Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Yo! Opera asked the Lectorate Lifelong Learning in Music to evaluate the project The Operaflat, which was part of the fourth edition of the Yo! Opera Festival in Utrecht, in 2007. During the project primary school pupils of the public primary school ‘Openbare Basisschool Overvecht’, residents of the ‘Operaflat’, vocal and composition students of a number of Dutch conservatoires and their teachers met during the performance of 25 mini operas that lasted one minute.
Purpose of the research of the lectorate was monitoring and evaluating the dialogue between students and teachers of conservatoires on the one hand and the cooperation with a professional organisation (Yo! Opera) on the other hand.
DOCUMENT
Op verzoek van Yo! Opera heeft het lectoraat Lifelong Learning voor Musici het project De Operaflat geëvalueerd, dat onderdeel was van de vierde editie van het Yo! Opera Festival in 2007 te Utrecht. Tijdens het project hebben basisschoolleerlingen van de Openbare Basisschool Overvecht, bewoners van de ‘Operaflat’, studenten zang en compositie van een aantal Nederlandse conservatoria en hun docenten elkaar ontmoet in de uitvoering van 25 miniatuuropera’s van één minuut. Doel van het onderzoek van het lectoraat was de dialoog tussen studenten en docenten van conservatoria enerzijds en de samenwerking met een professionele organisatie (Yo! Opera) anderzijds te monitoren en evalueren.
DOCUMENT
As the Academy Turns is a multilayered project exploring the potentials and the tensions in the growth of artistic research and the current academization of art education. The ‘academicisation’ of art is increasingly marked by the strong expectation of research trajectories and how these will be shaped within the changing institutional framework of art education. In that context, the present possibilities of PhD research within visual art are particularly at the center of attention and debate. What do those challenges mean for the art academy as such? Will novel forms of academic elitism pop up or will research induce a novel form of intellectual conscience in the art academy? How will research and artistic practice be intertwined? Will they produce redefinitions in both domains or is research rather doomed to be a fringe phenomenon at the art academy? And the ultimate question, how will research be conducted within art academies? These themes will be tackled in three different dissemination platforms: a three day international symposium, an infolab exhibition, and an artwork in the form of a soap opera set in an art academy.
DOCUMENT
Tijdens Act Your Age kregen negen choreografen uit Italië, Cyprus en Nederland de gelegenheid on zich twee jaar lang in het onderwerp ouder worden te verdiepen. Ze presenteerden hun eerste onderzoekresultaten op de drie partnerfestivals Opera Estate Festival (Italië), Open House Dance and Performance (Cyprus) en de Nederlandse Dansdagen (Nederland). In het laatste jaar maakten ze onder de naam A Taste of Act Your Age tijdens hun residentiemaand alle negen een voorstelling, ontwikkelden een workshopmethode of maakten een film. Op de site zijn de resultaten van hun inspanningen te zien.
DOCUMENT
De beroepspraktijk van de musicus is net als de maatschappij aan verandering onderhevig. Orkesten, koren, operagezelschappen en gesubsidieerde muziekscholen worden uitgedund of opgeheven. Musici zullen als zelfstandig ondernemer een plek in de markt moeten veroveren. Alleen goed kunnen spelen of zingen is dan niet genoeg, het vereist andere kwaliteiten zoals een actieve bijdrage kunnen leveren aan een disciplineoverstijgend (kunstzinnig) proces, en het innovatief en creatief kunnen ondernemen binnen een kunstzinnige en maatschappelijke context. Concreet komt dat neer op open staan voor de denktrant van de subsidiënt, de culturele agenda in de gemeenschap mede samenstellen, verandering in consumentengedrag peilen en daarop antwoorden proberen te vinden, het aanleren van andere werkvormen, community arts, en samenwerken in en met het reguliere onderwijs (Eijsermans, 2009; Dijkgraaf, 2010). Hieruit blijkt dat een musicus tegenwoordig breed inzetbaar moet zijn. Het werkveld van de musicus verandert ook door teruglopende bezoekersaantallen bij klassieke concerten, opera, ballet en nieuw muziektheater. In de sectoren theater, musical, pop en jazz geldt dat in mindere mate. Publiek van vandaag komt voor een belevenis, waarbij communicatie, entourage en performance even belangrijk zijn als het instrumentale of vocale niveau van de uitvoerenden (Sloboda, 2011a). De musici die nu afstuderen moeten aan een ander afstudeerprofiel voldoen dan hun docenten dat in de voorafgaande decennia hebben gedaan om een kans te maken in de samenleving. Cross-over handelen, onderzoeken en verantwoorden, presenteren, ondernemen als performer en teacher/trainer zijn eigenschappen die in de huidige competenties naar voren komen (Polifonia, 2010). Deze innovaties brengen me tot het formuleren van de volgende vraagstelling voor dit onderzoek: Op welke wijze kunnen interdisciplinaire programma’s bijdragen aan het behalen van de competenties voor de musicus (2002) en de EQF-competenties (2013) voor het conservatoriumonderwijs.
DOCUMENT
Onderzoeksrapport van praktijk- en onderzoekscentrum De Karthuizer over de sociale en culturele effecten van het kunstproject "De zingende stad'. Het project betrof een cultuureducatieve lessenserie die muziekonderwijs combineert met nieuwe media. Daarnaast wordt aandacht besteed aan democratisch burgerschap en kaartvaardigheden van kinderen. Dit alles is aangeboden binnen een context van samenwerkend leren. Het onderzoek evalueert de effecten aan hand van zes pijlers van culturele en sociale ontwikkeling: creativiteit, mediawijsheid, empowerment, de interpersoonlijke sociale ontwikkeling, de identificatie van de kinderen met hun leefomgeving en de betrokkenheid van de ouders. Daarnaast is het project in een internationale context van vergelijkbare, educatieve en creatieve projecten geplaatst.
