The qualities and availability of different video formats offer many opportunities within the context of Higher Education (Hansch et al., 2015; Johnson et al., 2016; van Huystee, 2016). There is a shift within Higher Education to transition from the traditional face to face approach, to a more ‘blended’ approach in which face to face and online delivery of content are blended (Bates, 2015). More delivery of content is now provided online in video format, viewed before the class, as part of a flipped classroom (Bishop & Verleger, 2013; Yousef, Chatti, & Schroeder, 2014) and this is impacting the traditional role of the lecturer from ‘sage on the stage’, to ‘guide on the side’ (Tapscott, 2009). When creating video, a lecturer needs to have an understanding of the particular pedagogic affordances of the different types of video (Koumi, 2014; Thomson, Bridgstock, & Willems, 2014) and to know how to implement and embed these effectively into the teaching environment as part of a blended approach (Dankbaar, Haring, Moes, & van Hees, 2016; Fransen, 2006; Woolfitt, 2015). There needs to be awareness of how to embed the video from a didactic perspective to create meaningful learning (Karppinen, 2005) and an understanding of some of the financial and technical issues which include the relationship between cost of video production and the user experience (Hansch et al., 2015) and creating the correct combination of multimedia visual and audio elements (Colvin Clark & Mayer, 2011). As the role of the lecturer changes, there are a number of challenges when navigating through this changing educational environment. Massive Open Online Courses (MOOCs) provide lots of data for analysis and research shows that students in this environment stop watching videos after about six minutes (Guo, Kim, & Rubin, 2014) and that the most common video style used in MOOCs was the talking head with Power Point (Reutemann, 2016). Further research needs to be conducted regarding student preferences of video styles and correlation between video styles and course drop-out rates. As part of its research, the Inholland research group ‘Teaching, Learning and Technology’ (TLT) examines the use of ICT and video to support teaching and learning within Inholland. In 2015-2016, several pioneers (Fransen, 2013) working at Inholland explored different approaches to using video to support the teaching and learning process within a number of educational environments. TLT supported the pioneers in establishing their role within their faculty, creating a framework within which the pioneer can design the video intervention, collecting data and reflecting on what was learned through this process. With some of the projects, a more formal research process was followed and a full research report could be compiled. In other cases, the pioneer took a more exploratory and experimental approach. In these cases, the pioneer may not have conducted the video intervention under a formal research framework. However, during this process the pioneer may have uncovered interesting and valuable practical examples that can inspire and be shared with other educators. This current report falls under the category Research Type 3 as defined by TLT. It describes and assesses an ICT application (in this case, video) in order to share the original approach that could have high potential to be implemented in a broader educational context.
Studium Generale https://youtu.be/jz8S0R7t7kM De effecten van een interventie op de ontwikkeling zijn nooit op voorhand te voorspellen. Enkele weken geleden hebben we hier in een serie van 4 blogs over dynamische systeem theorie (DST) bij stil gestaan. Slechts binnen bepaalde grenzen geldt dat bijvoorbeeld meer licht of voeding leidt tot meer groei, of dat meer aandacht of stress leidt tot betere prestaties of concentratie. Slechts dan is er sprake van een lineaire relatie tussen de onafhankelijke variabele (licht, voeding, aandacht) en de afhankelijke variabele (ontwikkeling, groei, prestaties). Maar wanneer de ene systeemtoestand overgaat in de andere (wanneer water ijs wordt bij het lineair afkoelen, of de draf overgaat in galop bij het lineair versnellen), valt niet te voorspellen. Wel kan het bij herhaling op grond van empirische ervaring worden vastgesteld. Op grond van ervaring kan het dan worden beschreven. Zo’n beschrijving is geen verklaring, maar kan als voorspelling zeker heel nauwkeurig zijn...
MULTIFILE
Deze publicatie steunt in grote mate op twee onderzoeksprojecten die de afgelopen anderhalf jaar zijn uitgevoerd. Het eerste onderzoeksproject betreft het onderzoek naar Web 2.0 als leermiddel dat in opdracht van Kennisnet is uitgevoerd door BMC en het lectoraat Crossmedia Content van de Faculteit Communicatie en Journalistiek Hogeschool Utrecht. De doelstelling van het onderzoek was inzicht te verkrijgen in het gebruik en de opbrengsten van informele leermiddelen en de toepassing van Web 2.0 voor leren door leerlingen voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Het onderzoek was een aanvulling op voorafgaand onderzoek naar informele leermiddelen en Web 2.0 in het onderwijs vanuit het perspectief van de docent en de onderwijsorganisatie (Onstenk, 2007). Een samenvatting van de belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd door Kennisnet (Kanters & Van Vliet, 2009). Voor dit cahier Wijs met Media is teruggegrepen op het onderliggende onderzoeksrapport en is aanvullend literatuuronderzoek gedaan. Het tweede onderzoeksproject dat ten grondslag ligt aan deze publicatie is het project Cultuurwijsheid. Dit project is uitgevoerd door een breed consortium van kennisinstellingen (Hogeschool Edith Stein, Hogeschool Utrecht), cultureel erfgoed instellingen en science centra (TwentseWelle, Universiteitsmuseum Utrecht, Naturalis, Museon en andere), onderzoeksinstellingen (Novay), intermediairs (BMC) en basisscholen, in het kader van de RAAK-Publiek subsidieregeling. Uitgangspunt voor dit project was de stelling dat cultureel erfgoed bij uitstek geschikt is als duiding van een complexe wereld door (historische) context te bieden aan (actuele) gebeurtenissen.
