Types
0Instelling
26Bestandstype
9Taal
5Publicatiejaar
12Thema's
14Producttype
14Publicaties met bestand / URL
2Projectstatus
3Onderzoeksopzet De Wijken- en Dorpendeal is een subsidieregeling van Provincie Gelderland die gericht is op het versterken van leefbaarheid en sociale cohesie. In dit kwalitatieve evaluatieonderzoek zijn negen deals onderzocht om inzicht te krijgen in hoe en in welke mate deze regeling bijdraagt aan sociale cohesie, welke factoren succes bevorderen of belemmeren en wat er nodig is om initiatieven verder te borgen. Het onderzoek combineert elf interviews met trekkers van de deals, negen Effectenpleinsessies met bewoners en professionals (totaal 53 deelnemers) en een korte vragenlijst (N=41) over sociale cohesie. Resultaten van werkwijze De volgende elementen dragen bij aan het bouwen van sociale cohesie in wijken en dorpen: • Samen doen is de motor van sociale cohesie: gezamenlijke activiteiten (organiseren, bouwen, beheren) creëren vertrouwen, nieuwe verbindingen en eigenaarschap. • Fysieke ontmoetingsplekken werken als katalysator: pleinen, dorpshuizen en openbaar groen maken laagdrempelige ontmoeting mogelijk en vormen de basis voor gemeenschapsvorming. • Wederkerigheid en vertrouwen zijn sleutelwaarden: informele uitwisseling en elkaar helpen versterken onderlinge relaties en betrokkenheid. • Verbindende professionals en bewoners zijn randvoorwaardelijk: dorpsverbinders slaan bruggen tussen bewoners en overheid en zorgen voor continuïteit zonder over te nemen. • Succes vraagt lokaal maatwerk: heldere samenwerkingsstructuren, flexibele financiering, meedenkende overheden en ruimte om te leren vergroten de duurzaamheid van initiatieven. Belangrijkste ervaren effecten • Sterkere sociale relaties en samenhorigheid: bewoners ontmoeten elkaar vaker, bestaande netwerken worden hechter en nieuwe verbindingen ontstaan; dit vergroot het gevoel van verbondenheid in wijk of dorp. • Gelijkere toegang en meer inclusie: voorzieningen en activiteiten worden toegankelijker voor diverse groepen, waardoor deelname verbreedt en bewoners meer zeggenschap en handelingsvermogen ervaren. • Verbeterde leefomgeving als zichtbare opbrengst: herinrichting van pleinen, dorpshuizen en vergroening zorgen voor aantrekkelijkere woonomgevingen en plekken voor ontmoeting. • Beperkte maar merkbare effecten op veiligheid: in enkele wijken is sprake van minder overlast en een groter gevoel van veiligheid door fysieke aanpassingen in de wijk. • Overige effecten: versterking van vroegsignalering en individuele effecten op gezondheid. Daarnaast spin-off: nieuwe initiatieven ontstaan vanuit de Wijken- en Dorpendeal. 4 Bevorderende factoren Belemmerende factoren Beschikbaarheid van kennis, expertise en leiderschap binnen de gemeenschap. Bureaucratie en verkokering op gemeentelijk niveau. Gedeelde visie en een gezamenlijk doel. Ongelijkwaardige machts- en kennisverhoudingen. Financiële en materiële randvoorwaarden. Bestuurlijke en ambtelijke discontinuïteit op gemeentelijk niveau en uitvoeringsproblemen. Gelijkwaardige samenwerking en bestuurlijke steun. Culturele en sociale geslotenheid. Actieve gemotiveerde bewoners. Ondersteunende cultuur en waardenkader. Capaciteits-, tijds- en financiële druk. Communicatie, verwachtingen en vertrouwensbreuken. Lerend vermogen en professionele ondersteuning. Moeilijk meetbare impact. Contextuele meewind. Externe factoren: inflatie, veranderde wetgeving. Daarnaast blijkt dat initiatieven vooral worden gedragen door relatief krachtige burgers. Minder mondige of kwetsbare groepen profiteren weliswaar mee van de deals, maar zijn minder zichtbaar in organiserende rollen. Hoewel niet iedereen ook in de organisatie van een deal moet zitten, roept het vragen op over inclusiviteit. Conclusie De Wijken- en Dorpendeal lijkt een effectief instrument om sociale cohesie te versterken in wijken en dorpen. De deals laten zien dat lokale gemeenschappen, met voldoende ruimte en vertrouwen, in staat zijn duurzame verbindingen en voorzieningen te creëren om sociale cohesie te versterken.
