This study evaluates the concurrent validity of five malnutrition screening tools to identify older hospitalized patients against the Global Leadership Initiative on Malnutrition (GLIM) diagnostic criteria as limited evidence is available. The screening tools Short Nutritional Assessment Questionnaire (SNAQ), Malnutrition Universal Screening Tool (MUST), Malnutrition Screening Tool (MST), Mini Nutritional Assessment—Short Form (MNA-SF), and the Patient-Generated Subjective Global Assessment—Short Form (PG-SGA-SF) with cut-offs for both malnutrition (conservative) and moderate malnutrition or risk of malnutrition (liberal) were used. The concurrent validity was determined by the sensitivity, specificity, positive predictive value (PPV), negative predictive value (NPV), and the level of agreement by Cohen’s kappa. In total, 356 patients were included in the analyses (median age 70 y (IQR 63–77); 54% male). The prevalence of malnutrition according to the GLIM criteria without prior screening was 42%. The conservative cut-offs showed a low-to-moderate sensitivity (32–68%) and moderate-to-high specificity (61–98%). The PPV and NPV ranged from 59 to 94% and 67–86%, respectively. The Cohen’s kappa showed poor agreement (k = 0.21–0.59). The liberal cut-offs displayed a moderate-to-high sensitivity (66–89%) and a low-to-high specificity (46–95%). The agreement was fair to good (k = 0.33–0.75). The currently used screening tools vary in their capacity to identify hospitalized older patients with malnutrition. The screening process in the GLIM framework requires further consideration.
Ageing potentially poses a threat to independent functioning of older adults. Although clinicians commonly focus on physical factors limiting Functional Independence (FI), it is likely that personal and environmental interactions also seem important to maintain FI. Herewith, FI exceeds several professional borders and calls for a uniform, multidisciplinary interdisciplinary supported definition of FI. This study aims to provide such a definition of FI in community dwelling older people. A scoping review was performed. Pubmed/Medline, Psychinfo and CINAHL were searched for studies describing aspects of FI. A literature-based definition of FI was discussed by experts (n = 7), resulting in a formulated final definition of FI and insight into contributing factors to FI. A multidisciplinairy focusgroup a stakeholder consultation (n = 15) ensured clinical relevance for daily practice. Data from the focusgroup stakeholder consultation were analyzed by using Atlas.ti (version 8). Based on the literature search, 25 studies were included. FI was finally defined as “Functioning physically safely and independent from another person, within one’s own context”. The contributing factors of FI comprised physical capacity combined with coping, empowerment and health literacy. Moreover, the level of FI is influenced by someone’s own context. This study confirms the relevance of the physical aspect of FI, but additionally stresses the importance of psychological factors. In addition, this study shows that one’s context may affect the level of FI as well. This underlines the importance of a holistic view and calls for multidisciplinary interdisciplinary collaboration in community-dwelling older people.
LINK
INTRODUCTION: Sufficient high quality dietary protein intake is required to prevent or treat sarcopenia in elderly people. Therefore, the intake of specific protein sources as well as their timing of intake are important to improve dietary protein intake in elderly people.OBJECTIVES: to assess the consumption of protein sources as well as the distribution of protein sources over the day in community-dwelling, frail and institutionalized elderly people.METHODS: Habitual dietary intake was evaluated using 2- and 3-day food records collected from various studies involving 739 community-dwelling, 321 frail and 219 institutionalized elderly people.RESULTS: Daily protein intake averaged 71 ± 18 g/day in community-dwelling, 71 ± 20 g/day in frail and 58 ± 16 g/day in institutionalized elderly people and accounted for 16% ± 3%, 16% ± 3% and 17% ± 3% of their energy intake, respectively. Dietary protein intake ranged from 10 to 12 g at breakfast, 15 to 23 g at lunch and 24 to 31 g at dinner contributing together over 80% of daily protein intake. The majority of dietary protein consumed originated from animal sources (≥60%) with meat and dairy as dominant sources. Thus, 40% of the protein intake in community-dwelling, 37% in frail and 29% in institutionalized elderly originated from plant based protein sources with bread as the principle source. Plant based proteins contributed for >50% of protein intake at breakfast and between 34% and 37% at lunch, with bread as the main source. During dinner, >70% of the protein intake originated from animal protein, with meat as the dominant source.CONCLUSION: Daily protein intake in these older populations is mainly (>80%) provided by the three main meals, with most protein consumed during dinner. More than 60% of daily protein intake consumed is of animal origin, with plant based protein sources representing nearly 40% of total protein consumed. During dinner, >70% of the protein intake originated from animal protein, while during breakfast and lunch a large proportion of protein is derived from plant based protein sources.
