Beide hogescholen hebben twee praktijkvoorbeelden van samenwerking met de sociale dienst uitgewerkt. Beide verschillen van insteek. Het voorbeeld van Fontys Hogeschool start vanuit vernieuwingen in het werkveld, in het bijzonder het werken met de zelfredzaamheidsmatrix. Er is vanuit de hogeschool in samenwerking het werkveld een implementatieplan uitgewerkt hoe de ZRM een integraal onderdeel kan worden van het hele dienstverleningsproces. De Hanzehogeschool Groningen heeft gekozen om in te steken bij het onderwijs en vandaaruit de samenwerking te zoeken met de sociale dienst. Vier SJD-studenten van de specialisatie Recht & Multi-problem kregen als junior-medewerkers de opdracht een intake op locatie voor Groningse dak- en thuislozen te ontwerpen. Samen met een docent/onderzoeker en vijf teamleiders afkomstig van de sociale dienst en opvangvoorzieningen gingen zij in een werkleeratelier aan de slag, met als uitkomst een adviesrapport.
DOCUMENT
Sociale Diensten hebben behoefte aan vakbekwame professionals, die kennis hebben van de state of the art van het beroep. Hogescholen willen hun aanbod aanbieden bijvoorbeeld in de vorm van een gezamelijke minor (bijvak) met real life-opdrachten voor studenten, werkateliers waarin samen met lectoraten en opleidingen structureel gewerkt wordt aan innovatie in de praktijk.
DOCUMENT
Debates about social theory and social policy are highly fragmented and unclear in subject and direction. A recognised paradigm is failing. Maybe we have to accept that social reality is not to reconstruct in social theory. But we certainly need social theorists and social theories to support citizens, policy makers and social workers in improving social reality. Social reality in post modern societies is to be characterized by problematic relationships among citizens and between citizens and the public sector and by a sharp rise in problematic behaviour. The affluent society has failed to create a more sensitive world where people behave more socially. The dominant social problem is no longer seen from a social economic perspective but from a social cultural one. Social competences and social capital are considerer to be essential assets to cope with life in post modern society. For people weak ties and thin trust are essential to integrate into society. Thick trust and strong ties can bind people to much and cause inflexibility. The current social problem is a matter of designing a social world where relationships and behaviour are fair and reasonable. It asks for an interesting and creative social policy and social work, not too much stressing the problematic issues but encouraging people to trust each other. Current social policy is too much focused on the needs and problems. It has to change into a more expressive social policy, a policy that people challenges to express them and to create new relationships. Social behaviour asks for flexibility and creativity, for being authentic and playing roles. Scientists, policymakers, social workers and citizens are in the same field and have access to the same knowledge.
DOCUMENT
Sociale zorg neemt langzaamaan en onvermijdelijk belangrijke delen van de institutionele zorg over. Zorg die dicht bij de (leef)wereld van de hulpvrager kan worden georganiseerd, vaak met inzet van de eigen omgeving. Hierbij lijken alle vingers in eenzelfde richting te wijzen: meer nadruk op eigen kracht van burgers, minder technocratische en bureaucratische regelgeving, met een centrale rol voor cliënten en hun netwerken. Met de vergrijzing van de samenleving valt ook een flinke toename van de zorgvraag te verwachten. Hoe gaan we dat oplossen met elkaar?
DOCUMENT
Het aantal bijstandsgerechtigden blijft groeien en tegelijkertijd nemen de participatiebudgetten van de gemeenten af. Gemeentelijke Sociale diensten kiezen daarom steeds vaker voor een groepsgewijze aanpak. De vraag is hoe het daarbij gesteld is met de privacy. De bescherming van persoonsgegevens blijkt bij een groepsgewijze aanpak, bijvoorbeeld bij een solliciatietraining vaak ondermaats.
DOCUMENT
Het blootleggen en veranderen van bestaande frames is een proces van lange adem gebleken. Instituties als sociale diensten en welzijnsinstellingen hebben een ‘longue duree’ karakter. Stabiliteit is hun kracht van waaruit ze kleine veranderingen absorberen zonder dat er wezenlijk iets veranderd. Wie de biografie van Marie Kamphuis, de grondlegster van het social case work in Nederland, leest, komt daar in de jaren vijftig van de vorige eeuw al klachten tegen over gebrekkige samenwerking en coördinatie tussen welzijnsinstellingen en sociale diensten. In 1965 heeft zij zelfs getracht een experiment met sociale teams avant la lettre te starten. Dat is helaas niet gelukt (Batenburg, 2013). Mogelijk zou de wereld van nu er dan anders hebben uitgezien. De eerste schreden op het gebied van integraal gebiedsgericht werken in de vorm van sociale teams zijn pas recentelijk gezet. Om dit integraal werken daadwerkelijk van de grond te krijgen vanuit een gezamenlijk frame is het simpelweg bijeenzetten van medewerkers van verschillende instellingen onvoldoende, zo blijkt wel weer. Naast inhoudelijke kennis is ook veel aandacht nodig voor de houding en gedrag van de medewerkers om te komen tot een gezamenlijk frame over hoe kwetsbare burgers in onze samenleving het beste ondersteund kunnen worden.
