Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Inleiding en doelstellingen: Het betrekken van naasten (sociale steun) kan gunstig
zijn voor de forensisch psychiatrische behandeling bij het verminderen van recidive. Onbekend is of het stimuleren van het meenemen van naasten naar behandeling daadwerkelijk leidt tot het meenemen van naasten en of dit een positief effect heeft op recidivevermindering. Ontwerp en methoden: In deze pilotstudie werden twee groepen in de ambulante forensische psychiatrie vergeleken. De controlegroep kreeg de gebruikelijke behandeling in de periode van januari 2019 tot maart 2020. De interventiegroep werd in de periode maart 2020 tot maart 2021 specifiek gevraagd om (een) naaste(n) mee te nemen. Later werden deze groepen vergeleken op het ingeschatte recidiverisico. Resultaten: De controlegroep (N = 46) en interventiegroep (N = 47) verschilden niet van elkaar in het wel of niet meenemen van naasten (X2 =.41, p =.52). Ook de met de FARE gemeten vermindering van recidiverisico verschilde niet tussen de twee groepen (t(91) =.20, p =.84). Discussie en conclusies: Verschillende verklaringen zijn mogelijk van waarom niet meer naasten werden meegenomen. Allereerst de onduidelijkheid van de interventie om naasten mee te nemen. Daarbij zijn de simpele instructies mogelijk onvoldoende begrepen door de patiënt. Daarnaast kan schaamte of schuldgevoel patiënten ervan hebben weerhouden om naasten te vragen. Verder hadden patiënten mogelijk geen enkel sociaal netwerk of patiënten kunnen gevoelens van wrok hebben gehad. De rol van de naaste kan ook een factor zijn geweest om iemand niet uit te nodigen. Ook zou eigen psychopathologie belemmerend kunnen zijn geweest. Tevens zijn de landelijke COVID-19 maatregelen mogelijk van invloed geweest op de interventie, waarbij dit mogelijk extra invloed heeft gehad omdat het design participanten niet gerandomiseerd toewees aan een groep. Door dit alles werd mogelijk geen verschil in recidiverisico gevonden. Gesuggereerd wordt om bij nieuw onderzoek een langere behandeltermijn te onderzoeken, omdat recidivevermindering vaak meer tijd vereist.
DOCUMENT
In dit systematische literatuuronderzoek is kennis uit empirisch onderzoek in kaart gebracht over de werkzaamheid van werkwijzen voor reclasseringstoezicht. Werkzaamheid is daarbij gedefinieerd als: bijdragen aan recidivevermindering, beter functioneren van cliënten op verschillende gebieden of voorkomen van overtreding van voorwaarden en uitval. Op grond van een systematische verkenning van de (inter)nationale literatuur zijn 141 artikelen en rapporten geselecteerd en geanalyseerd. Van de volgende werkwijzen is voldoende empirische onderbouwing om te stellen dat deze werkzaam zijn in reclasseringstoezicht: • Hybride werken: combinatie van monitoring en begeleiding. • Inzetten van de zogenoemde RNR-principes als basis voor reclasseringstoezicht: ➢ Intensiviteit van de aanpak sluit aan bij het recidiverisico; ➢ Focus op dynamische criminogene factoren; ➢ Een cognitief-gedragsmatige aanpak, die is afgestemd op de krachten, motivatie, mogelijkheden, beperkingen en situatie van de cliënt. • Continuïteit in de relatie tussen reclasseringswerker en cliënt. • Een goede relatie / werkalliantie tussen reclasseringswerker en cliënt. • Prosociaal modelleren: voorbeeldgedrag laten zien, positief waarderen van prosociale uitingen en gedragingen door de cliënt, en afkeuren van procriminele uitingen en gedragingen. • Inzetten van cognitief gedragsmatige technieken. • Cliënten ondersteunen bij het versterken van hun vermogen om problemen op te lossen. • Ondersteunen bij het aangaan en onderhouden van prosociale bindingen en het doorbreken van sociale contacten die delictgedrag bevorderen.
DOCUMENT
Individueel gedrag met zekerheid voorspellen is onmogelijk. Dat geldt dus ook voor het voorspellen van crimineel gedrag en voor het voorspellen van recidive, de term waarmee het opnieuw vertonen van crimineel gedrag wordt aangeduid. Voorspellen kan dus niet, maar het inschatten of taxeren van het recidive-risico kan wel. Dat is zelfs een belangrijk onderdeel van het werk van professionals in de forensisch sociale praktijk omdat het helpt bij de basisvragen waar zij voor staan. In deze bijdrage bespreken we eerst drie belangrijke basisvragen voor de forensisch sociale professional. Vervolgens gaan we in op drie methoden van risicotaxatie en criteria en bespreken de overwegingen om hiertussen een keuze te maken. Daarna gaan we in op wat dit betekent voor de praktijk.
DOCUMENT
Reliability in decision making about intervention plans is a necessary condition for evidence-based probation work and equal treatment of offenders. Structuring decision making can improve agreement between clinical decision makers. In a former study however, we found that in Dutch probation practice structured risk and needs assessment did not result in acceptable agreement about intervention plans. The Dutch probation services subsequently introduced a tool for support in decision making on intervention plans. This article addresses the question whether the use of this tool results in better agreement between probation officers. A significant and meaningful improvement in agreement was found on all domains of the intervention plan. Implications for probation practice are discussed
DOCUMENT
Review in het kader van COST Action IS1106 Working group 3 In the review below, we summarize resent empirical research about practising offender supervision in The Netherlands on six theme’s: 1. The roles, characteristics, recruitment and training of key actors in the delivery of offender supervision. 2. Interactions and relationships between key actors in the delivery of offender supervision and other relevant professionals. 3. The delivery/practice/performance of offender supervision. 4. The role of tools and technologies in the delivery of OS. 5. The management, supervision and/or regulation of practitioners and their practice. 6. Reflections / contextual issues Ongoing research is discussed in the descriptions of the different theme’s. We conclude with a short reflection about research on practising supervision in the Netherlands. The review is limited to studies about adults. Studies on community sentences have not yet been addressed, we will do this in the next version.
