Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3In deze rede werkt Joost van der Weide zijn leeropdracht verder uit. De cruciale rol van sociale innovatie dienen we daarvoor te verkennen en vorm te geven zowel bij het vernieuwen van werkomgevingen als bij het verbeteren van de regionale samenwerking. Doel daarbij is om een gezonde veerkrachtige arbeidsmarkt en inclusief werkgeverschap zodanig in te inrichten dat ongekend talent optimaal tot bloei komt en zich kan blijven ontwikkelen. Dit is goed voor het individu én voor de arbeidsorganisatie én voor de samenleving. Hoe ga jij meedoen?
DOCUMENT
In het afgelopen jaar is bronnenonderzoek gedaan naar de succesfactoren voor samenwerking op de arbeidsmarkt tussen bedrijven, overheid en opleidingsinstanties. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in opdracht van de lector Sociale Innovatie van Hogeschool Windesheim. Binnen het lectoraat wordt de definitie van Sociale Innovatie, zoals die is opgesteld door de Taskforce Sociale Innovatie gehanteerd : Sociale innovatie betreft de vernieuwing van de arbeidsorganisatie en de maximale benutting van competenties, gericht op verbetering van de bedrijfsprestaties en ontplooiing van talent. Het benutten van competenties, het gebruik maken van verscheidenheid en het stimuleren tot innovatie zijn hierbij belangrijke onderwerpen. Om nog beter kwaliteiten van mensen te benutten of verscheidenheid binnen de organisatie aan te brengen is samenwerking op het gebied van de arbeidsmarkt, zoals onderlinge uitwisseling van mensen of de krachten bundelen om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een werkplek te laten vinden, tussen bedrijven of tussen overheid, onderwijs en bedrijven van groot belang. Daarom is gezien de actuele ontwikkelingen rond regionale samenwerking besloten een onderzoek te doen naar succesvolle initiatieven op dit gebied. Na een start met een vooronderzoek door de bestudering van beleidsnotities van initiatieven, is ervoor gekozen om dit onderzoek te richten op succesfactoren van samenwerkingsverbanden. Dit omdat ministerie van SZW al onderzoek had gedaan naar de voortgang en belemmeringen . (Inspectie SZW, 2013) De rapportage is als volgt opgebouwd. Nadat de aanleiding en de onderzoeksaanpak zijn weergegeven, volgt een korte theoretische onderbouwing. Vervolgens worden de deelvragen over de samenwerkingsverbanden, hun samenstelling, doel en uitkomsten behandeld. Tot slot worden conclusies en aanbevelingen weergegeven.
DOCUMENT
Om te komen tot een breed bruikbare en uniforme kennisbasis met informatie over vraag en aanbod op de arbeidsmarkt Regio Rijnmond en de stad Rotterdam, heeft de onderzoeksafdeling van de gemeente Rotterdam (O&BI) een analyse uitgevoerd van vraag, aanbod en dynamiek op de regionale arbeidsmarkt. Deze analyse zal de komende jaren jaarlijks geupdate worden met nieuwe gegevens. Dit rapport beschrijft en analyseert de regionale arbeidsmarkt vooral in de breedte. Op basis van dit rapport en de aangelegde databestanden zijn nadere verdiepingsslagen mogelijk die via de themawerkgroep arbeidsmarkt en economie van de gemeente Rotterdam geagendeerd kunnen worden.
DOCUMENT
De centrale vraag in dit onderzoek is hoe het reguliere opleidingsaanbod op mbo-, en hbo-niveau (en voor de aandachtsector ICT ook op wo-niveau) aansluit bij de vraag vanuit de arbeidsmarkt Regio Foodvalley voor de periode van 2020 -2022? In dit rapport bekijken we de structuur van Regio Foodvalley en schetsen we waar de grootste onzekerheden met betrekking tot de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt zitten. Er wordt gekeken naar welke langetermijneffecten de coronacrisis mogelijk in versnelling zal brengen. De oorspronkelijke uitwerking van dit rapport was vooral gericht op de ‘wat is er nodig vraag’. In dit onderzoek wordt vooral ingegaan op de vraag ‘waarom is aansluiting belangrijk’ en ‘hoe maken we een betere aansluiting mogelijk?’.
