In opdracht van de Inspectie van de Gezondheidszorg brachten Vilans en het Trimbos instituut de richtlijnen en inzichten rond onbegrepen gedrag bij ouderen met dementie in kaart. Dit rapport gaat in op deze drie vragen: 1.Is een 'veldnorm' vast te stellen op basis van actuele richtlijnen en inzichten waarover nu consensus in het veld bestaat? 2.Indien deze 'veldnorm' niet wordt gehanteerd; welke risico's lopen ouderen met dementie met onbegrepen gedrag dan? Welke weging wordt gemaakt bij deze risico's? Hoe kunnen deze risico's worden verkleind? 3.Welke good practices zijn aanwezig bij omgaan met onbegrepen gedrag bij dementie in de ouderenzorg en gehandicaptenzorg? Met welke methoden wordt onbegrepen gedrag begrepen en worden risico's verkleind? En welke interventies worden gehanteerd bij het omgaan met onbegrepen gedrag en het bevorderen van de kwaliteit van leven van mensen met dementie.
DOCUMENT
Met subsidie van Actiz is een projectgroep november 2012 van start gegaan met het project 'wijkverpleegkundige richtlijnen'. In de eerste faste van dit project is onderzocht welke ondersteunende richtlijnen er al zijn voor wijkverpleegkundigen en aan welke richtlijnen nog behoefte is. Er zijn twee routes binnen het project gevolgd. In de eerste is literatuuronderzoek gedaan naar de standaarden die er (inter)nationaal zijn in de wijkverpleegkundige zorg en wat de kwaliteit daar van is. Gelijktijdig is er een veldraadpleging gedaan om te kijken op welke terreinen er lacunes in de wijkverpleegkundige zorg bestaan.
DOCUMENT
Inleiding. Richtlijnen ondersteunen ergotherapeuten bij het nemen van beslissingen over diagnostiek en behandeling en dragen bij aan goede kwaliteit van zorg. Dit onderzoek evalueert het gebruik van richtlijnen door ergotherapeuten in Nederland, en hun behoefte aan richtlijnen. Methode. Met behulp van een vragenlijst is een cross-sectioneel inventariserend onderzoek uitgevoerd onder 246 ergotherapeuten in Nederland. De gegevens zijn geanalyseerd met SPSS versie 27. Resultaten. Bijna alle deelnemende ergotherapeuten zijn bekend met richtlijnen en ruim 90% van de respondenten raadpleegt richtlijnen. De belangrijkste reden om richtlijnen te raadplegen is als steun bij het nemen van beslissingen over zorg en om cliënten te informeren. De ergotherapierichtlijnen CVA en valpreventie worden het meest gebruikt. Van de respondenten heeft 29% de afgelopen 6 maanden een ergotherapeutische of multidisciplinaire richtlijn gemist. Een meerderheid van de respondenten is geïnteresseerd in een ander type richtlijnen, zoals persoonsgerichte of uitkomstgerichte richtlijnen. Conclusie. Richtlijnen zijn goed bekend bij ergotherapeuten en een grote meerderheid gebruikt richtlijnen, met name om beslissingen te ondersteunen en cliënten te informeren. Meer diversiteit en flexibiliteit in richtlijnen kan bijdragen aan het blijven gebruiken van richtlijnen en het blijven bieden van kwalitatief goede zorg.
DOCUMENT
Sinds evidence-based practice ingevoerd wordt in de gezondheidszorg heeft het ontwikkelen en implementeren van richtlijnen veel aandacht gekregen. Er zijn voor zeer veel verschillende aspecten van de zorg hoogwaardige richtlijnen beschikbaar. Ergotherapie is als discipline vertegenwoordigd in een groot aantal multidisciplinaire richtlijnen (www.artsennet.nl). Hierin wordt beschreven wat er bekend is over de wetenschappelijke onderbouwing van ergotherapie-interventies. Ook kent de beroepsgroep sinds een aantal jaren monodisciplinaire richtlijnen voor de gehele ergotherapiebehandeling zoals: de Ergotherapierichtlijn beroerte, inclusief de apraxierichtlijn (Cup & Steultjens, 2005; Stehmann, Van Heugten e.a, 2003), Valpreventie voor thuiswonende ouderen (Theune & Steultjens, 2005), Ergotherapie aan huis bij ouderen met dementie en hun mantelzorgers (Melick, Graff et al., 1998; Graff, Melick et al., 2010), Ergotherapie bij de ziekte van Parkinson en hun mantelzorgers (Sturkenboom et al., 2008) en de ergotherapierichtlijn vermoeidheid bij mensen met neurologische aandoeningen (Evenhuis , Eyssen et al., 2012). Door zorgverzekeraars, de overheid en patiëntenorganisaties worden richtlijnen beschouwd als kwaliteitscriteria van goede zorg. Dit leidt tot de verwachting dat de beroepsgroep conform de richtlijnen werkt. Wij zijn beide actief in het ontwikkelen en implementeren van ergotherapierichtlijnen en krijgen regelmatig uit de praktijk informatie over het werken met richtlijnen. We signaleren dat er zowel grote voordelen zijn aan het hebben van richtlijnen maar ook nadelen, omdat het werken conform richtlijnen nog al wat vraagt van een behandelaar. We vragen ons daarom af of richtlijnen nu een lust of een last zijn.