DOCUMENT
De Digit 2012 brengt alle 65 wijken van Rotterdam in kaart. De wijken zijn op overzichtelijke wijze met elkaar te vergelijken op veiligheids-, sociaaleconomische en fysieke indicatoren. Welke wijken gaan vooruit en bij welke wijken moet een neerwaartse spiraal worden doorbroken? Deel 1 presenteert de wijken en deelgemeenten van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid Deel 2 presenteert de overige wijken.
DOCUMENT
Stedelijke professionals die de leefbaarheid in steden en wijken willen verbeteren, stuiten vaak op grenzen. Grenzen tussen de gemeente en de bewoners van wijken, grenzen tussen professionals uit verschillende domeinen, grenzen tussen ondernemers en bewoners. Hoe overbrug je die grenzen, zodat de leefbaarheid in steden en wijken toeneemt? Die vraag staat centraal in dit themanummer. En daarbij zullen we de verschillende manieren om grenzen te overbruggen belichten.
DOCUMENT
Het lectoraat CESRT onderzocht in opdracht van de gemeente Landgraaf de politieke, fysieke, sociale, culturele, economische en ecologische kwaliteit in de wijken Schaesberg, Ubach over Worms en Nieuwenhagen en deed op grond daarvan aanbevelingen ten behoeve van ontwikkelingsplannen voor de wijken.
DOCUMENT
De provincie Utrecht werkt aan het realiseren van wijken die klaar zijn voor de toekomst. Dat betekent wijken die niet alleen bestand zijn tegen weersextremen en vol zijn van leven voor plant en dier, maar waar inwoners ook gezond en prettig kunnen leven. Daarbij zijn klimaatbestendigheid, gezondheid en biodiversiteit de drie vaste pijlers. Om te ontdekken wat hiervoor nodig is en waar gemeenten in de praktijk tegenaan lopen, is de provincie in 2023 gestart met de aanpak klimaatbestendige, natuurinclusieve en gezonde wijken. De lessen die dat jaar zijn opgehaald uit de pilot met zeven gemeenten, zijn gedeeld in de Lessenbundel Wijkaanpak1. Die laat zien welke obstakels er zijn en hoe we hier samen mee om kunnen gaan. Waar in de pilots de link tussen biodiversiteit en klimaatadaptatie vaak al goed werd gelegd, bleef de link met gezondheid vaak impliciet en complexer te maken. Een belangrijke oorzaak is dat er minder gestuurd wordt op gezonde ontwerpkeuzes. Waar er duidelijke kaders, richtlijnen en indicatoren zijn voor wat wijken klimaatadaptief en biodivers maakt, zijn die er veel minder voor de gezonde leefomgeving. Ook ontbreken nog duidelijke kaders die deze onderwerpen integreren.
DOCUMENT
Jouke Janze bracht in Groningen wijken letterlijk in beweging door niet te beginnen met wat er ontbreekt, maar juist met wat er al is. Met een bal onder de arm startte hij beweeggroepen die uitgroeiden tot bloeiende community’s. De Asset-Based Community Development (ABCD) principes blijken een krachtige manier om bewoners in hun eigen kracht te zetten. Hoe werkt deze positieve benadering en wat kunnen sportprofessionals ermee? Dit artikel is gebaseerd op een interview van Sanne Cobussen met Jouke Janze in de podcastserie Walk&Talk van het netwerk Living Lab Sport en Bewegen, via de Hogeschool Arnhem en Nijmegen (HAN).