DOCUMENT
De Monitor Regionale Economie brengt de structuur en dynamiek van de economie in Regio Rivierenland in kaart. Het doel is om inzicht te bieden in de ontwikkeling van de regionale economie en de profilering van de regio te versterken. In 2023 telde de regio 126.890 banen en 29.160 bedrijfsvestigingen. Tussen 2013 en 2023 groeide de werkgelegenheid met ruim 16.000 banen, vooral in de gezondheidszorg, industrie, logistiek en groothandel. Het aantal vestigingen nam met 35% toe, gedreven door de sterke groei van eenmansbedrijven. De regio onderscheidt zich met specialisaties in landbouw, bouw, vervoer en opslag, industrie, groothandel en nutsbedrijven. De fruitteelt vormt daarin een iconische kracht en is beeldbepalend voor de identiteit van de regio. Het onderzoek is uitgevoerd door het lectoraat Dienstbaar Organiseren (CHE) in opdracht van FruitDelta Rivierenland en vormt een bouwsteen voor toekomstgericht economisch beleid.
MULTIFILE
Sinds 2015 werken de Erasmus Universiteit Rotterdam, Hogeschool Rotterdam en de gemeente Rotterdam samen om grootstedelijke arbeidsmarktvraagstukken te onderzoeken en concrete handelingsalternatieven te schetsen voor de stad. Dit gebeurt via de Kenniswerkplaats stedelijke arbeidsmarkt (verder: ‘KWP stedelijke arbeidsmarkt’). Inmiddels zijn meerdere kenniswerkplaatsen actief en vraagt de KWP stedelijke arbeidsmarkt (vijf jaar na oprichting) om een eerste heroriëntatie. Het voorliggende werkprogramma is in eerste instantie geschreven met het oog op 2021 en schetst daarnaast enkele ambities voor de periode erna. Het document behandelt de volgende drie hoofdelementen: 1. Functioneren KWP stedelijke arbeidsmarkt in de afgelopen periode. 2. Uitwerking van de inhoudelijke programmadoelen en ambities. 3. Uitwerking van manieren waarop wordt bijgedragen aan het gebruik van nieuwe kennis (‘valorisatieagenda’).
DOCUMENT
Het onderzoek is uitgevoerd voor Fontys Hogescholen Marketing en Management, een van de 31 hogescholen van Fontys. Het onderzoek heeft betrekking op de opleiding commerciële economie van dit instituut. De probleemtypering van dit onderzoek is: 'Wat is de invloed van de gevoerde CE competenties op de aansluiting op de arbeidsmarkt en wat heeft dit voor gevolg voor de strategie en de positionering van de opleiding CE?' Het doel van het onderzoek is aanbevelingen doen aan de directeur van het instituut Fontys Hogescholen Marketing en Management door een kwantitatief onderzoek te houden onder begeleiders uit het werkveld van afstudeerders van de opleiding commerciële economie. Er is een afbakening gemaakt naar de inzichten van begeleiders werkzaam op marketing- en verkoopafdelingen. De resultaten van deze twee groepen zijn met elkaar vergeleken. Er is voor dit onderzoek gekozen voor een vragenlijst, deze is digitaal verspreid onder de populatie van afstudeerbegeleiders vanuit het werkveld. Vanuit het theoretisch kader zijn er verschillende inzichten gebruikt als input voor de vragenlijst. Van de 121 respondenten waren er 19 bruikbare vragenlijsten van marketing- en verkoopafdelingen. In het onderzoek komt naar voren dat, indien de opleiding CE van FHMM de beste aansluiting heeft van afstudeerders op de arbeidsmarkt, 72% van de verkoop- en marketingafdelingen de voorkeur geeft aan FHMM CE