Background: Currently, the Ponseti method is the gold standard for treatment of clubfeet. For long-term func- tional evaluation of this method, gait analysis can be performed. Previous studies have assessed gait differences between Ponseti treated clubfeet and healthy controls. Research question/purpose: The aims of this systematic review were to compare the gait kinetics of Ponseti treated clubfeet with healthy controls and to compare the gait kinetics between clubfoot patients treated with the Ponseti method or surgically. Methods: A systematic search was performed in Embase, Medline Ovid, Web of Science, Scopus, Cochrane, Cinahl ebsco, and Google scholar, for studies reporting on gait kinetics in children with clubfeet treated with the Ponseti method. Studies were excluded if they only used EMG or pedobarography. Data were extracted and a risk of bias was assessed. Meta-analyses and qualitative analyses were performed. Results: Nine studies were included, of which five were included in the meta-analyses. The meta-analyses showed that ankle plantarflexor moment (95% CI -0.25 to -0.19) and ankle power (95% CI -0.89 to -0.60, were significantly lower in the Ponseti treated clubfeet compared to the healthy controls. No significant difference was found in ankle dorsiflexor and plantarflexor moment, and ankle power between clubfeet treated with surgery compared to the Ponseti method. Significance: Differences in gait kinetics are present when comparing Ponseti treated clubfeet with healthy controls. However, there is no significant difference between surgically and Ponseti treated clubfeet. These results give more insight in the possibilities of improving the gait pattern of patients treated for clubfeet.
ObjectivesOsteoarthritis (OA) of the foot-ankle complex is understudied. Understanding determinants of pain and activity limitations is necessary to improve management of foot OA. The aim of the present study was to investigate demographic, foot-specific and comorbidity-related factors associated with pain and activity limitations in patients with foot OA.MethodsThis exploratory cross-sectional study included 75 patients with OA of the foot and/or ankle joints. Demographic and clinical data were collected with questionnaires and by clinical examination. The outcome variables of pain and activity limitations were measured using the Foot Function Index (FFI). Potential determinants were categorized into demographic factors (e.g., age, sex), foot-specific factors (e.g., plantar pressure and gait parameters), and comorbidity-related factors (e.g., type and amount of comorbid diseases). Multivariable regression analyses with backward selection (p-out≥0.05) were performed in two steps, leading to a final model.ResultsOf all potential determinants, nine factors were selected in the first step. Five of these factors were retained in the second step (final model): female sex, pain located in the hindfoot, higher body mass index (BMI), neurological comorbidity, and Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS) score were positively associated with the FFI score. The explained variance (R2) for the final model was 0.580 (adjusted R2 = 0.549).ConclusionFemale sex, pain located in the hindfoot, higher BMI, neurological comorbidity and greater psychological distress were independently associated with a higher level of foot-related pain and activity limitations. By addressing these factors in the management of foot OA, pain and activity limitations may be reduced.
Ankle Foot Orthoses (AFOs) to promote walking ability are a common treatment in patients with neurological or muscular diseases. However, guidelines on the prescription of AFOs are currently based on a low level of evidence regarding their efficacy. Recent studies aiming to demonstrate the efficacy of wearing an AFO in respect to walking ability are not always conclusive. In this paper it is argued to recognize two levels of evidence related to the ICF levels. Activity level evidence expresses the gain in walking ability for the patient, while mechanical evidence expresses the correct functioning of the AFO. Used in combination for the purpose of evaluating the efficacy of orthotic treatment, a conjunct improvement at both levels reinforces the treatment algorithm that is used. Conversely, conflicting outcomes will challenge current treatment algorithms and the supposed working mechanism of the AFO. A treatment algorithm must use relevant information as an input, derived from measurements with a high precision. Its result will be a specific AFO that matches the patient's needs, specified by the mechanical characterization of the AFO footwear combination. It is concluded that research on the efficacy of AFOs should use parameters from two levels of evidence, to prove the efficacy of a treatment algorithm, i.e., how to prescribe a well-matched AFO.
Kinderen met motorische beperkingen (bijv. door DCD, hersenbeschadiging of Spina Bifida) ervaren veel belemmeringen in schoolse participatie (schoolse taken), zoals schrijven, taal, rekenen, meespelen, zelfstandig aankleden, knippen, en gymmen. Zij kunnen moeilijker meedoen aan schoolse taken vanwege hun motorische onhandigheid, vaak gekoppeld aan gedragsproblematiek. Het rapport ‘Ketenafspraken zorg in en om school’ beveelt een integrale benadering en samenwerking aan tussen zorg en onderwijs om schoolse participatie van kinderen met een motorische beperking (en andere kinderen) te bevorderen. Het Partnering for Change model (P4C) wordt door deelnemers van de leergemeenschap Kind en Jeugd Zuyd gezien als een raamwerk dat kan helpen bij het vormgeven van de samenwerking tussen zorgprofessionals en leerkrachten. Over de toepasbaarheid van P4C in het Nederlandse onderwijs en de betekenis ervan voor de dagelijkse praktijk is nog weinig bekend. De basisschool de kleine Wereld zou een eerste verkenning willen doen met het P4C model om te bezien hoe hanteerbaar de aanpak is in de praktijk en welke meerwaarde het heeft voor verandering van competenties van zowel leerkrachten als ergotherapeuten en op de schoolse participatie van kinderen met en zonder beperkingen.
In dit project wordt praktijkgericht onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop Nederlandse mkb-ondernemingen toegang kunnen krijgen tot ketenfinanciering. Ketenfinanciering (ook ?Supply Chain Finance? genoemd) omvat een scala aan financieringsoplossingen, waarmee werkkapitaal gecreëerd wordt. Sinds de financiële crisis is werkkapitaalfinanciering voor veel mkb?ers problematisch geworden. De oorzaak ligt in moeilijke toegang tot bankleningen in combinatie met verlengde betaaltermijnen van afnemers. Ketenfinanciering is een alternatieve financieringsvorm waarin leveranciers in de keten gebruik maken van de kredietwaardigheid van een sterkere afnemer. Het is echter nog vooral een oplossing die afnemers aanbieden aan hun grootste en meest strategische leveranciers. De leveranciers in het mkb worden nog niet bereikt, terwijl verspreiding naar het mkb miljarden euro?s aan liquiditeit kan vrijmaken. De doelstelling is dan ook om de liquiditeitspositie van Nederlands mkb te versterken door met onderzoek bij te dragen aan het vergemakkelijken van toegang tot ketenfinanciering. Het onderzoek voorziet hiermee in een nadrukkelijk aanwezige maatschappelijke behoefte. Daarnaast wordt voorzien in een wetenschappelijke behoefte, omdat ketenfinanciering een relatief nieuw veld is waarin empirische data schaars zijn. De nadruk ligt op wat het mkb zelf kan doen om toegang tot ketenfinanciering te krijgen. Onderzocht wordt welke ketenfinancieringsinstrumenten voor deelnemende mkb?ers het meest geschikt zijn, wat criteria zijn waar mkb?ers aan moeten voldoen, hoe een goed interventieplan er uitziet om aan die criteria te voldoen en hoe uiteindelijk succesvolle implementatie er uitziet. De belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn een set van tools voor en door mkb?ers die concrete handvatten geven voor implementatie van ketenfinanciering en de interventies die hiervoor nodig zijn. Het onderzoek resulteert daarnaast in een trainingsprogramma voor mkb?ers en inzichten die direct in onderwijs kunnen worden toegepast.