In Nederland is de verantwoordelijkheid voor ziekteverzuim en reïntegratie sinds het begin van de jaren negentig stap voor stap verschoven van het collectieve domein naar de individuele werkgever en werknemer. Achtereenvolgende wetswijzigingen hadden tot doel het ziekteverzuim en de instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. De wijzigingen hebben ingrijpende gevolgen voor wat op het gebied van reïntegratie wordt verwacht van de zieke werknemer, de leidinggevende die belast is met de begeleiding en de bedrijfsarts die hen daarbij ondersteunt. Deze studie richt zich op het handelen van deze meest direct betrokkenen in situaties van langer durend (langer dan zes weken) ziekteverzuim in relatie tot het gedrag dat door de wetgever van henwordt verwacht.
DOCUMENT
Dit is het tweede deel van een drieluik over reïntegratie van bijstandsmoeders in Maastricht. In het eerste deel staan de bijstandsmoeders zelf centraal. In het derde deel wordt de praktijk belicht vanuit de optiek van de samenwerkingspartners van de dienst Sociaal Economische Zaken (SEZ) van de gemeente Maastricht. In dit (deel)onderzoeksrapport staat de WIZ-consulent centraal. In de eerste twee hoofdstukken van het onderzoek wordt de veranderende beleidsarena beschreven waarbinnen dit onderzoek plaatsvindt, landelijk en in Maastricht. In het derde hoofdstuk wordt stilgestaan bij de opzet van het deelonderzoek. Dan volgt de kern van het onderzoek, in vier hoofdstukken wordt de visie van de WIZ-consulenten verwoord op het landelijke- en gemeentelijke beleid, de samenwerkingspartners, de doelgroep bijstandsmoeders en hun visie op eigen handelen en deskundigheid. In hoofdstuk acht staan de conclusies en aanbevelingen. Overigens: de aanbevelingen komen voor een groot deel uit de kokers van de geïnterviewden. Het illustreert hoe goede WIZ-consulenten betrokken zijn op de uitvoeringspraktijk van de instelling en op de cliënten om wie het uiteindelijk allemaal gaat.
DOCUMENT
Onderzoek naar de praktijk van re-integratie van alleenstaande moeders naar de arbeidsmarkt in Maastricht, Hasselt en Aken. Wat zien professionals (en beleidsmakers) als probleem en oplossing en hoe ziet de doelgroep dat zelf? Hoe kunnen die verschillen overbrugd worden? Een vergelijking over de grenzen kan een extra dimensie geven aan een onderzoek, maar ook aan de verbetering van de praktijk. Het rapport dat voor u ligt: “Bijstandsmoeders in Maastricht” is het resultaat van het eerste deelonderzoek. Het rapport begint met een korte beschouwing over de stand van zaken over het onderwerp, op basis van een literatuurstudie en een eerste werkveldverkenning. Na die eerste verkenning volgen twee hoofdstukken over de opzet van het onderzoek. Eerst een hoofdstuk over de opzet van het totale onderzoek, dan een hoofdstuk over de opzet en uitvoering van het deelonderzoek. Dan de ‘ziel’ van dit onderzoek: Een uitwerking van de interviews met de doelgroep ‘bijstandsmoeders in Maastricht’. De hoofdstukken volgen de thema’s die in de interviews aan de orde kwamen. Het rapport eindigt met een nabeschouwing waarin de onderzoeker reflecteert op de twaalf gesprekken, als onderzoeker, maar wellicht nog meer als docent, maatschappelijk werker en ervaringsdeskundige van heel lang geleden. Daar de geïnterviewde moeders de uitvoeringspraktijk goed kennen, heeft de onderzoeker op basis van de interviews een aantal aanbevelingen geselecteerd waar de professionals wellicht hun voordeel kunnen doen.
DOCUMENT
In oktober 2006 werd het onderzoek ‘kosten en moeite, re-integratie van bijstandsmoeders in Maastricht’ afgerond. In dit artikel worden de belangrijkste aanbevelingen aangeboden aan Ahmed Aboutaleb, de staatssecretaris die in het kabinet Balkenende 4 verantwoordelijk is voor WWB, arbeidsmarktbeleid, sociale werkvoorziening en de leer-en werkplicht.
DOCUMENT
Geen samenvatting beschikbaar
DOCUMENT
Tijdschriftartikel over “Kosten en moeite: reïntegratie van bijstandsmoeders in Maastricht – deel 1 bijstandsmoeders”, een onderzoek van de auteur over re-integratie van bijstandsmoeders in Maastricht.