LINK
Succesvolle wijken1 hebben naar onze opvatting een duidelijk geprofileerd woonmilieu, dat aansluit bij de woonwensen van de bewoners. Er bestaan grote verschillen in woonwensen, wat mede leidt tot een vraag naar verschillende soorten wijken. Wijken verschillen in ontwikkeling en potenties. Voor de stad is het goed wanneer er tussen wijken verschillen bestaan: verschil maakt kwaliteit. Het biedt inwoners de mogelijkheid te kiezen voor wonen dat bij hen past. Voor ons als werkers aan wijkverbetering en gebiedsontwikkeling levert dat vragen op. Aan wat voor wijk werken we eigenlijk? Voor wie is het hier goed wonen en werken? Wat gaan we doen? Wie zijn 'we'? Aan het eind van de vorige eeuw merkten we in onze beroepspraktijk dat er een aantal veranderingen plaatsvond met een groter impact op het werken aan wijken. De terugtrekkende overheid, de groeiende rol van marktpartijen, oude partijen die verdwenen en nieuwe partijen die hun intrede deden in de wijk, de grotere mondigheid van burgers en de groter diversiteit in woonwensen veranderde de samenwerking: minder gericht op hiërarchie, en een toenemend beroep op de eigen verantwoordelijkheid van partijen. Vraagstukken op het gebied van maatschappelijke ontwikkeling en samenleving, een toenemende maatschappelijke dynamiek, een groter risico bij private partijen in vastgoedontwikkeling en het uitgangspunt om het verschil in kansen en potenties van een wijk te benutten vroegen om andere vormen van analyse en onderzoek en om andere instrumenten bij wijkverbetering en gebiedsontwikkeling. We merkten dat er behoefte was aan nieuwe samenwerkingsvormen en aan een nieuw soort wijkvisies. Rand 2000 zagen we aanknopingspunten met de manier waarop in het bedrijfsleven branding werd toegepast bij product- en organisatieontwikkeling. In het hele traject van het richten op klantgroepen, het zoeken naar identiteit, het inzetten van storytelling als inspiratiebron en bindmiddel en uiteindelijk het realiseren en vermaakten van producten, zagen we mogelijk¬heden om gebiedsbranding ook in het gebiedsgerichte werken toe te passen. In die periode waren er meerdere initiatieven om branding toe te passen. Onder andere projectontwikkelaars gebruikten het in de marketing van hun vastgoedprojecten. In de praktijk die wij in de loop van de tijd hebben ontwikkeld, is de integratie van onderzoek, het proces gericht op samenwerking tussen partijen en het ma ken van een product essentieel. We waren op zoek naar de kern van het verhaal van de buurt. als inspiratiebron voor een gezamenlijk handelingsperspectief. Voor onze brandingtrajecten was het dan ook van belang om de diepte in te gaan. Voor het onderzoek betekende dat bijvoorbeeld dat we inzicht wilden krijgen in de leefwereld van mensen, hun drijfveren en de betekenis van de wijk voor hen. Voor het proces betekende het dat we streefden naar een. zo breed mogelijke deelname. Belangrijke onderdelen van het proces waren: kennismaken met en interesse in elkaar en in de verschillende posities en belangen en uiteindelijk het gezamenlijk maken van de gebiedsbrand. We wilden de kiem leggen voor het vormen van een ondernemend gezelschap dat zich verbonden zou voelen met het procesresultaat. Het product dat ons voor ogen stond, was het vastleggen van een verhaal over de toekomst van de wijk in een aantal kernkwaliteiten en kernwaarden, en daarnaast het maken van actieplannen en projecten van de verschillende partijen.
DOCUMENT
Een groene omgeving is een belangrijke sleutel tot een gezonde bevolking. Alle reden dus om te kijken in wijken hoe het groen eruit ziet en hoe het beter kan. En ook andere opgaven, zoals klimaatadaptatie, daarbij mee te nemen. Want zonder integraal denken en werken lukt het niet.
DOCUMENT
Onderzoeksrapport 'Wijkanalyse'
Dit onderzoek is door het Lectoraat Integraal Jeugdbeleid uitgevoerd binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) Oosterpark en Groningen Zuid. Het onderwerp is het maken van een wijkanalyse van het werkgebied van beide CJG's. De aanleiding is dat frontliniewerkers, die werkzaam zijn in het CJG, handelingsverlegenheid ervaren in het preventief en omgevingsgericht werken. Zij hebben behoefte aan kennis en handvatten rondom het preventief en omgevingsgericht werken. De wijkanalyse wordt gedaan om de frontliniewerkers een beter inzicht te geven over de informatie van de wijken die relevant zijn voor de ontwikkeling en verbetering van het preventief en omgevingsgericht werken. Hierbij is de volgende onderzoeksvraag geformuleerd: Wat is de beginsituatie van de wijken van de twee deelnemende CJG: Oosterpark en Groningen Zuid? De volgende wijken/buurten zijn meegenomen in de wijkanalyse: Oosterpark: Oosterparkwijk, Binnenstad Oost, Oosterpoortbuurt en Woonschepenhaven. Groningen Zuid: de Wijert-Noord en Zuid en Corpus den Hoorn-Noord. Het onderzoek bevat een kwantitatief design en is opgedeeld in drie fases. 