DOCUMENT
Multidisciplinaire richtlijnen zijn niet meer weg te denken uit de gezondheidszorg. Richtlijnen ondersteunen evidence-based werken, waarbij de beste beschikbare wetenschappelijke literatuur wordt gecombineerd met de expertise van de professional en de expertise en voorkeuren van patiënten. Richtlijnen staan boven in de piramide van evidence (nog boven systematische reviews), maar dit gaat alleen op als het een richtlijn van goede kwaliteit betreft. Om de methodologische kwaliteit van een richtlijn te controleren, wordt de internationale standaard AGREE-II gebruikt. Dit gevalideerde instrument beoordeelt de kwaliteit van een richtlijn met 23 items in zes domeinen. Werken volgens richtlijnen is een middel om goede patiëntenzorg te kunnen leveren. De verpleegkundige en verpleegkundig specialist moeten echter aandacht hebben voor de kwaliteit van de richtlijn om de kwaliteit van de aanbevelingen op waarde te kunnen schatten.
LINK
Gemeenten hebben aangegeven voor hitte behoefte te
hebben aan concrete richtlijnen voor een hittebestendige
stad. In het RAAK-project ‘De hittebestendige stad’ zijn naar
aanleiding van deze behoefte drie ontwerprichtlijnen voor een
hittebestendige inrichting van de buitenruimte opgesteld (zie
kader). Deze voorgestelde richtlijnen zijn in het onderzoek
concreet met grenswaarden ingevuld (bijvoorbeeld 300 meter
tot een koele plek, of 40 % schaduw op loopgebieden).
Gemeenten vinden de gekozen richtlijnen logisch en hebben
vooral nog vragen over de voorgestelde grenswaarden en de
exacte definitie van koele plekken in de stad. Er is daarom
nog een slag met gemeenten nodig om deze grenswaarden
en ook de definitie van termen beter te onderbouwen. Het is
immers zo dat iedere gemeenten zelf keuzes dient te maken
over wat zij hittebestendig vindt. Een goede lokale afweging
en onderbouwing is van belang.
Het doel van dit praktijkonderzoek is om met meerdere
gemeenten de richtlijnen concreter uit te werken en
gemeenten handvatten te geven om zelf specifieke grenswaarden te kiezen. De verwachting is dat andere gemeenten bij een bredere onderbouwing makkelijker de voorgestelde richtlijnen grenswaarden overnemen of daar hun eigen specifieke invulling in kiezen. En dus concreet aan de slag kunnen met het hittebestendig inrichten van de buitenruimte. In dit onderzoek zijn de richtlijnen in de praktijk onderzocht door metingen, interviews foto’s en GIS analyse te combineren. Voor elke van de richtlijnen worden de methode, resultaten en aanbevelingen beschreven zodat de aanpak eenvoudig opschaalbaar is naar andere gemeenten.
DOCUMENT
Ruim tweederde van de sociale professionals heeft de impact van covid-19 als belastend ervaren. Ze zouden zich goed geholpen voelen met een ethische handreiking.
DOCUMENT
Samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp is actueel en staat hoog op de agenda. Zowel in het onderwijsdomein als in het domein van de jeugdhulp zijn ingrijpende veranderingen gaande. Het passend onderwijs brengt een hervorming aan in het huidige onderwijssysteem door scholen verantwoordelijk te stellen voor het vinden van een passende plek voor elk kind dat aangemeld wordt.Doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in hoe het domeinoverstijgend samenwerken tussen professionals uit het onderwijs en de jeugdhulp kan worden ondersteund om het werken aan het ontwikkelingsperspectief van het kind succesvol(ler) te laten verlopen. Om de doelstelling te kunnen realiseren is een literatuurstudie verricht en is onderzoek gedaan naar ervaringen, denkwijzen en behoeften in de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp bij professionals uit die sectoren.
DOCUMENT
In dit rapport doen de onderzoekers verslag van de evaluatie van de proefinvoering van de conceptrichtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming. In de periode 2012-2015 zijn veertien richtlijnen ontwikkeld en gedurende drie maanden in de praktijk uitgeprobeerd middels een proefinvoering.
DOCUMENT
Artikel gepubliceerd in NTvG: Richtlijnen geven soms aan dat je iemands huidskleur of afkomst mee moet laten spelen bij de afwegingen over een behandeling. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de specifieke behandeladviezen voor ‘zwarte personen’ met hypertensie. Wij gingen na hoe bruikbaar dit onderscheid is in de Nederlandse situatie. Elders in het NTvG leest u dat onderscheid maken soms nodig is om goede zorg te verlenen.1 De NHG-standaard ‘Cardiovasculair risicomanagement’ adviseert, net als belangrijke internationale richtlijnen, om ‘zwarte personen’ met hypertensie bij wie geen duidelijke voorkeur is voor een specifiek antihypertensivum op basis van bijvoorbeeld zwangerschap, hartfalen of albuminurie, anders te behandelen dan niet-zwarte personen.2,3 Wij zochten uit hoe bruikbaar dit advies is in de Nederlandse spreekkamer. De term ‘zwart’ Om deze vraag te beantwoorden is het noodzakelijk om eerst terminologie te verhelderen. In de NHG-standaard wordt de term ‘zwarte personen’ gebruikt, maar wie zijn dat eigenlijk? Zijn dat alle mensen ‘van kleur’ (met een niet-witte huidskleur of identiteit), of gaat het dan om iedereen met huidtype 5 of 6 volgens de Fitzpatrick-indeling (5: diepbruin, verbrandt bijna nooit; 6: zeer donkerbruin tot zwart, verbrandt nooit)?
LINK