Background: To improve the effectiveness of community-based care programs, especially those targeting the oldest-old population (80+), data are needed that elucidate those factors associated with a successful response to the intervention. Two comparable nurse-led care programs have been evaluated in two large randomized controlled trials (RCTs), one in Switzerland and one in the Netherlands. Aims: To identify common patient characteristics that are related to a successful response to proactive nurse-led care, we explored if and to what extent, identical factors were present in both study populations. Methods: A secondary data analysis using trial data from the intervention group of both RCTs was conducted. The study sample consisted 461 older adults, 230 from the U-PROFIT trial (the Netherlands) and 231 from the HPC trial (Switzerland). The mean age of the total sample was 85.1 years (SD 3.7). The UPROFIT intervention, delivered by registered nurses, included a frailty assessment and a comprehensive geriatric assessment (CGA) at home followed by an individualized evidence-based care plan, care coordination, and follow-up. The HCP intervention was delivered by advanced practice nurses consisting of four home visits and three phone calls, and was guided by the principles of health promotion, empowerment, partnership, and family-centeredness. A successful response was defined as “stable” or “no decline” in daily functioning at follow-up. Daily functioning was measured with 13 items of activities of daily living and instrumental activities of daily living. Multivariate logistic regression models were applied to calculate the association between individual characteristics and a successful response.
BACKGROUND: To evaluate the effects of nurse-led multifactorial care to prevent disability in community-living older people.METHODS: In a cluster randomized trail, 11 practices (n = 1,209 participants) were randomized to the intervention group, and 13 practices (n = 1,074 participants) were randomized to the control group. Participants aged ≥ 70 years were at increased risk of functional decline based on a score ≥ 2 points on the Identification of Seniors at Risk- Primary Care, ISAR-PC. Participants in the intervention group received a systematic comprehensive geriatric assessment, and individually tailored multifactorial interventions coordinated by a trained community-care registered nurse (CCRN) with multiple follow-up home visits. The primary outcome was the participant's disability as measured by the modified Katz activities of daily living (ADL) index score (range 0-15) at one year follow-up. Secondary outcomes were health-related quality of life, hospitalization, and mortality.RESULTS: At baseline, the median age was 82.7 years (IQR 77.0-87.1), the median modified Katz-ADL index score was 2 (IQR 1-5) points in the intervention group and 3 (IQR 1-5) points in the control group. The follow-up rate was 76.8% (n = 1753) after one year and was similar in both trial groups. The adjusted intervention effect on disability was -0.07 (95% confidence interval -0.22 to 0.07; p = 0.33). No intervention effects were found for the secondary outcomes.CONCLUSIONS: We found no evidence that a one-year individualized multifactorial intervention program with nurse-led care coordination was better than the current primary care in community-living older people at increased risk of functional decline in The Netherlands.TRIAL REGISTRATION: Netherlands Trial Register NTR2653.
MULTIFILE
Background Interprofessional education is promoted as a means of enhancing future collaborative practice in healthcare. We developed a learning activity in which undergraduate medical, nursing and allied healthcare students practice interprofessional collaboration during a student-led interprofessional team meeting. Design and delivery During their clinical rotation at a family physician’s practice, each medical student visits a frail elderly patient and prepares a care plan for the patient. At a student-led interprofessional team meeting, medical, nursing and allied healthcare students jointly review these care plans. Subsequently, participating students reflect on their interprofessional collaboration during the team meeting, both collectively and individually. Every 4 weeks, six interprofessional team meetings take place. Each team comprises 9–10 students from various healthcare professions, and meets once. To date an average of 360 medical and 360 nursing and allied healthcare students have participated in this course annually. Evaluation Students mostly reported positive experiences, including the opportunity to learn with, from and about other healthcare professions in the course of jointly reviewing care plans, and feeling collectively responsible for the care of the patients involved. Additionally, students reported a better understanding of the contextual factors at hand. The variety of patient cases, diversity of participating health professions, and the course material need improvement. Conclusion Students from participating institutions confirmed that attending a student-led interprofessional team meeting had enabled them to learn with, from and about other health professions in an active role. The use of real-life cases and the educational design contributed to the positive outcome of this interprofessional learning activity.
