In deze rede wil ik, in het eerste deel, een definitie geven van urban education, die laat zien dat het opvoeden en leren in de grote stad een eigen pedagogische dimensie kent. Vervolgens vat ik, in het tweede deel, de resultaten samen van een recent afgeronde studie naar de vormgeving en effecten van urban education op pedagogische professionals in opleiding. Een vergelijking van de voorgestelde definitie van urban education en dit internationale overzicht geeft enig inzicht in de vragen waar ik deze rede mee eindig: waar is aansluiting tussen deze definitie en het internationale onderzoek; wat is al onderzocht; waar zijn er hiaten en welke kansen voor innovatie zijn er? Op grond hiervan schets ik heel beknopt enkele contouren van het onderzoeksprogramma voor het lectoraat Zijn kinderen niet altijd kinderen, is leren niet gewoon leren en blijft onderwijzen niet overal gewoon onderwijzen? En kunnen beroepsopleidingen voor pedagogische en onderwijskundige professionals overal in het land niet gewoon hetzelfde zijn? Nee. Een dergelijke ‘one size fits all’-benadering doet onvoldoende recht aan de complexe uitdagingen waar pedagogen en leerkrachten in de grote stad voor staan. Een superdiverse populatie van kinderen en hun ouders in een zeer rijke omgeving geven onderwijs en opvoeding in de grootstedelijke context een eigen pedagogische dimensie. Op woensdag 22 april 2015 sprak prof. dr. R.G. Fukkink, lector Pedagogiek aan de Hogeschool van Amsterdam, zijn lectorale rede uit.
De publieke opdracht voor het (middelbaar) beroepsonderwijs in Nederland is om alle deelnemers op te leiden voor een plek op de arbeidsmarkt. Nederland heeft een uniek stelsel ontwikkeld voor het opleiden voor vakmanschap op middelbaar niveau. Door de OECD wordt dit getypeerd als een mixed model (OECD, 2010; zie ook Van Lieshout, 2008; Nieuwenhuis, 2012). Het is mixed omdat de aansturing én de uitvoering gebeuren in samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven, gericht op een arbeidsmarktrelevante startkwalificatie en tegelijkertijd op bredere maatschappelijke participatie en vervolgscholing. Het adagium daarbij is “Focus op vakmanschap”, de titel van de meest recente ambitienota van het kabinet voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo).
Kinderen bewegen minder dan hun ouders vroeger deden. Dit heeft nadelige gevolgen voor de fitheid en motoriek van kinderen: kinderen zijn minder sterk en flexibel, maar ook minder vaardig in bewegen. De afgelopen jaren is er meer aandacht van professionals uit verschillende domeinen voor de achterblijvende motorische ontwikkeling van kinderen. Echter, de ondersteuning van ouders voor beweegaanbod ontbreekt vaak. Ook heeft een uurtje fysiotherapie of extra gymles op school weinig effect als er binnen het gezin van kinderen geen aandacht is voor regelmatig en gevarieerd bewegen. In dit project ontwerpen we samen met kinderen, ouders en professionals twee toolboxen: één voor de professionals in het partnerschap met ouders en daaraan gekoppeld één voor voor de ouders en kinderen in de thuissituatie. De toolboxen bieden kennis, vaardigheden, handvatten en activiteiten om 1) pedagogisch partnerschap tussen ouders en professionals te verstevigen, waarbij op maat gesneden kennis en vaardigheden worden aangeboden; 2) te zorgen dat meer kinderen, waarbij een achterstand in de motoriek is gesignaleerd, starten met ondersteunend buitenschools beweegaanbod en blijven deelnemen; 3) kinderen thuis meer gestimuleerd worden om regelmatig en gevarieerd te bewegen. Bij dit project is een breed consortium betrokken: de doelgroep zelf en partners uit praktijk en beleid vanuit de verschillende domeinen (onderwijs, pedagogiek, sport en zorg), hogescholen, en universiteiten.