Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3https://crimsonpublishers.com/ggs/fulltext/GGS.000645.php Sinds kort is er in Nederland meer aandacht voor de intieme en seksuele behoeften van ouderen, zowel in hun privé-thuisomgeving als in de langdurige zorg. Het is algemeen bekend dat een persoonsgerichte aanpak nodig is om de kwaliteit van de zorg aan ouderen te verbeteren. Er zijn verschillende hulpmiddelen ontwikkeld om de intieme en seksuele behoeften van oudere volwassenen te ondersteunen. Desondanks is er in de praktijk nog steeds een gebrek aan begrip bij zorgprofessionals (HPC 's) en organisaties hoe ze deze tools in specifieke situaties kunnen gebruiken. Het matchen van de juiste tool met de juiste organisatie, HPC 's, ouderen en hun dierbaren is essentieel om persoonsgerichte intieme en seksuele ondersteuning te bieden aan oudere volwassenen.Sleutelwoorden: Oudere volwassene; Intimiteit, Seksualiteit, Persoonsgericht, Co-creatie, Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg (HCP 's)
DOCUMENT
Ruim een half miljoen kinderen in Nederland groeien op in een gezin waarin een of beide ouders psychische problemen of een verslaving heeft. De opvoeding van hun kinderen kent voor deze ouders bijzondere uitdagingen, met het risico dat psychische problematiek verergert en/of haar weerslag heeft op de kinderen. Effectieve hulp aan deze gezinnen vraagt om integrale samenwerking tussen het jeugddomein en de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen (v-ggz). In de regio Haaglanden worden een aantal pilots uitgevoerd om bij gezinnen met ernstige, complexe problematiek naast jeugdhulp ook expertise of ondersteuning vanuit de v-ggz in te zetten. Het gaat daarbij om de volgende projecten: ‘Beter Thuis’ (Den Haag, Zoetermeer en ‘Integraal 0-6-team in de wijk’) en ‘Ggz bij Jeugdbescherming west’ (vanuit Indigo en Impegno). Dit onderzoek heeft als doel inzicht te geven in de meerwaarde van deze pilots, in het bijzonder wanneer het gaat om de integratie van jeugdhulp en v-ggz.
MULTIFILE
Vergeet de ruzies die volwassenen erover maken en kijk door de ogen van een kind. Een kind kan vele pieten aan, als de mythe maar intact blijft. In dit artikel in Trouw 11-11-2015 komen twee pedagogen aan het woord over de zwartepietendiscussie, onder wie lector Christa Nieuwboer van Fontys Hogeschool Pedagogiek.
DOCUMENT
Intimiteit en seksualiteit zijn belangrijke dimensies van kwaliteit van leven, ook voor oudere volwassenen die langdurig afhankelijk zijn van verpleegkundige zorg. Veel verpleegkundigen weten niet hoe ze een gesprek over dit intieme onderwerp kunnen starten. Om bestaande gesprekshulpmiddelen beter in te zetten is een website met een brochure beschikbaar, die verpleegkundigen gepersonaliseerd advies geeft bij het starten van dit gesprek.
MULTIFILE
Een bedrijf heeft competente medewerkers nodig om klanten te kunnen voorzien van goederen en diensten. Stel nu eens dat we een competente medewerker zien als een product. Niet omdat mensen producten zijn, maar omdat we de indruk hebben dat er met producten zorgvuldiger wordt omgesprongen dan met mensen. We nemen die zorgvuldigheid als minimumeis en stellen de vraag: In welk proces komt de competente medewerker tot stand? Dan zien we activiteiten van de leidinggevende, van collega’s, van de HR-afdeling, van trainers, van het onderwijs, van ouders, en niet te vergeten van de betrokkene zelf. Wie is er nu verantwoordelijk voor dat in dat hele proces zorgvuldig met de competentieontwikkeling van het individu wordt omgegaan? Terwijl in het geval van bijvoorbeeld een pak koffie activiteiten als telen van koffiebonen, branden, distributie en winkelverkoop duidelijk zijn afgestemd, is dit bij de HR-supply chain niet het geval. Het individu zelf dient regie over de eigen loopbaan te hebben, maar het vermogen tot regie is geen natuurgegeven. Bij kinderen niet en ook bij oudere medewerkers niet. Ons voorstel is dat iedere partij in de HR-supply chain een stuk regie pakt door zijn beslissingen te nemen met het oog op het optimaliseren van de hele keten en niet alleen van het eigen stuk daarin. Hoe dan de spanning te hanteren tussen het bedrijfskundig en het onderwijskundig paradigma? En dan heb je nog het leven zelf, van jongeren, van volwassenen, met drijfveren die zich vaak aan beide paradigma’s onttrekken.