MUSE supports the CIVITAS Community to increase its impact on urban mobility policy making and advance it to a higher level of knowledge, exchange, and sustainability.As the current Coordination and Support Action for the CIVITAS Initiative, MUSE primarily engages in support activities to boost the impact of CIVITAS Community activities on sustainable urban mobility policy. Its main objectives are to:- Act as a destination for knowledge developed by the CIVITAS Community over the past twenty years.- Expand and strengthen relationships between cities and stakeholders at all levels.- Support the enrichment of the wider urban mobility community by providing learning opportunities.Through these goals, the CIVITAS Initiative strives to support the mobility and transport goals of the European Commission, and in turn those in the European Green Deal.Breda University of Applied Sciences is the task leader of Task 7.3: Exploitation of the Mobility Educational Network and Task 7.4: Mobility Powered by Youth Facilitation.
In het project wordt een nieuw door de HvA ontwikkelde methodiek (Open Collaborative Business Modelling methodiek, verder: ‘OCBM-methodiek’), toegepast om waardeproposities voor circulaire en biobased verpakkingen te ontwikkelen, samen met partijen uit de waardeketen. De inzet van biobased materialen is essentieel voor het terugdringen van het gebruik van fossiele plastics en – uiteindelijk – voor het bereiken van een volledig circulaire economie. De specifieke waardeketen waar het project zich op richt is die van verpakkingen op basis van Olifantsgras / Miscanthus. Projectpartner Vibers is een bedrijf dat dit gewas als grondstof gebruikt voor het produceren van o.a. verpakkingsmaterialen. Tijdens het project zal een viertal OCBM-sessies worden georganiseerd waarin Vibers in nauwe samenwerking met een wisselende groep ketenpartners en andere stakeholders een nieuwe waardepropositie formuleert. Projectpartner Kennisinstituut Duurzaam Verpakken (verder: KIDV) bewaakt in de OCBM-sessies de duurzaamheid van de ontwikkelde propositie en speelt een rol bij evaluatie van de OCBM-methodiek voor de verpakkingsindustrie. Het project levert daarmee twee belangrijke resultaten op: 1. Een met behulp van de OCBM-methodiek ontwikkelde waardepropositie voor een circulair business model waarin een biobased verpakking centraal staat; 2. Aanbevelingen voor het verfijnen van de OCBM-methodiek: specifieke aandachtspunten voor het ontwikkelen van innovatieve, circulaire business modellen met behulp van deze methodiek.
Eind 2022 woonden in Nederland 17.652 kinderen in een pleeggezin. Van alle pleegzorgplaatsingen betrof 46% een plaatsing in het eigen netwerk van het pleegkind, dat meestal de eigen familie is. Bij deze familieplaatsingen hebben kinderen vaker met loyaliteitsconflicten te maken vanwege complexe familierelaties dan bij plaatsingen buiten hun familie(netwerk). Familiebanden blijken een bijzondere kracht en veerkracht in familieplaatsingen: ‘Eigen bloed is het waard om voor te vechten’ (pleegzorgwerker, Van de Koot et al., 2023). Hoewel familiepleegzorg een veelbelovende vorm van pleegzorg is qua stabiliteit en vertrouwdheid voor het kind, zorgen de intergenerationele familiebanden voor meer conflicten, hoogoplopende emoties en specifieke spanningen. Hierdoor stellen familieplaatsingen de betrokken pleegzorgwerkers vaak voor uitdagingen. Vaak verblijft het kind al in het (familie)pleeggezin voordat de pleegzorgwerker betrokken raakt en kunnen er zorgen bestaan over de veiligheid van het kind. Familieplaatsing in pleegzorg vraagt daarom van pleegzorgwerkers bijzondere kennis en vaardigheden over: 1) het begeleiden van de plaatsing van het pleegkind, en 2) het begeleiden van de familierelaties. Daarover is enerzijds meer onderzoek nodig in de sterke punten en belemmeringen van familiepleegzorg, alsmede de behoeften van pleegkinderen, hun ouders en pleegouders. Anderzijds is het van belang inzicht te krijgen in de vaardigheden, hulpmiddelen en werkvormen die pleegzorgwerkers nodig hebben om deze specifieke vorm van pleegzorg te begeleiden, zodat familieplaatsingen duurzaam en stabiel blijven en/of worden. Dit onderzoek beoogt antwoord te geven op de volgende vraag ‘Hoe kunnen pleegzorgwerkers het pleegkind en zijn pleegouders, ouders en mogelijke andere familieleden gedurende familieplaatsingen zo begeleiden dat de relaties rondom het pleegkind van dusdanige aard zijn dat de loyaliteit van het kind naar alle voor hem belangrijke familieleden mag uitgaan?’. Het consortium beoogt dat potentieel veelbelovende plaatsingen voor kinderen minder vaak in breakdown eindigen, maar dat het kind relationele stabiliteit en welzijn ervaart.