1. Desk research aanvullend met interviews van twee CJG coördinatoren en consultenten. 2. Observaties in de wijk. 3. Enquêtes onder ouders (van met name jonge kinderen, n=115) in de wijk. De volgende variabelen zijn onderzocht: fysieke -, en sociale omgeving, zorgsysteem, kinderopvang en onderwijs, maatschappelijke participatie van inwoners, veiligheid, CJG Oosterpark en CJG Groningen Zuid (visie, personeel, gebouw, aanbod en samenwerking) en betrokkenheid van ouders in de wijk bij het opgroeien en opvoeden van kinderen. Uit alle gegevens kan geconcludeerd worden dat de krachten in de wijken Oosterpark en Groningen Zuid liggen in: de netheid van de wijk (m.u.v. de Wijert); voldoende sport- en speelmogelijkheden voor de jeugd; ouders positief over pedagogisch buurtklimaat, voldoende ontmoetingsplekken voor ouders; ouders maken gebruik van (in)formele steunbronnen voor opvoedsteun; CJG's liggen midden in de wijk met ontmoetingsruimten, intern en externe samenwerking vanuit visie en uitgangspunten. Het lijkt erop dat opvoeders uit Groningen Zuid zich sterker verbonden voelen met de buurt en elkaar eerder helpen als er problemen zijn met de kinderen. De noden in de wijken Oosterpark en Groningen Zuid zijn: verkeersonveiligheid; onvoldoende sport- en speelmogelijkheden voor jonge inwoners in Binnenstad-Oost; ontevredenheid jongerenvoorzieningen; onveiligheidsgevoelens en (drugs)overlast in de Oosterparkwijk; bewoners weinig stem wat er in hun wijk gebeurt (met name Oosterpark); minder bekendheid van het CJG en in verhouding weinig bezocht; consultatiebureau Oosterpark zit niet in het CJG gebouw. De behoeften in de wijk: ouders hebben belangstelling voor praktische hulp van andere ouders en leuke dingen ondernemen met andere ouders en kinderen; in de Oosterpark is behoefte aan opvoedthema bijeenkomsten met andere ouders. Een aantal kenmerken per wijk. Oosterpark: bestaat uit relatief weinig jonge kinderen, maar meer jong volwassenen; allochtonen wonen met name in de Oosterparkwijk en in de Binnenstad Oost; in de Oosterparkwijk wonen in verhouding meer eenoudergezinnen; heeft meer werkloosheid en meer mensen met een bijstandsuitkering. De Oosterpoortbuurt en de Binnenstad Oost wonen de meeste mensen met een beter inkomen. Groningen Zuid: bestaat uit relatief veel jonge kinderen en minder jong volwassenen; meer 35- en 50-plussers. In de Wijert-Noord wonen meer allochtonen en eenoudergezinnen, heeft meer werkloosheid en meer mensen met een bijstandsuitkering. In de Wijert-Zuid wonen de meeste mensen met een beter inkomen. Tot slot de aanbevelingen: meer bekendheid rondom het CJG; activiteiten met andere opvoeders faciliteren en organiseren; CJG Oosterpark onder één dak met het consultatiebureau; ouders betrekken in wat er gebeurt in de wijk; verder onderzoek naar betrokkenheid ouders van kinderen vanaf zes jaar. De uitkomsten geven input voor fase 2.
DOCUMENT
Veel Nederlandse jeugdigen en hun ouders krijgen jeugdhulp. In de ene gemeente meer dan in de andere. Binnen gemeenten zijn er soms grote verschillen tussen wijken. Deze hebben te maken met bijvoorbeeld het aantal kinderen dat in armoede of in een eenoudergezin opgroeit. Ook in de regio Haaglanden zijn grote verschillen in het gebruik van jeugdhulp tussen en binnen de gemeenten in de regio. Ook wijken die wat betreft demografie erg op elkaar lijken, kunnen sterk van elkaar verschillen in jeugdhulpgebruik. Om meer grip te krijgen op deze verschillen, worden in dit rapport de volgende onderzoeksvragen beantwoord: 1. Zijn er verschillen tussen daadwerkelijk en verwacht gebruik van jeugdhulp op basis een landelijk model in de regio Haaglanden? En zijn er verschillen tussen wijken? 2. Zijn verschillen tussen wijken in de regio Haaglanden te duiden op basis van aanvullend lokaal beschikbare kwantitatieve data en/of op basis van aanvullend kwalitatief onderzoek? a. Kan het gebruik van jeugdhulp in Haaglanden nog beter geschat worden met aanvullende wijkkenmerken die niet zijn opgenomen in het landelijk model? b. Kunnen factoren van de inrichting van het stelsel de verschillen verklaren tussen het voorspelde en het werkelijke jeugdhulpgebruik? Voor de beantwoording van bovenstaande vragen is uitgegaan van het landelijk model van het SCP om jeugdhulpgebruik zonder verblijf te voorspellen. Dit model berekent op basis van kenmerken op wijkniveau, zoals het aandeel niet-westerse migranten, het aandeel eenouderhuishoudens en het aandeel huishoudens in de bijstand het verwachte gebruik van jeugdhulp zonder verblijf voor de betreffende wijk. Het model is gebaseerd op cijfers uit 2017 van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De resultaten uit dit model voor de regio Haaglanden zijn gebruikt als basis voor de beantwoording van de onderzoeksvragen in dit rapport.
MULTIFILE