DOCUMENT
Lichamelijke zwakte is een belangrijk onderdeel van kwetsbaarheid en komt veel voor bij oudere volwassenen. Terwijl vrouwen een hogere prevalentie en een eerder begin van kwetsbaarheid kennen zijn sekseverschillen in de ontwikkeling van lichamelijke zwakte nauwelijks bestudeerd. Daarom hebben we in spieren de veranderingen onderzocht die onderscheid maken tussen fitte en zwakke ouderen voor elk geslacht afzonderlijk. Mannen (n = 28) en vrouwen (n = 26) van 75 jaar en ouder werden gegroepeerd op basis van hun fysieke prestatiecriteria. Er werd gebruik gemaakt van spierbiopten genomen uit de vastus lateralis-spier voor genexpressie- en histologisch onderzoek. Er werden paarsgewijze vergelijkingen gemaakt tussen de sterkste en de zwakste groepen voor elk geslacht afzonderlijk, en potentiële geslachts-specifieke effecten werden beoordeeld. Zwakke vrouwen toonden een hogere expressie van ontstekingsroutes, infiltratie van NOX2-immuuncellen, samen met een hogere VCAM1-expressie. Zwakke mannen werden gekenmerkt door een kleinere diameter van type 2 (snelle) spiervezels en lagere expressie van PRKN. Zwakte-geassocieerde genexpressie-veranderingen in de spieren waren verschillend van veroudering-geassocieerde genexpressie-veranderingen, wat erop wijst dat de pathofysiologie van fysieke zwakte niet noodzakelijkerwijs afhankelijk is van veroudering. We concluderen dat zwakte-geassocieerde veranderingen in de spieren sekse-specifiek zijn. Aanbevolen wordt om bij onderzoek naar kwetsbaarheid rekening te houden met sekseverschillen, omdat deze verschillen een grote impact kunnen hebben over de ontwikkeling van (farmaceutische) interventies tegen kwetsbaarheid.
MULTIFILE
Geospatial technologies have the potential to transform the lives of older adults by providing them with necessary tools to navigate their local communities, access services, connect with others, and access valuable information. However, the usability and accessibility of such technologies often fall short of the needs of older adults. Many existing geospatial tools are not designed with the needs and preferences of older adults in mind; this can lead to usability challenges and limit their usage. This paper explores a participatory approach in developing an inclusive geodata-collection tool that is specifically tailored to older users’ needs. The paper also highlights the importance of incorporating user-centered design principles, participatory design methods, and accessibility guidelines throughout the entire geodata-tool-development process. It also emphasizes the need for ongoing user engagement and feedback in order to ensure that the tool remains relevant and usable in the evolving digital landscape. This participatory approach has resulted in a tool that is easy to use and accessible for older adults; it is available in various languages, thus ensuring that the elderly can actively participate in the prototype’s creation and contribute to the collection of the geospatial information that reflects their lived experiences and needs.
MULTIFILE
BACKGROUND: Due to the rapidly increasing number of older people worldwide, the prevalence of frailty among older adults is expected to escalate in coming decades. It is crucial to recognize early onset symptoms to initiate specific preventive care. Therefore, early detection of frailty with appropriate screening instruments is needed. The aim of this study was to evaluate the underlying dimensionality of the Groningen Frailty Indicator (GFI), a widely used self-report screening instrument for identifying frail older adults. In addition, criterion validity of GFI subscales was examined and composition of GFI scores was evaluated.
METHODS: A cross-sectional study design was used to evaluate the structural validity, internal consistency and criterion validity of the GFI questionnaire in older adults aged 65 years and older. All subjects completed the GFI questionnaire (n = 1508). To assess criterion validity, a smaller sample of 119 older adults completed additional questionnaires: De Jong Gierveld Loneliness Scale, Hospital Anxiety Depression Scale, RAND-36 physical functioning, and perceived general health item of the EuroQol-5D. Exploratory factor analysis and Mokken scale analysis were used to evaluate the structural validity of the GFI. A Venn diagram was constructed to show the composition of GFI subscale scores for frail subjects.