DOCUMENT
Hoofstuk 4 in Sociale innovatie in de praktijk Hoofdstukindeling: 4.1 Inleiding 4.2 Noties van sociale innovatie in zorg en welzijn 4.3 Transformatie in het sociale domein 4.4 Sociale innovatie beschouwd vanuit het perspectief van waarden 4.5 De waarde van een sociale professional 4.6 Epiloog
LINK
Heerlen is een van de snelst verouderende gemeenten in Nederland. Bovendien is Heerlen een gemeente met een onevenredig groot aandeel mensen in een uitkeringssituatie die op of onder de grens van de armoede leven. Het aantal arme ouderen in Heerlen die van een laag of ontoereikend pensioen moeten rondkomen, is naar verwachting dan ook hoog. De verwachting is dus dat er in Heerlen een aanzienlijke groep ouderen is die als kwetsbare ouderen kunnen worden beschouwd. De WMO omschrijft in prestatieveld 3 de gemeentelijke taak om cliënten te informeren, te adviseren en te ondersteunen. Deze algemene taak wordt in dit onderzoek vertaald naar het armoedevraagstuk van ouderen in de gemeente Heerlen. Hoe kan de gemeente ouderen, die hetzij reeds onder de armoedegrens leven, hetzij dreigen daarin te komen ondersteunen om hun plek in de Heerlense samenleving in te vullen? Welke projecten zijn er die zich richten op deze doelgroep en hoe kunnen dergelijke projecten worden uitgevoerd door Heerlense diensten en instellingen, die zich op het terrein van het armoedevraagstuk bewegen? Voor ouderen is een gang naar de arbeidsmarkt om uit hun armoedesituatie te komen geen optie. Sociale activering van ouderen dient dan ook een ander karakter te hebben dan sociale activering bij ontvangers van een uitkering. Dit onderzoek zoekt naar manieren waarop de gemeente Heerlen haar ouderen – en specifiek haar arme ouderen – kan uitnodigen en ondersteunen om actief aan de samenleving deel te nemen. Anders gezegd – wat kan actief burgerschap betekenen voor ouderen op of onder de armoedegrens in Heerlen? Het onderzoek richt zich op de verbetering van de uitvoeringspraktijk van de gemeente Heerlen ten aanzien van ouderen, die op het sociale minimum of daaronder zitten. Speciale aandacht zal er in dit verband uitgaan naar de sociale activering van die ouderen. Hiertoe zullen ‘practices’ van elders onderzocht worden en geanalyseerd op hun bruikbaarheid voor de gemeente Heerlen. In dit onderzoek worden dus twee begrippen gecombineerd, namelijk het begrip kwetsbare ouderen met de aan elkaar verwante begrippen sociale activering en actief burgerschap.
DOCUMENT
Het meeste vlees dat Nederlanders eten wordt niet duurzaam geproduceerd. Veel productie leidt tot overbemesting, kost veel water en gaat ten koste van de biodiversiteit en het landschap, terwijl dierenwelzijn niet per se is geborgd. Hogeschool Van Hall Larenstein participeerde binnen het onderzoek ‘Dierzaam’ van de Hogeschool Utrecht. Het project zocht naar marketingstrategieën die consumenten verleiden om over te stappen naar meer duurzaam geproduceerd vlees. In dit whitepaper beschouwt Van Hall Larenstein (VHL) de kansen in de keten vanuit het perspectief van de boer. Hiervoor bestudeerden onderzoekers literatuur en inspirerende voorbeelden. Meer aandacht voor dierenwelzijn zal leiden tot extensivering van de veehouderij. De milieubelasting van vlees wordt bepaald op veel criteria, de uitkomsten verschillen per diersoort en voor traditioneel of organische houderijsystemen. Over het algemeen zijn kip- en varkensvlees minder milieu belastend dan rundvlees. Echter, varkens en kippen eten weer meer granen die wereldwijd voor mensen belangrijk zijn en rundvee kan daarentegen op grasland leven. Voor de omschakeling naar duurzame vleesvee houderij is een systeemverandering nodig waar álle partijen een rol in hebben. De boer moet voldoen aan de vele normen en heeft deskundigheid nodig. Sociale media kunnen een transparante communicatie tussen boer en consument ondersteunen. De supermarkt en de slager kunnen het eigen assortiment kiezen en meer communiceren en informeren en de consument maakt uiteindelijk de keuze in de winkel. De overheid moet zich actiever opstellen in markt- en prijsbeleid. Boeren staan onder druk door enerzijds maatschappelijke eisen en aan de andere kant de kostprijs van duurzame productie. Een eerlijk en duurzaam verdienmodel voor de boer vereist een hogere vleesprijs, gecombineerd met betalingen van de boer voor maatschappelijke (ecosysteem)diensten.
DOCUMENT
Onderzoeksrapport naar aanleiding van het tweejarige onderzoeksprogramma (2009-2011) Laveren tussen belangen, dat mede mogelijk is gemaakt door de subsidieregeling RAAK van de Stichting Innovatie Alliantie.De accentverschuiving van uitkeringsverstrekking naar arbeidsre-integratie heeft geleid tot een andere invulling van het beroep. De sociale dienstmedewerker is niet meer alleen een ambtenaar, maar ook een professional die vakbekwaam en rekeninghoudend met de belangen van alle partijen handelt. Van deze professional wordt maatwerk verwacht, maar wel binnen de wet die stelt dat iedere burger gelijk is en de ene burger hetzelfde behandeld dient te worden als de ander. Niet meer de procedure is leidend maar de inhoud van het werk en het leren omgaan met de morele vraagstukken en dilemma’s die zich hierbij gelijktijdig aandienen. Van de ‘publieke professional’ wordt verwacht dat deze op zoek gaat naar een vernieuwde invulling van de integriteit van de ambtenaar (Karssing en Wirtz, 2008). Hiermee hebben we de kern van dit boek te pakken. Hoe om te gaan met deze dilemma’s in het dagelijkse werk van de sociale dienstmedewerker?
DOCUMENT