DOCUMENT
Je eerste muziekherinneringen: ze hebben iets verrassends, ze ontregelen je, ze kunnen je grijpen. Thuis, op school, op straat, bij repetities en misschien zelfs voor een auditie. Muziek, voor de pret én voor je beroep, en alles daartussen – hoe verschillend je achtergronden en je ambities ook kunnen zijn. En muziek kan de sociale samenhang in je buurt versterken.
DOCUMENT
In het kunsten- en erfgoeddecreet werd een aparte categorie ‘Instellingen van de Vlaamse Gemeenschap’ opgenomen. Zij zouden een symboolfunctie en een sensibiliserende rol voor de artistieke gemeenschap en de gehele Vlaamse bevolking moeten vervullen. Bovendien moeten ze internationale topkwaliteit aanbieden. Door een gebrekkige collectieve opdrachtomschrijving weten deze Gemeenschapsinstellingen echter niet welke service van hen wordt verwacht en dit zowel naar de artistieke gemeenschap als de bredere samenleving toe. De vage taakomschrijving stelt de instellingen met dit uitzonderlijke statuut bovendien voor een distinctieprobleem. Waarin onderscheiden ze zich van andere kunstorganisaties in Vlaanderen die op een reguliere basis tijdelijk worden gesubsidieerd? Ten slotte signaleren de Gemeenschapsinstellingen een internationaal verifieerbare discrepantie tussen een symbolische en een economische, subsidiale erkenning. Door dit alles blijft hun positie vaag tot zelfs ambivalent. Met deze vaststellingen in het achterhoofd werd een essayopdracht geformuleerd. De centrale vragen die daarin gesteld werden luiden: wat is de opdracht, taak en positie van nationale kunstinstellingen? Hoe kunnen ze ideaaltypisch functioneren en hoe doen ze dat in het buitenland? Via een interpretatieve cultuursociologische weg, geschraagd met de inzichten van de kritische theorie werd een antwoord op het voorgelegde vraagstuk gezocht. Het opstel betreft dus geen benchmarking of kunstkritisch betoog. Wel werd via diepte-interviews met beleidsverantwoordelijken en vooral stafmedewerkers van voorbeeldorganisaties in Duitsland, Engeland, Finland, Nederland en Portugal naar mogelijke pistes gekeken.
DOCUMENT
Dit beroepsproduct heeft geprobeerd op hoe gemeenten op een begrijpelijke manier inzicht kunnen krijgen in de complexiteit van wet- en regelgeving. Het beroepsproduct focust zich op het begrip belanghebbende in het licht van het omgevingsrecht. Hierbij wordt helderheid en
structuur gebracht aan artikel 1:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om dit te kunnen bereiken is op basis van het onderzoek een feittypemodel gemaakt. Op basis van dit informatiemodel wordt het begrip belanghebbende uit artikel 1:2 lid in het licht van het omgevingsrecht helder gemaakt, waarbij de betekenis ervan op begrijpelijke wijze inzichtelijk wordt gemaakt.
Voor de vertaling is de aanpak Wetsanalyse toegepast. Deze aanpak doorloopt zes stappen die de vertaling tot stand brengt. Hierbij is voor stap 1 het werkgebied bepaald. Daarbij zijn relevante bronnen geanalyseerd. In het onderzoek zijn wet- en regelgeving binnen en buiten de Awb wetsartikelen, jurisprudentie, kamerstukken en bijbehorende literatuur geraadpleegd.
Deze houden allen verband met het begrip belanghebbende in het omgevingsrecht.
Disclaimer:
De afstudeeropdracht wordt uitgevoerd door een vierdejaarsstudent in het kader van zijn/haar afstuderen bij het Instituut voor Rechtenstudies. De student levert een juridisch beroepsproduct op en doet daartoe onderzoek. De student wordt tijdens de uitvoering van zijn/haar afstudeeropdracht begeleid door een afstudeercoach. De inspanningen van de student en de afstudeercoach zijn erop gericht om een zo goed mogelijk beroepsproduct op te leveren. Dit moet opgevat worden als een product van een (vierdejaars)student en niet van een juridische professional. Mocht ondanks de geleverde inspanningen de informatie of de inhoud van het beroepsproduct onvolledig en/of onjuist zijn, dan kunnen de Hanzehogeschool Groningen, het Instituut voor Rechtenstudies, individuele medewerkers en de student daarvoor geen aansprakelijkheid aanvaarden.
DOCUMENT
Aandacht voor diversiteit en kansengelijkheid van studenten staat hoog op de agenda’s van hogescholen en universiteiten. Zij geven ieder op hun eigen manier invulling aan inclusiebeleid, waarbij vaak speciale aandacht is voor eerstegeneratiestudenten: studenten die als eerste in hun gezin een opleiding volgen aan een instelling voor hoger onderwijs. Verschillende hogescholen en universiteiten bieden hen meerdaagse voorbereidende zomerprogramma’s of brugprogramma’s aan. Op zich heel positief, maar het roept ook vragen op. Want wie is die groep dan precies? Wat zijn hun wensen en behoeften als het gaat om voorbereiding op en begeleiding bij de studie? En sluit je met het afbakenen van een specifieke groep geen studenten uit die ook veel baat kunnen hebben bij het volgen van deze programma’s?
DOCUMENT