RESULTS: The factor structure of the GFI supported a three-dimensional structure of the scale. The subscales Daily Activities and Psychosocial Functioning showed good internal consistency, scalability, and criterion validity (Daily Activities: Cronbach's α = 0.81, Hs = .84, r = -.62; Psychosocial Functioning: Cronbach's α = 0.80, Hs = .35, r = -.48). The subscale Health Problems showed less strong internal consistency but acceptable scalability and criterion validity (Cronbach's α = .57, Hs = .35, r = -.48). The present data suggest that 90% of the frail older adults experience problems in the Psychosocial Functioning domain.
CONCLUSIONS: The present findings support a three-dimensional factor structure of the GFI, suggesting that a multidimensional assessment of frailty with the GFI is possible. These GFI subscale scores produce a richer assessment of frailty than with a single overall sum GFI score, and likely their use will contribute to more directed and customized care for older adults.
DOCUMENT
Deze publicatie beschrijft het actieonderzoek van het Project ‘De Haagse Verbindt Jong en Oud in de Wijk’, dat binnen de Werkplaats Sociaal Domein heeft plaatsgevonden in het studiejaar 2023-2024. Opdrachtgevers en samenwerkingspartners zijn Wijkz, de Gemeente Den Haag en het lectoraat Urban Ageing van De Haagse Hogeschool. Het project genaamd ‘De Haagse Verbindt Jong en Oud in de wijk’ (DHVJO) onderzoekt de ervaringen en behoeften van ouderen en hun mantelzorgers bij de Haags Ontmoeten locaties van Wijkz en de WoonZorgcentra Haaglanden. Deze organisaties verzorgen ontmoetingsactiviteiten voor zelfstandig wonende senioren onder de noemer Haags Ontmoeten. Bij de locaties van Haags Ontmoeten kunnen ouderen in de wijk terecht zonder een Wet maatschappelijke ondersteuning indicatie (Rijksoverheid, 2015). Het eerste deel van het project vond plaats in 2022-2023 (Kroon, 2023). Uit dit project blijkt dat Haags Ontmoeten een waardevolle wijze van elkaar treffen is tussen ouderen en jongeren. Ook komen de ouderen graag in de Haags Ontmoeten locaties en voelen zij zich erbij betrokken. Voor de eerstejaars studenten Social Work is het project een goede leerervaring in het ouderenwerk en voor de locaties van Haags Ontmoeten een bijdrage aan hun activiteitenaanbod voor de ouderen in de wijk. Het vervolg in studiejaar 2023-2024 gaf de mogelijkheid nog meer ouderen te spreken, portretteren en activiteiten voor hen te bedenken en te organiseren. Bij alle interviews is gekozen meer de focus te leggen op de levensgebieden zoals die door het Kennisplatform zijn benoemd. In samenwerking met de programmacoördinatoren van Haags Ontmoeten zijn er zo’n 25 Haags Ontmoeten locaties benaderd en beschikbaar gesteld en er is met zo’n 186 ouderen gesproken. De activiteiten zijn in subgroepjes uitgevoerd op één middag per locatie. De projectleider heeft de 20 betrokken professionals van de Haags Ontmoeten organisaties benaderd (in studiejaar 2023-2024) en zo mogelijk geïnterviewd om ook hun visie, kennis en ervaringen bij het antwoord op de onderzoeksvragen te betrekken.
DOCUMENT
“Nooit meer alleen door PMT” is een onderzoek dat meer inzicht geeft welke bijdrage PMT kan leveren met betrekking tot hechtingsproblematiek. Onopgemerkt hebben veel kinderen te maken met hechtingsproblematiek. Een kind uit dit op zeer uiteenlopende wijze, de secundaire gedragskenmerken of zelfs gedragsproblematiek doen niet vermoeden dat hier hechtingsproblematiek aan ten grondslag ligt. Dit onderzoek geeft een helder overzicht van PMT interventies m.b.t. hechtingsproblematiek, het geeft antwoord op de volgende vraagstelling: Wat is vanuit de literatuur bekend over de behandeling van hechtingsproblematiek bij kinderen met behulp van PMT of PMT- verwante interventies? Het blijkt dat PMT een waardevolle bijdrage kan leveren met betrekking tot hechtingsproblematiek. PMT en PMT-verwante interventies kunnen, eventueel binnen een multidisciplinaire setting, ingezet worden voor zowel signalering, diagnosticeren, preventie als behandeling van het kind, indien mogelijk samen met ouders/verzorgers. Door corrigerende ervaringen tijdens de behandeling kan een veilige hechting tot stand komen.
DOCUMENT