Nederland wil in 2050 circulair zijn. Dat vraagt een ongekende transitie in de wijze waarop onze samenleving onderneemt, samenwerkt, denkt en doet. Stedelijke regio’s zijn de geijkte plek om een transitie naar een circulaire economie in gang te zetten door hun dichte concentratie van kennis, kapitaal, data en resources op een relatief klein oppervlak. De baten die deze transitie oplevert zullen vooral in deze regio’s merkbaar zijn: minder verspilling, luchtvervuiling en CO2-uitstoot, meer economische waarde en sociale impact. CIRCOLLAB richt zich op het versterken van interdisciplinair praktijkgericht onderzoek voor de circulaire transitie in de metropoolregio Amsterdam (MRA). De SPRONG-groep bestaat uit lectoraten van de Centres of Expertise Urban Technology en Urban Governance & Social Innovation en de Faculteit Digitale Media en Creatieve Industrie van de Hogeschool van Amsterdam, Kenniscentrum Maatschappelijke Innovatie Flevoland van Hogeschool Windesheim en de Academie van Bouwkunst van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. De SPRONG-groep combineert expertise vanuit het technologische, creatieve, economische en sociale domein en verricht praktijkgericht onderzoek naar ‘circulair denken en doen’, ‘circulair ondernemen’, ‘circulair menselijk kapitaal’ en ‘circulair samenwerken’ in relatie tot technische innovaties in twee waardeketens: de gebouwde omgeving en consumptiegoederen. De SPRONG-groep ontwikkelt, samen met actoren in de quadruple helix, een regionale infrastructuur voor inventariseren en prioriteren van onderzoeksbehoeften en het programmeren, opbouwen en uitwisselen van kennis. Hierbij worden kennis en ervaringen uit circulaire initiatieven, experimenten, onderzoek en onderwijs aan elkaar en aan fysieke experimenteerruimtes verbonden, om gezamenlijk van te leren, kennis te delen en op te schalen. Zo ontstaat een krachtige interdisciplinaire SPRONGgroep met de ambitie om het consortium uit te laten groeien tot dé regionale spil op het gebied van de circulaire transitie in grootstedelijke regio’s en een erkende (inter)nationale speler voor kennisuitwisseling en -opbouw op dit onderwerp.
Ondanks het feit dat de luchtvervuiling in verloop van de jaren in Europa is teruggebracht, overschrijden de fijnstofconcentraties en stikstof gerelateerde verbindingen nog altijd de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie. Op het moment is veel aandacht voor het reduceren van de uitstoot van fijnstof door het wegverkeer in Nederland en Duitsland. Nationale en Europese overheden hebben ingezet op twee routes om uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide te verminderen. Ten eerste wil men luchtverontreiniging preventief reduceren bij de bron. Een voorbeeld is het verbieden van het rijden met vervuilende auto’s in steden, het verlagen van maximale snelheden op wegen en het terugbrengen van het vee op boerderijen. De tweede route is het reinigen van fijnstof uit de lucht met behulp van mechanische, chemische en natuurlijke technieken. Op dit moment bestaan er echter geen energiezuinige methoden die significant bijdragen aan het reinigen van schadelijke stoffen uit de lucht. Micro-organismen bieden interessante mogelijkheden voor een energiezuinige vermindering van schadelijke stoffen op basis van bioremediation principes. Het doel van dit onderzoek is om potentiële mogelijkheden te verkennen om luchtverontreinigende stoffen door middel van micro-organismen te verminderen.
Nauwkeurige en snelle detectie van verontreinigingen in voedselproducten is een noodzakelijk maar vaak lastig en technisch ingewikkeld proces. Huidige gouden standaard methoden zijn vooral gebaseerd op nauwkeurige maar dure lab technieken die verontreinigingen kunnen detecteren in verschillende samples. Snellere en goedkopere beschikbare alternatieve technieken bestaan veelal uit dipstick methoden die onvoldoende nauwkeurig zijn en slechts één stof kunnen detecteren. De recente fipronil-affaire laat nogmaals zien dat, ondanks de enorme technologische vooruitgang in detectie technologie, er nog steeds een grote behoefte is aan goedkope, snelle en betrouwbare tests voor het routinematige screenen van voedselproducten. De zuivelindustrie is zeer geïnteresseerd in een snelle, handzame en kosten-effectieve methode om verontreinigingen zoals antibiotica en bacteriën in melk, wei en babyvoeding te detecteren, omdat de huidige standaard detectie methoden, die zij gebruiken, duur en zeer tijds- en arbeids-intensief zijn. Het duurt meestal uren tot dagen voordat een betrouwbaar resultaat is verkregen. Een snellere analyse van de melk bespaart enorme kosten die nu gemaakt worden met het vernietigen van grote hoeveelheden melk (waar sporen van antibiotica worden gevonden) als gevolg van de late beschikbare uitslag. Daarnaast resulteert een snellere analyse in een snellere vrijgave voor de distributie van melkproducten en draagt zo bij tot directe besparingen in operationele kosten. In samenwerking met een aantal MKB-bedrijven en andere relevante partners zal Saxion in dit project een draagbare demonstrator realiseren voor snelle, handzame en multiplexe detectie van antibiotica zoals tetracyclines in melk, gebaseerd op een multikanaals fotonische sensor prototype.. Verschillende bestaande innovatieve technologieën zoals lab-on-a-chip, microfluidica, inkjet-printing en geïntegreerde fotonische sensoren zullen in een demonstrator geïntegreerd worden om het gestelde doel te bereiken. De draagbare demonstrator is een eerste stap richting een handheld device dat in staat is om ter plaatse, zoals bij melkveehouderijen en melkfabrieken, antibiotica in melk snel en nauwkeurig te kunnen detecteren.