Objective reduction of physical activity (PA) during pregnancy is common but undesirable, as it is associated with negative outcomes, including excessive gestational weight gain. Our objective was to explore changes in five types of activity that occurred during pregnancy and the behavioural determinants of the reported changes in PA. Design we performed a secondary analysis of a cross sectional survey that was constructed using the ASE-Model – an approach to identifying the factors that drive behaviour change that focuses on Attitude, Social influence, and self-Efficacy. Participants 455 healthy pregnant women of all gestational ages, receiving prenatal care from midwifery practices in the Netherlands. Findings more than half of our respondents reported a reduction in their PA during pregnancy. The largest reduction occurred in sports and brief rigorous activities, but other types of PA were reduced as well. Reduction of PA was more likely in women who considered themselves as active before pregnancy, women who experienced pregnancy-related barriers, women who were advised to reduce their PA, and multiparous women. Fewer than 5% increased their PA. Motivation to engage in PA was positively associated with enjoying PA. Key conclusions and implications for practice all pregnant women should be informed about the positive effects of staying active and should be encouraged to engage in, or to continue, moderately intensive activities like walking, biking or swimming. Our findings concerning the predictors of PA reduction can be used to develop an evidence-based intervention aimed at encouraging healthy PA during pregnancy.
MULTIFILE
A significant contributor to the global threat of obesity is excessive gestational weight gain (GWG). The aim of this article is to explore Dutch primary care midwives’ behaviors in promoting healthy GWG.
DOCUMENT
Unhealthy gestational weight gain (GWG) contributes to long-term obesity in women and their offspring. The aim of this study is to quantify midwives’ behavior in promoting healthy GWG and to identify the most important determinants related to this behavior.
DOCUMENT
BACKGROUND: lifestyle-related secondary prevention reduces cardiac events and is recommended irrespective of age. However, motivation may be influenced by age and disease progression.OBJECTIVE: to explore older cardiac patients' perspectives toward lifestyle-related secondary prevention after a hospital admission.METHODS: a generic qualitative design was used. Semi-structured interviews were performed with cardiac patients ≥ 70 years within 3 months after a hospital admission. The interview guide was based on the Attitudes, Social influence and self-Efficacy (ASE) model. All interviews were analysed using thematic analysis.RESULTS: eight themes emerged which were linked to the determinants of the ASE-model. The three themes (i) Perspectives are determined by general health and habits, (ii) feeling the threat as a motivator and (iii) balancing between health benefits and quality of life (QoL), were linked to attitude. Regarding social influence, the themes (iv) feeling both encouraged and hindered by family members, and (v) the healthcare professional says so, were identified. For the self-efficacy determinant, (vi) experiences from previous lifestyle changes, (vii) integrating advice in daily life and (viii) feeling limited by functional impairments, emerged as themes.CONCLUSION: most older cardiac patients made no lifestyle modifications after the last hospital admission and balanced possible benefits against their QoL. Functional impairments frequently limit implementation, in particular of physical activity. Patients' preferences and patient-centred outcomes focusing on QoL and functional independence may be the starting point when healthcare professionals discuss lifestyle modification in older patients. The involvement of family members may help patients to integrate lifestyle-related secondary prevention in daily life.
DOCUMENT
Op basis van een cross-sectioneel onderzoek onder deelnemers aan een hardloopevenement worden verschillen tussen snelle en langzame hardlopers onderzocht. Verschillen in motieven voor hardlopen en ervaren belang van app functionaliteiten werden in kaart gebracht. Ook werd gekeken naar verschillen in hun intentie om te blijven hardlopen, hoe apps gebruikt worden en verwachte effecten van app gebruik.
DOCUMENT
De onderzoeksgroep Cybersafety van NHL Stenden Hogeschool in Leeuwarden, heeft in opdracht van het Digital Trust Center (DTC), in kaart gebracht in hoeverre de Basisscan Cyberweerbaarheid leidt tot gedragsverandering bij ondernemers. In totaal zijn achttien ondernemers, variërend qua omvang, bedrijfstak en geografische ligging, betrokken bij het onderzoek. Respondenten zijn daartoe tweemaal geïnterviewd. Het eerste interview was een zogenoemde nulmeting waarin de uitgangssituatie in kaart werd gebracht. Dit betrof ten eerste de mate waarin men aan de vijf door het DTC onderscheiden basisprincipes, zoals het uitvoeren van software-updates en het reguleren van toegang tot systemen, invulling gaf en ten tweede de achterliggende factoren zoals houdingaspecten en omgevingsinvloeden die daaraan ten grondslag liggen. Het tweede interview werd gehouden nadat de respondent de basisscan had ingevuld en stond in het teken van gedragsverandering en de mogelijke wijzigingen in achterliggende factoren.
