie veel meer bij het voorbereiden en uitvoeren van nazorg na detentie. - Ondersteun zowel startende delictplegers als persisters bij: a) het herstellen van het levensverhaal tot een coherent geheel, waarin zij zelf een actieve hoofdrol hebben en; b) het focussen op (herstel van) problemen op het levensgebied en/of in de context waar zij zijn ontstaan en ook moeten worden aangepakt, waardoor verwevenheid van problemen kan worden voorkomen/afnemen en terugval in (herhaalde) criminaliteit ook. Ontwikkel narratieve interventies die binnen en buiten detentie kunnen worden ingezet om dit proces te ondersteunen.
DOCUMENT
In het project Levensverhaal Centraal onderzochten we hoe teams van zorgverleners en leidinggevenden in het verpleeghuis het levensverhaal van ouderen met dementie centraal kunnen stellen in de zorgverlening, zodat een bijdrage wordt geleverd aan betekenisvolle, integrale zorg. Het onderzoek vond plaats in 2016, op 4 locaties van 2 zorgaanbieders, Viattence en Stichting Zorggroep Noordwest-Veluwe. Het onderzoek werd begeleid door het Lectoraat Theologie en Levensbeschouwing van Hogeschool Windesheim. In dit praktijkonderzoek is gewerkt met 4 Professionele LeerGemeenschappen (PLG’s), bestaande uit 6 tot 8 zorgverleners die in hun eigen context zelf onderzocht hebben hoe zij autobiografische informatie over hun cliënten konden verkrijgen en hoe ze met behulp daarvan het contact met en de zorg voor de cliënten konden verbeteren. In dit rapport worden de zorgverleners dan ook met de term ‘onderzoekers’ aangeduid. De belangrijkste uitkomsten van het onderzoek zijn: 1. Informatie over het levensverhaal kan het beste verkregen worden met behulp van een eenvoudig en flexibel in te zetten instrument, waarmee in relatief korte tijd feiten uit het levensverhaal kunnen worden opgevraagd en genoteerd, en waarbij direct ook gevraagd wordt naar de betekenis van die feiten voor de cliënt. De rol van familie en andere naasten is hierbij essentieel, omdat veel cliënten met dementie zelf die informatie niet of nauwelijks kunnen verschaffen. De door de onderzoekers ontwikkelde ‘Verhaalcirkel’ is een adequaat instrument hiervoor gebleken. 2. De onderzoekers hebben ontdekt dat kennis van het levensverhaal in de eerste plaats het begrip en respect voor de cliënt doet toenemen. Dat is vooral van belang bij cliënten met zgn. ‘onbegrepen gedrag’. Zorgverleners krijgen op deze wijze meer ruimte voor de cliënt, zijn minder geneigd het contact te vermijden. Daarnaast nemen zij vaker initiatieven om met de cliënt te zoeken naar betekenisvolle activiteiten, ook met cliënten bij wie ‘onbegrepen gedrag’ niet of in mindere mate een rol speelt. Met name op het terrein van activiteiten en welzijn worden op basis van de verhaalcirkel expliciete acties gepland om de zorg beter af te stemmen op de cliënt. 3. Familie en naasten van de cliënt met dementie voelen zich erkend en gewaardeerd als hun gevraagd wordt te vertellen over wie hun verwant is en wat voor haar of hem belangrijk is. 4. De onderzoekers kunnen het verhalende perspectief op de zorg, aan de hand van concrete voorbeelden, aan hun collega’s en andere zorgprofessionals uitleggen. Het is hun gelukt een deel van de collega’s hiervoor warm te krijgen. In andere gevallen lukte dat nog niet, mede vanwege obstakels van culturele en organisatorische aard: een oplossingsgerichte cultuur, personeelsgebrek, reorganisaties en de druk van parallel uitgevoerde projecten. Samen regelmatig aan de slag gaan met de verhaalcirkel is volgens de onderzoekers de beste manier om het verhalend perspectief in de zorg te implementeren. 5. De onderzoekers adviseren om de informatie uit het levensverhaal vast te leggen binnen de bestaande systemen, in het Zorgpleefplan of ECD, zo eenvoudig mogelijk, zodat het geen extra administratieve last oplevert. De onderzoekers vinden het belangrijker dat de biografische informatie ‘in hun hoofd zit’ en ‘leeft’ dan dat het gedocumenteerd is. In een een vervolgproject zal de focus primair moeten liggen op implementatie van verhalend werken en op documentatie van de biografische informatie.
DOCUMENT
Het rapport Naar een inclusieve werkomgeving. Inzichten vanuit (levens)verhalen en paradoxen uit de praktijk dat door onderzoekers van Hogeschool Inholland en de Vrije Universiteit Amsterdam in de periode mei 2019 – november 2021 is uitgevoerd, met een subsidie van Instituut Gak, biedt op een bijzondere manier inzicht in het fenomeen ongelijke kansen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
DOCUMENT
Marokkaanse gastarbeiders brachten de islam mee naar Nederland en droegen die zo over, zo wordt veelal aangenomen. Deze ‘volkse' islam zou botsen met de meer ‘zuivere’ islam van hun kinderen. Met een generatiekloof als gevolg. Ibtissam Abaaziz ontdekte tijdens haar promotieonderzoek dat de werkelijkheid genuanceerder is. De gastarbeiders hebben de islam meegenomen uit hun herkomstland’ is een statement dat we dikwijls voorbij zien komen, niet alleen in maatschappelijke discussies over moslims, maar ook in wetenschappelijk onderzoek. Maar wat hebben gastarbeiders dan aan islam meegenomen naar Nederland? Wat is er vervolgens met hun religieuze bagage gebeurd? In haar promotieonderzoek "Ze waren onwetend" heeft zij door middel van levensverhalen onderzoek verricht naar de religieuze beleving van zowel de eerste als tweede generatie Marokkaanse Nederlanders.
MULTIFILE
Hoewel het belang van een inclusieve arbeidsmarkt door beleidsmakers, werkgevers en werknemersgroot wordt geacht, blijken aspecten als gender, etniciteit, migratieachtergrond, geloof, seksuele oriëntatie, lichamelijke of psychische beperking nog altijd een rol te spelen in de kansen op een soepele in- en doorstroom op de Nederlandse arbeidsmarkt. Veel werkgevers kiezen, al dan niet bewust, in de praktijk liever voor iemand die lijkt op de bestaande ‘normmedewerker’, dan voor iemand wiens zichtbare of minder zichtbare kenmerken van dit bestaande normbeeld afwijken. Het streven naar meer inclusie staat hierdoor lang niet altijd garant voor een inclusieve werkomgeving. Kortom, organisaties willen diverser worden, maar in de praktijk lukt dat (nog) niet.
DOCUMENT