studenten bij een openstaande vacature. De competenties sluiten gemiddeld wel goed aan, maar er is duidelijk te zien dat er grote verschillen zijn in de behoeftes van de verschillende vakgebieden. Volgens de respondenten zijn 'Coaching on the job' en gericht carrièreadvies tijdens de studie bevorderend voor de aansluiting van afstudeerders op de arbeidsmarkt. Internationale bedrijfservaring is voor zowel marketing- als verkoopafdelingen niet relevant. Om de aansluiting van CE afstudeerders op de arbeidsmarkt te laten slagen is het noodzakelijk dat de opleiding studenten laat afstuderen met meerdere soorten competentiekaarten. Het breed en algemeen houden van de CE competentiekaarten zonder vakspecialisatie zal blijven leiden tot een minder goede aansluiting op de arbeidsmarkt. Gericht carrièreadvies vanuit Fontys sluit hier goed bij aan. De aantrekkelijkheid van de opleiding zal hiermee groter worden. Een tweede mogelijkheid is om vanaf het eerste jaar verschillende CE varianten aan te bieden. Wanneer studenten al bij de inschrijving kiezen zullen zij veel gemotiveerder aan het werk gaan omdat ze bewust een specialisatie hebben gekozen. Ook dient er verder onderzoek te worden gepleegd naar het niveau van taalvaardigheid van afstudeerders. Verder is de aanbeveling om in ieder geval de competentiekaarten te voorzien van concretere en duidelijkere competenties die niet op meerdere manieren te interpreteren zijn. De beste kwaliteit leveren sluit het beste aan bij Product Leadership. Met deze strategie moet de opleiding CE streven naar de best beschikbare kwaliteit van haar producten en diensten, waarbij zij de lat altijd hoger moet leggen. Hiervoor dienen ze zich continu bezig te houden met snelheid, creativiteit en innovatie (Treacy & Wiersema, 2000). Door het ontwikkelen van een duidelijke positionering en door een effectieve uitvoering daarvan kan de opleiding CE ten opzichte van concurrerende opleiding concurrentievoordeel behalen. Om te komen tot een duidelijke positionering dienen de wensen en behoeftes van afnemers in kaart te worden gebracht. Dit kan door gebruik te maken van een 'attribute map', ontwikkeld door de Wharton University of Pensylvania. Indien de niet transparante markt hier traag of niet op reageert, hetgeen aannemelijk is, kan dit zelfs leiden tot duurzaam concurrentievoordeel.
DOCUMENT
In december 2013 is er in opdracht van Tech Your Future vanuit de hogescholen Windesheim en Saxion een verkennend onderzoek gestart dat mogelijke oorzaken inventariseert voor de geringe instroom van studenten uit het techniekonderwijs in de technieksector. Directe aanleiding voor die verkenning was dat enerzijds een tekort aan technisch personeel wordt voorspeld en techniekbedrijven stellen nu al moeite te hebben om aan geschikt personeel te komen, terwijl anderzijds veel technische scholieren juist merken dat zij geen stage of startpositie kunnen vinden. Uit recent onderzoek bleek bovendien dat een substantieel deel van de jongeren met een technische opleiding uiteindelijk niet in de techniek terecht komt (Berkhout, Bisschop & Volkerink, 2013; zie ook Gelderblom en de Hek, 2014). De centrale vraag in deze verkenning is nu hoe deze constateringen en observaties te rijmen zijn en of zij samenhangen, en zo ja op welke wijze.
