De aandacht voor de ondergrond was het afgelopen decennium tanende in ruimtelijke planning. Grootschalige milieuoperaties uit de jaren tachtig en negentig waren afgerond. Nieuw beleid was niet meer nodig. Bodemprofessionals zochten hun heil in andere thema’s. Urgente kwesties als klimaatverandering, vitale landbouw en de energietransitie brengen daar nu echter verandering in. Zelfs de milieuhygiënische kant van bodembeheer is met de vondst van PFAS en andere zeer verontreinigende stoffen weer helemaal terug in de bestuurlijk belangstelling. Dit artikel en de artikelenserie ‘Ruimte en ondergrond’ verkennen de uitdagingen en oplossingen voor het meenemen van de potentie van de ondergrond in ruimtelijke planning.
LINK
De land- en tuinbouw staat onder druk. Enerzijds is er een steeds grotere vraag naar voedsel en anderzijds loopt de landbouw volop tegen ecologische en economische grenzen aan. Tegelijkertijd is de landbouw nog nooit zo vernieuwend geweest en op zo veel verschillende manieren. Boomteelt tegen klimaatverandering. Met aardwarmte gedroogde tomaten. Allerlei nieuwe, lokale producten en ketens. Met technologische duurzaamheidshoogstandjes, zoals veeteelt zonder antibiotica. Welke nieuwe businessmodellen geven de landbouw toekomst?
MULTIFILE
Wat zijn de mogelijkheden voor de decentrale verwerking van organische reststromen? Levert het lokaal verwerken van materialen als gft, snoeiafval, horeca-afval en gewasresten in brede zin meer op dan afvoer naar grootschalige verwerkers? Die vraag staat centraal in het project RE-ORGANISE, geleid door de Hogeschool van Amsterdam in samenwerking met verschillende kennispartners en ondernemers. Twee Amsterdamse stadslandbouwlocaties fungeren hierbij als onderzoekscases: Tuinen van West (grenzend aan de wijken Geuzenveld en Osdorp) en NoordOogst (in Amsterdam Noord). Er is gekozen voor stadslandbouwlocaties omdat hier organische reststromen vrijkomen, en er tegelijk behoefte is aan de producten die uit deze reststromen gemaakt kunnen worden.In juli 2017 zijn drie deelproducten opgeleverd van het eerste jaar van onderzoek. Deze casusbeschrijving van Noordoogst is er daar een van; verder is er een casusbeschrijving van de Tuinen van West beschikbaar, en een rapport over de ontwikkeling van technologische concepten voor het hergebruik van organische reststromen. In de casusbeschrijvingen wordt de aanwezigheid en het gebruik van organische reststromen beschreven voor de betreffende locatie. Basis hiervoor vormen ruim 38 interviews met ondernemers en belanghebbenden in beide gebieden, en twee workshops waarin werd nagedacht over het verbeteren van het gebruik van deze reststromen.
Er komen steeds meer technologieën beschikbaar die het interessant maken om biotisch bedrijfsafval lokaal te verwerken tot nieuwe grondstoffen, op het bedrijf waar het afval ontstaat of in samenwerking met naastliggende bedrijven. Hiermee wordt afvaltransport beperkt en kan de potentiële waarde van het afval ten goede komen aan de lokale ondernemers. Een aantal mkb-bedrijven in het Amsterdamse stadslandbouwgebied Tuinen van West beschikt over een biovergister en een compostinstallatie. Deze mkb-bedrijven willen zelf metingen kunnen verrichten aan hun biotisch afval om met deze informatie rendementsverhogingen te realiseren met hun eigen biovergister en composteerder, en op termijn reststromen te kunnen uitwisselen met andere potentiële lokale verwerkers als dit tot waardevermeerdering leidt. Zelf meten is sneller dan opsturen naar een laboratorium, en daardoor kan er een versere reststroom verwerkt worden. Bestaande meettechnieken zijn zeer accuraat, maar ook ingewikkeld, te traag en te duur voor de beoogde toepassing. Dit weerhoudt bedrijven ervan om op dit moment metingen te verrichten. Ook de gemeente Amsterdam wil weten wat de potentie is van de biotische reststromen in combinatie met lokale metingen en verwerking, om daardoor de transitie naar een circulaire economie beter te kunnen faciliteren. De praktijkvragen leiden tot de volgende hoofdonderzoeksvraag: “Op welke wijze kunnen de eigenschappen van biotische reststromen inzichtelijk worden gemaakt met behulp van laagdrempelige meetmethoden en -technieken, ten behoeve van lokale verwerking en hergebruik middels biovergisting en compostering?” Het doel van dit project is om kennis te ontwikkelen rondom laagdrempelige meetsystemen, waarmee de ondernemers in staat gesteld worden om waardevolle informatie over hun biotisch afval te genereren en hen te stimuleren deze informatie te delen met het oog op hoogwaardig lokaal hergebruik. Door de inzet van de meetsystemen ontstaat een regelmatige informatiestroom over de eigenschappen van het beschikbare biotische afval bij een bedrijf of in een gebied.