DOCUMENT
Mensen in een lage sociaaleconomische positie geven de voorkeur aan ondernemend sport- en beweegaanbod ten opzichte van verenigingsaanbod. Uit interviews met sleutelfiguren en in straatinterviews met wijkbewoners blijkt dat er verschillende redenen zijn om voor dit ondernemende aanbod te kiezen, zoals flexibiliteit in tijd en intensiteit, beweegschaamte, gemak en toegankelijkheid. Het onderzoek biedt ook inzichten over het verschil tussen commerciële en sociale ondernemende aanbieders, de invloed van taal en aandacht voor mensen in de meest kwetsbare positie. Het onderzoek biedt inzichten voor beleidsmakers en sportaanbieders om hun aanbod toegankelijk te maken voor mensen in een lage sep. Het verkennende kwalitatieve onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Kenniscentrum Sport en Bewegen en is uitgevoerd in de aandachtswijken Poelenburg in Zaanstad en in Haarlem-oost.
MULTIFILE
In dit rapport worden de resultaten besproken van twee studies die voedseleducatie-interventies op middelbare scholen in Flevoland evalueren. Beide studies hebben gebruik gemaakt van focusgroepen met scholieren. In de eerste studie worden vijf interventies rondom voedsel en gezondheid geëvalueerd, in de tweede studie is onderzocht hoe de leerlingen aankijken tegen de eiwittransitie en of een interventie rondom de veldboon die houding beïnvloedt.
DOCUMENT
Gezondheidsproblemen, zoals overgewicht, roken en diabetes komen veelvuldig voor in de Nederlandse samenleving. Om het aantal gezondheidsproblemen terug te dringen is er in de afgelopen jaren gekozen voor een leefstijlbenadering. In een leefstijlbenadering staat niet één punt centraal dat moet veranderen aan het ongewenste gedrag (bijvoorbeeld stoppen met roken), maar een complex van gedragingen en gewoonten. Wanneer er veranderingen optreden zijn deze een krachtigere voorspeller van uiteindelijke gezondheidseffecten, dan veranderingen die het gevolg zijn van een enkelvoudige benadering. Het bewerkstelligen van deze veranderingen lijkt echter moeilijker. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zet daarom verschillende maatregelen in om de leefstijl van de Nederlandse bevolking te veranderen. Eén van de middelen is het subsidiëren van campagnes waarin de (ongezonde) leefstijl centraal staat. Deze 'leefstijlcampagnes' hebben tot doel om de Nederlandse bevolking bewust te maken van de gezondheidsnorm en het aanzetten tot een gezonder leefpatroon. Of deze campagnes effect sorteren in de samenleving wordt in grote mate bepaald door de keuzes die gemaakt zijn tijdens de ontwikkeling ervan. Hierbij gaat het dan niet zozeer om waar het campagneteam voor kiest, maar het waarom van de keuze. Keuzes dienen idealiter niet alleen gebaseerd te worden op (praktijk)ervaring en intuïtie, maar ook op wetenschappelijke theorieën. Het gebruik van theorieën wordt in de praktijk echter vaak als iets lastigs ervaren, zoals een respondent in dit onderzoek het verwoordde: 'Je hebt een soort water en olie naast elkaar, dat mengt niet vanzelf'.
DOCUMENT
Background: In general people after stroke do not meet the recommendations for physical activity to conduct a healthy lifestyle. Programs to stimulate walking activity to increase physical activity are based on the available insights into barriers and facilitators to physical activity after stroke. However, these programs are not entirely successful. The purpose of this study was to comprehensively explore perceived barriers and facilitators to outdoor walking using a model of integrated biomedical and behavioral theory, the Physical Activity for people with a Disability model (PAD). Methods: Included were community dwelling respondents after stroke, classified ≥ 3 at the Functional Ambulation Categories (FAC), purposively sampled regarding the use of healthcare. The data was collected triangulating in a multi-methods approach, i.e. semi-structured, structured and focus-group interviews. A primarily deductive thematic content analysis using the PAD-model in a framework-analysis’ approach was conducted after verbatim transcription. Results: 36 respondents (FAC 3–5) participated in 16 semi-structured interviews, eight structured interviews and two focus-group interviews. The data from the interviews covered all domains of the PAD model. Intention, ability and opportunity determined outdoor walking activity. Personal factors determined the intention to walk outdoors, e.g. negative social influence, resulting from restrictive caregivers in the social environment, low self-efficacy influenced by physical environment, and also negative attitude towards physical activity. Walking ability was influenced by loss of balance and reduced walking distance and by impairments of motor control, cognition and aerobic capacity as well as fatigue. Opportunities arising from household responsibilities and lively social constructs facilitated outdoor walking. Conclusion: To stimulate outdoor walking activity, it seems important to influence the intention by addressing social influence, self-efficacy and attitude towards physical activity in the development of efficient interventions. At the same time, improvement of walking ability and creation of opportunity should be considered
DOCUMENT