DOCUMENT
Het voorliggende onderzoeksverslag naar berichtgeving over de statenverkiezingen in 2011 vormt een vervolg op het onderzoek naar de berichtgeving over de raadsverkiezingen in 2010. Het onderzoek werd gehouden in de provincies Groningen, Friesland, Overijssel, Flevoland en Gelderland. Het belangrijkste doel was na te gaan of de uitkomsten van het onderzoek naar de raadsverkiezingen werden bevestigd. Van meet af aan was duidelijk dat het om bijzondere statenverkiezingen zou gaan vanwege de koppeling van statenverkiezingen aan de verkiezing van een nieuwe Eerste Kamer. Het minderheidskabinet Rutte had er alle belang bij een meerderheid te verwerven in de senaat. Bovendien zou duidelijk worden of de populariteit van gedoogpartner PVV zou groeien of krimpen. Kortom, de statenverkiezingen hadden een sterke nationale component. De statenverkiezingen trekken normaliter geringe belangstelling. Burgers hebben weinig directe contacten met de provinciale bestuurders en volksvertegenwoordigers. Provincies doen vooral zaken met andere overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Provinciaal beleid en provinciale bestuurders zijn bij de burgers weinig bekend. De uitkomsten van het onderzoek bevestigen op hoofdlijnen het onderzoek naar de berichtgeving over de raadsverkiezingen: regionale media voorzien de burgers in onvoldoende mate van informatie op grond waarvan die burgers zich een goed oordeel kunnen vormen over belangrijke provinciale verkiezingsonderwerpen. Er is echter een belangrijk nuanceverschil tussen de regionale kranten en de regionale omroepen. De laatste zijn in de berichtgeving meer provinciaal gericht geweest en hebben minder meegedaan aan het ‘nationaliseren’ van de statenverkiezingen. Mogelijke verklaringen hiervoor is dat de omroepredactie een gerichter beleid hebben vanwege hun wettelijk vastgelegde opdracht en de afhankelijkheid van provinciale subsidies. Forum was overigens het enige onderwerp dat zich vanwege het aantal berichten leende voor een kwalitatieve analyse van de berichtgeving. Zowel het Dagblad van het Noorden als RTV Noord heeft het publiek uitvoerig bericht over het conflict tussen de provincie en de stad Groningen over het niet toekennen van een subsidie. De berichtgeving betrof in beide media in sterke mate het politieke proces en was daarmee voor de burgers wellicht niet zo interessant. In ieder geval lijkt het strijdpunt geen invloed te hebben gehad op de verkiezingsuitkomsten. Met name de regionale kranten hebben – om begrijpelijke redenen – de statenverkiezingen sterk genationaliseerd. Van duidelijke provinciale thema’s was in beide soorten media nauwelijks sprake. De uitzonderingen vormen de problemen rond Forum in Groningen en de infrastructuur in Overijssel. Forum is echter meer een stadsprobleem dan een provinciaal probleem en is min of meer toevallig een provinciaal onderwerp geworden. Provinciale onderwerpen kregen weinig diepgaande en structurele aandacht. De kortere genres overheersen met uitzondering van de debatten op de regionale omroepen. Het campagnenieuws overheerste net als in 2010, zij het dat dit relatief minder het geval was bij de regionale omroepen. Hetzelfde geldt voor het brongebruik: weinig burgers en maatschappelijk middenveld, maar veel autoriteiten – politici, bestuurders – worden als bron aangehaald. Bij de omroepen is het brongebruik wat gevarieerder: burgers, deskundigen en maatschappelijk organisaties komen meer aan het woord. Op grond van de resultaten moet de vraag gesteld worden of er eigenlijk wel provinciale verkiezingsonderwerpen waren, of eerder regionale problemen. Ook moet de vraag gesteld worden hoe de redacties van de regionale media zich voorbereiden op een evenement als de statenverkiezingen. Is er sprake van duidelijk redactiebeleid? Van een media-agenda wat betreft keuze van onderwerpen, aanpak en brongebruik? De aanwijzingen zijn dat daar niet of nauwelijks sprake van is. Ook nu moet de conclusie zijn dat de regionale media er nog niet in slagen oor en oog van de regio te zijn.
DOCUMENT
‘Werk en werken in de Rijnmond, editie 2018’ bevat een cijfermatige beschrijving van structuur en trends op de arbeidsmarkt regio Rijnmond en de stad Rotterdam. In 2015 verscheen deze monitor voor de eerste keer (Van der Aa et al., 2015). Het huidige rapport is een actualisering van de publicatie uit 2015. De monitor wordt gemaakt op verzoek van de clusters W&I, MO en SO. Het biedt Rotterdamse beleidsmakers en samenwerkingspartners een breed cijfermatig inzicht in ontwikkelingen in vraag en aanbod op de regionale en lokale arbeidsmarkt tussen 2009 en 2016.
DOCUMENT