RE-ORGANISE - Sluiten van stedelijke kringlopen door decentrale verwerking van organisch bedrijfsafval. Steeds meer bedrijven zien mogelijkheden om in plaats van te betalen voor de afvoer van hun organisch afval, dit afval op te werken tot waardevolle grondstoffen of producten. Rondom commerciële stadslandbouw (vaak een combinatie van teelt en horeca) zijn er al bedrijven die hierin voorop lopen. Zij willen graag zoveel mogelijk lokaal materiaalkringlopen sluiten en vragen zich af hoe zij meer waarde kunnen geven aan hun organische reststromen door deze decentraal te verwerken. Daarnaast zijn er bedrijven die voor verwerking van organisch afval installaties leveren. Zij zien in decentrale verwerking een nieuwe markt en vragen zich af hoe hun technologische oplossingen geschikt gemaakt kunnen worden en welke businessmodellen hierbij mogelijk zijn. De combinatie van deze kennisvragen leidt tot de centrale onderzoeksvraag: ?Hoe kunnen organische reststromen decentraal worden verwerkt en benut door de inzet van nieuwe technische en organisatorische oplossingen, om daarmee meer economische en ecologische waarde te creëren?? In het onderzoeksproject ?RE-ORGANISE? doet de Hogeschool van Amsterdam, samen met CAH Vilentum, onderzoek aan de hand van case studies op drie verschillende stadslandbouwlocaties. In deze opkomende professionele bedrijfstak bevinden zich de koplopers in de transitie naar een circulaire economie die worden verbonden aan potentiële leveranciers van installaties voor de verwerking van organisch afval. Ondersteund door experts van onder meer Circle Economy, TU Delft, Wageningen UR en de Branchevereniging Organische Reststoffen wordt nieuwe kennis ontwikkeld om waardevolle decentrale verwerking mogelijk te maken. Het onderzoeksproject draagt bij aan: - kennis van de technische verwerkingsmogelijkheden van organisch afval en de betreffende randvoorwaarden, o.a. schaalgrootte, kwaliteit, continuïteit; - methoden voor het inzichtelijk maken van kwantiteit, kwaliteit en continuïteit van lokale organische reststromen; - kennis over het toesnijden van technische en organisatorische ontwerpen op decentrale verwerking; - inzicht in innovatieve én haalbare circulaire businessmodellen; - vorming van een kennisnetwerk rondom decentrale verwerking. RE-ORGANISE zal de volgende concrete resultaten opleveren: - een 'keuzekaart', waarmee bedrijven met organische reststromen kunnen bepalen welke verwerkingstechnieken wanneer rendabel zijn; - circulaire businessmodellen voor drie cases (Tuinen van West, Uit je eigen stad, Noordoogst); inclusief aanbevelingen voor implementatie en mogelijkheden voor repliceerbaarheid; - randvoorwaarden en aanbevelingen voor verdere doorontwikkeling van kleinschalige verwerkingsmethoden voor decentrale verwerking (technisch en organisatorisch).
Om ervoor te zorgen dat er in 2050 voor iedereen genoeg voedsel, materialen en energie is, moet onze economie circulair worden. In een circulaire economie bestaat geen afval meer - afval is grondstof. Vanuit deze visie werkt HvA aan kennisontwikkeling over circulaire producten en processen. Momenteel onderzoekt onderzoeksprogramma Urban Technology in het project Re-Organise hoe organisch afval in stadslandbouwgebieden met behulp van nieuwe oplossingen lokaal kan worden hergebruikt. Voorbeelden hierbij zijn lokale biovergisting, compostering en insectenkweek. Het nieuwe project Re-StORe verlegt de scope van het onderzoek van stadslandbouw naar de bebouwde omgeving. Re-StORe bouwt verder op kennis van Re-Organise, richt zich op de gehele keten van inzameling, verwerking en verwaarding, en kijkt naar twee specifieke verwerkingstechnologieën voor stedelijk organisch afval: composteren en biovergisten. Onderzocht wordt welke duurzaamheidsindicatoren bepalend zijn voor keuze en ontwerp van oplossingen en hoe duurzaamheidseffecten in de praktijk meetbaar te maken zijn. Re-StORe volgt vijf bestaande cases, onderzoekt welke waarde wordt gecreëerd en hoe aanpassingen in het ontwerp (technisch en organisatorisch) deze waarde kunnen beïnvloeden. Kennis uit de cases wordt gebruikt voor onderzoek naar ontwerpregels voor afvalsystemen: op welke schaal? En welke actoren? Welke samenwerkingsverbanden? Welke impact hebben de systemen op economisch, ecologisch en sociaal gebied? Vervolgens worden voor de bestaande en een nieuwe grootschalige stedelijke ontwikkeling in Amsterdam (Haven-Stad) ontwerpstudies voor twee deelgebieden uitgevoerd. Met behulp van digitale simulatiemodellen wordt op voorhand bepaald wat de impact van nieuwe ontwerpen zou kunnen zijn op het afvalsysteem in het gekozen gebied. In Re-StORe werkt HvA samen met mkb-bedrijven uit de gehele keten van inzameling tot gebruik, met de gemeente Amsterdam en met kennisinstellingen op het gebied van de urbane circulaire economie (TU Delft, AMS). Via deze kennisinstellingen en de brancheorganisatie BVOR komt kennis uit het project breed beschikbaar voor bedrijven in de gehele waardeketen rond stedelijk organisch afval.