DOCUMENT
Hoewel er de laatste decennia veel onderzoek is gedaan naar risico- en beschermende factoren en er vele risicotaxatie-instrumenten ontwikkeld zijn, is er duidelijk minder bekend over hoe de communicatie van risico’s naar de rechter of naar andere instellingen verloopt. Een wezenlijke vraag hierbij is hoe de informatie wordt ontvangen en begrepen en of de wijze van communiceren van invloed is op de besluitvorming, bijvoorbeeld het al dan niet opleggen van een (behandel)maatregel. Risicocommunicatie vormt de link tussen risicotaxatie en de besluitvorming en het daaropvolgende risicomanagement, en bepaalt daarmee in feite het nut van de risicotaxatie.
MULTIFILE
Risicotaxatie – kortweg: het inschatten van de kans op grensoverschrijdend gedrag, of meer specifiek op delictgedrag, veelal met behulp van risicotaxatie-instrumenten – is een middel dat wijdverbreid wordt ingezet in de forensische keten. In dit artikel gaan wij allereerst in op de doelen van risicotaxatie en vervolgens kort op hoe risicotaxatie wordt uitgevoerd. Daarna bespreken we welke rol risicotaxatie heeft in twee onderscheiden fasen met uiteenlopende actoren in de forensische keten, te beginnen met het moment waarop een verdachte de forensische keten binnentreedt. Hierbij besteden we aandacht aan de huidige stand van zaken en enkele uitdagingen voor de toekomst. We ronden af met enkele overdenkingen over het middel risicotaxatie.
DOCUMENT
Hoe bouwen we aan een samenleving waarin iedereen kan meedoen, tot zijn recht komt en zich veilig voelt? Hier doen de lectoraten praktijkgericht onderzoek van het Kenniscentrum Sociale Innovatie van Hogeschool Utrecht onderzoek naar, met en voor (aankomend) sociale professionals in het brede sociaal domein. Onze missie is om samen met partners uit praktijk, onderwijs en beleid bij te dragen aan ‘beter samen leven’ en het verkleinen van sociale ongelijkheid. Dit doen wij door praktijkgericht onderzoek, ontwikkeling en agendering van actuele maatschappelijke en sociale vraagstukken op het vlak van participatie, welzijn, zorg en ondersteuning, jeugdhulp, werk en inkomen, schuldenproblematiek, dak- en thuisloosheid, toegang tot recht, reclassering, sociale veiligheid, en deelname aan onderwijs, sport en cultuur.
DOCUMENT
De bestaanszekerheid in Nederland staat de afgelopen paar jaar hoog op de maatschappelijke agenda. Verschillende groepen mensen die onvoldoende bestaanszekerheid ervaren, worden meer en meer zichtbaar. Hoewel de reclasseringspopulatie in meerdere dwarsdoorsnedes oververtegenwoordigd is (waaronder alleenstaanden, lage inkomens, schuldenaren en daklozen), is een analyse van de bestaanszekerheid van de Nederlandse reclasseringspopulatie nog niet gedaan. Toch kan een gebrek aan bestaanszekerheid wel degelijk van invloed zijn op het reclasseringstraject én is menig reclasseringswerker wel betrokken bij het bevorderen van de bestaanszekerheid. In een publicatie van Smit (2019) wordt de mate van bestaanszekerheid in Nederland beschreven in de periode van 2016 tot 2019. Volgens Smit zijn er 2,6 miljoen huishoudens in Nederland die moeilijk rond kunnen komen, heeft één op de vijf huishoudens een betaalachterstand en zijn er 320.000 mensen in Nederland die werken en toch arm zijn (Smit, 2019; Schonewille andamp; Crijnen, 2019; Vrooman, Josten, Hoff, Putman andamp; Wildeboer Schut, 2018). Hoewel er in de pre-corona periode sprake is geweest van hoogconjunctuur, profiteerde niet iedereen daar in gelijke mate van. Dit heeft de kloof tussen arm en rijk verder vergroot. Met de huidige inflatiecijfers en stijgende kosten wordt deze kloof verder uitvergroot. Dit versterkt de maatschappelijke onrust en sociale ongelijkheid. Sociale ongelijkheid ontstaat volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) door een overvloed van kapitaal bij sommige groepen en schaarste van kapitaal bij andere groepen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in vier verschillende vormen van kapitaal, namelijk: economisch kapitaal, persoonskapitaal, sociaal kapitaal en cultureel kapitaal. Het SCP definieerde in 2014 al zes sociale groepen met verschillende mate van kapitaal (Vrooman, Gijsberts andamp; Boelhouwer, 2014): (1) de gevestigde bovenlaag, (2) de jongere kansrijken, (3) de werkende middengroep, (4) de comfortabel gepensioneerden, (5) de onzekere werkenden en (6) het precariaat. Met name deze laatste twee groepen kennen een tekort aan kapitaal op meerdere van de vier hiervoor genoemde vormen van kapitaal. Dit zet de bestaanszekerheid van deze groepen onder druk. Juist de mensen die strafbaar gedrag vertonen bevinden zich onevenredig vaak in deze laatste twee groepen. Armoede, werkloosheid en een gebrek aan financiële zekerheid vormen stressoren die bij kunnen dragen aan (de herhaling van) strafbaar gedrag (Roeland, Visser andamp; Németh, 2021).
MULTIFILE