Like most ocean regions today, the European and contiguous seas experience cumulative impacts from local human activities and global pressures. They are largely in poor environmental condition with deteriorating trends. Despite several success stories, European policies for marine conservation fall short of being effective. Acknowledging the challenges for marine conservation, a 4-year multi-national network, MarCons, supported collaborative marine conservation efforts to bridge the gap between science, management and policy, aiming to contribute in reversing present negative trends. By consolidating a large network of more than 100 scientists from 26 countries, and conducting a series of workshops over 4 years (2016–2020), MarCons analyzed challenges, opportunities and obstacles for advancing marine conservation in the European and contiguous seas. Here, we synthesize the major issues that emerged from this analysis and make 12 key recommendations for policy makers, marine managers, and researchers. To increase the effectiveness of marine conservation planning, we recommend (1) designing coherent networks of marine protected areas (MPAs) in the framework of marine spatial planning (MSP) and applying systematic conservation planning principles, including re-evaluation of existing management zones, (2) designing MPA networks within a broader transboundary planning framework, and (3) implementing integrated land-freshwater-sea approaches. To address inadequate or poorly informed management, we recommend (4) developing and implementing adaptive management plans in all sites of the Natura 2000 European conservation network and revising the Natura 2000 framework, (5) embedding and implementing cumulative effects assessments into a risk management process and making them operational, and (6) promoting actions to reach ‘good environmental status’ in all European waters. To account for global change in conservation planning and management, we further recommend (7) developing conservation strategies to address the impacts of global change, for example identifying climate-change refugia as high priority conservation areas, and (8) incorporating biological invasions in conservation plans and prioritizing management actions to control invasive species. Finally, to improve current practices that may compromise the effectiveness of conservation actions, we recommend (9) reinforcing the collection of high-quality open-access data, (10) improving mechanisms for public participation in MPA planning and management, (11) prioritizing conservation goals in full collaboration with stakeholders, and (12) addressing gender inequality in marine sciences and conservation.
MULTIFILE
MULTIFILE
De ontwikkelingen in de Arabische regio gaan momenteel erg snel, waardoor sommige informatie in dit rapport bij het lezen mogelijk al is achterhaald door de actualiteit. De AIV meent dat de politieke omwentelingen in de Arabische regio belangrijke kansen bieden voor een betere, meer op rechtsstaat en democratie gerichte omgang van westerse landen met autocratische regimes die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van mensenrechten. Weliswaar nopen zwaarwegende geopolitieke belangen tot het onderhouden van diplomatieke betrekkingen met autocratische regimes, maar dialoog en (beperkte) samenwerking op regeringsniveau mogen niet ten koste gaan van de ondersteuning van hervormingsgezinden en het maatschappelijk middenveld in die landen. Teveel hebben westerse regeringen zich in het verleden geïdentificeerd met autoritaire regimes, op basis van de onjuist gebleken veronderstelling dat dergelijke regimes voor politieke stabiliteit zouden kunnen zorgen. Ook nu is er het gevaar dat het beleid van westerse landen wordt beheerst door een taxatie van de overlevingskansen van een autocratisch regime, los van de vraag wat in het belang is van respectering van de rechten van de mens en de democratische en sociaaleconomische aspiraties van de bevolking. De AIV is van oordeel dat de Nederlandse regering zich niet moet laten gijzelen door de angst dat radicale islamitische groeperingen een greep naar de macht doen. De kans daarop neemt eerder toe dan af door een politiek van – al dan niet heimelijke – steun aan regimes die blijvend vervreemd zijn geraakt van de legitieme eisen van de burgers in de Arabische samenlevingen. De AIV concludeert dat de recente ontwikkelingen in Tunesië, Egypte en andere Arabische landen het belang onderstrepen van een gerichte versterking van het maatschappelijk middenveld (politieke partijen, maatschappelijke organisaties en vakbonden). De opbouw van een krachtig maatschappelijk middenveld vergt een lange adem, maar sorteert uiteindelijk het meeste effect bij het bevorderen van vrijheid, gerechtigheid en democratie. De AIV merkt op dat zowel Nederland als de EU reeds beschikken over passende beleidsinstrumenten ter versterking van de civil society. Echter, vooral de EU heeft in het recente verleden verzuimd de instrumenten uit het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) op de juiste wijze toe te passen. Zo heeft de Unie in de politieke dialoog met zuidelijke buurstaten onvoldoende nadruk gelegd op de onvolkomenheden (of zelfs afwezigheid) van de rechtsstaat en de ontwikkeling van een onafhankelijke particuliere sector die gevrijwaard is van politieke beïnvloeding. De opkomst van hervormingsbewegingen in verschillende Arabische landen verschaft de EU nieuwe kansen. Nederland beschikt met het Mensenrechtenfonds en het Fonds Ontwikkeling Pluriformiteit en Participatie in islamitische landen over passende bilaterale hulpinstrumenten waarmee een stem gegeven kan worden aan maatschappelijke organisaties die het huidige transitieproces in de Arabische regio kunnen dragen. De AIV meent echter dat investeringen in additionele expertise en analysecapaciteit noodzakelijk zijn om de regering goed te kunnen adviseren over mogelijke Nederlandse bijdragen aan versterking van de civil society in de Arabische regio. Voldoende analysecapaciteit op ambassades in de regio en nauwere samenwerking van de regering met (Nederlandse) NGO’s, instellingen voor capaciteitsopbouw van politieke partijen en de vakbeweging zijn het meest doelmatig om in deze behoefte aan expertise en analysecapaciteit te voorzien [tot besluit - conclusie van een rapport uitgebracht door commissie onder voorzitterschap van F. Korthals Altes]