DOCUMENT
"Binnen en buiten detentie zijn verschillende actoren actief om de gedetineerde te helpen bij re-integratie in de samenleving. Zij werken relatief los van elkaar. Reclassering is in het voortraject actief, in het kader van advisering en als er toezicht is opgelegd in het na-traject. In detentie gaan casemanagers met de gedetineerde aan het werk. Zij hebben relatief weinig contact met professionals die buiten detentie al met de gedetineerde hebben gewerkt, zoals de reclassering, of mogelijk zullen gaan werken, zoals gemeenten of zorginstellingen. Dat geldt ook voor gedetineerden. De overgang van binnen naar buiten is daardoor vaak vrij abrupt. Juist de overgang van binnen naar buiten is een kritische fase en een kwetsbaar moment in het proces van stoppen met criminaliteit. Recente beleidsontwikkelingen laten zien dat betrokken organisaties en ook het ministerie van Justitie en Veiligheid de noodzaak voor verbetering onderkennen. In de vernieuwde visie op het reclasseringswerk staat het samenwerken van reclassering met professionals uit het justitie-, zorg- en sociale domein centraal, en onder het motto ‘in de bak aan de bak’ wil reclassering bijdragen aan intensievere samenwerking met gemeenten en het gevangeniswezen. Gedurende twee jaar is door ons onderzoek gedaan naar de wijze waarop Dienst Justitiële Inrichtingen, 3RO (Reclassering Nederland, Stichting Verslavingsreclassering GGZ en Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering)en in sommige experimenten ook gemeenten in deze elf penitentiaire inrichtingen samenwerkten aan het verbeteren van het re-integratieproces voor gedetineerden. In dit artikel beschrijven we de bevindingen van de experimenten."
DOCUMENT
In het kader van het KenVaK/RAAK-project deed een groep onderzoekers in acht verschillende instellingen onderzoek samen met vaktherapeuten uit de praktijk. De vraag was welke interventies door vaktherapeuten worden ingezet bij jeugd die is opgenomen in een justitiële jeugdinrichting of in de gesloten jeugdzorg.
DOCUMENT
Objectives: Participation is considerably restricted in children and adolescents with acquired brain injury (ABI) as compared to their healthy peers. This systematic review aims to identify which factors are associated with participation in children and adolescents with ABI. Methods: A systematic search in Medline and various other electronic databases from January 2001–November 2014 was performed. All clinical studies describing determinants of participation at least 1 year after the diagnosis of ABI by means of one or more pre-defined instruments in patients up to 18 years of age were included. Extracted data included study characteristics, patient characteristics, participation outcome and determinants of participation (categorized into: health conditions (including characteristics of ABI), body functions and structures, activities, personal factors and environmental factors). The methodological quality of the studies was evaluated based on three quality aspects (selection, information and statistical analysis bias) and scored as low, moderate or high. Results: Eight studies using an explicit participation outcome measure were selected after review, including a total of 1863 patients, with a follow-up ranging from 1 up to 288 months. Three studies included patients with a traumatic or a non-traumatic brain injury (TBI or NTBI) and five studies with only TBI patients. Factors consistently found to be associated with more participation restrictions were: greater severity of ABI, impaired motor, cognitive, behavioural and/or sensory functioning, limited accessibility of the physical environmentand worse family functioning. Fewer participation problems were associated with a supportive/nurturing parenting style, higher household income, acceptance and support in the community and availability of special programmes. The overall methodological quality of the included studies was high in two and moderate in six studies. Conclusion: This systematic review shows that only a few, moderate quality, studies on the determinants of participation after paediatric ABI using recommended explicit measurement instruments are available. Various components of the ICF model: health condition, body functions and structures and environmental factors were consistently found to be associated with participation. More methodologically sound studies, using the recommended explicit outcome measures, a standardized set of potential determinants and longterm follow-up are suggested to increase the knowledge on participation in children and youth with ABI.
DOCUMENT
De Hanzehogeschool, Divosa en de Beroepsvereniging voor Klantmanagers (BvK) hebben een standaard voor vakvolwassenheid voor klantmanagers ontwikkeld. De standaard bestaat uit de beschrijving van de primaire taken van de klantmanager en de gevraagde competenties. Hiermee wordt de professionalisering van de re-integratiesector versterkt.
DOCUMENT