Massafabricage in de (MKB) maakindustrie is aan het veranderen in flexibele fabricage en assemblage van kleine series, klantspecifieke onderdelen en eindproducten. Hiervoor zijn nieuwe systemen voor het MKB nodig, waarin robots en mensen samen kunnen werken en die zich snel kunnen aanpassen aan nieuwe productieomstandigheden met lage opstartkosten. De ambitie van het project ?(G)een Moer Aan!? is om het herconfigureren van een robotsysteem voor een nieuwe taak in een productieomgeving net zo eenvoudig en snel te maken als het gebruik van een smartphone. Zo?n benadering biedt kansen om de skills van de operator te benutten. De operator kent immers zijn processen en de robot wordt zijn hulpje. Op vraag van betrokken mkb partners is de focus gelegd op een repeterende productiehandeling die in veel sectoren voorkomt en die relatief veel arbeidstijd kost: het indraaien van moeren en bouten in een object. De centrale onderzoeksvraag van het project luidt: Hoe kan een operator een robot eenvoudig, snel en veilig inleren om assemblage handelingen te verrichten voor het snel en robuust verbinden van bouten, moeren en ringen met objecten? Resultaat van dit praktijkgerichte onderzoeksproject is een algemeen bruikbare en gevalideerde ontwerpmethodiek voor de opzet van een gebruiksvriendelijke user interface van een boutmontagerobot op de werkvloer. Door slim gebruik van geïntegreerde inzet van CAD productinformatie, vision technologie en compliant (meegaand) gripping en placing wordt de robot zo veel als mogelijk vooraf automatisch geconfigureerd. Het projectconsortium dat het onderzoek gaat uitvoeren bestaat uit: " 13 bedrijven (12 mkb) actief als toeleverancier, system integrator of gebruiker op het terrein van industriële robotica (Yaskawa, ABB, Smart Robotics, Hupico, Festo, CSi, Demcon, Heemskerk Innovate, WWA, Van Schijndel Metaal, Van Beek, Tegema en Zest Innovate); " Hogescholen Fontys (penvoerder), Avans, Utrecht en NHL; " Kennisinstellingen TNO en DIFFER; " Coöperaties Brainport Industries, FEDA en Koninklijke Metaalunie; " De gemeente Eindhoven is betrokken als partner in de klankbordgroep. De gemeente ondersteunt het belang van dit project voor behoud en verbetering van arbeidsplaatsen in de maakindustrie. Er zullen circa 20 (docent)onderzoekers van de hogescholen en ongeveer 80 studenten betrokken worden bij dit project, die in de vorm van stages en afstudeeronderzoeken werken aan interessante vraagstukken direct afkomstig uit de beroepspraktijk. Naast genoemde meerwaarde voor het bedrijfsleven beoogt het project een verdere verankering van kennis en kunde in onderwijs en lectoraten en een vergroting van de kwaliteit van docenten en afstudeerders.
Een vraagarticulatieproces met projectmanagers en -leiders uit private en Triple-Helix organisaties laat zien dat zij behoefte hebben aan tools voor: 1. Het bepalen van de juiste incentives om stakeholders actief te betrekken in multi-sector collaboratieve innovatieprojecten (verder verwezen als innovatieprojecten), en 2. Het concreet, transparant en op één lijn te krijgen van de belangen van de partners. Vandaar dat dit project betreft het doorontwikkelen van het Degrees of Engagement diagram (DoE-diagram), een tool voor het managen van stakeholder engagement in innovatieprojecten voor het behalen van de maatschappelijke opgaven. Hiermee sluit het project aan bij de programmalijn ‘rollen, belangen en coördinatie’ van de Kennis en Innovatieagenda van de missie Maatschappelijke Verdienvermogen- thema’s Klimaat & Energie en Circulaire economie. Het consortium bestaat uit de Hogeschool van Amsterdam (HvA), KplusV en Amsterdam Smart City (ASC). De HvA ontwikkelde het DoE-diagram. Voor het identificeren van stakeholders bevat het DoE-diagram attributen op project- en organisatieniveau. In dit project wordt het DoE doorontwikkeld door onderzoek te doen naar: 1. De attributen op individuniveau en potentiele nieuwe attributen op project- en organisatieniveau, 2. De mate waarin deze attributen invloed hebben op het bepalen van de passende incentives, de concretisering van de partnerbelangen en al dan niet succesvolle verloop van innovatieprojecten, 3. Een verkenning van een digitale versie van het DoE voor het managen van in- en uitstappen van partners. Hiermee beoogt het project twee doelen: 1. Inzicht verkrijgen in stakeholderconfiguraties voor het ondersteunen van beslissingen met betrekking tot stakeholder-engagement, 2. Bouwen van een consortium van partijen die vervolg aan het project gaan geven door longitudinaal onderzoek te doen naar de inzet van de uitbreiding van het DoE-diagram en het maken van een werkend prototype en testen van de digitale versie ervan.
Klimaatverandering en het opraken van eindige voorraden materialen worden gezien als de grote maatschappelijke uitdagingen van onze tijd. Eén van de manieren om deze uitdagingen het hoofd te bieden is het gebruiken van biobased materialen - materialen die door de natuur worden voortgebracht, en die na gebruik weer terug kunnen worden gebracht in de natuur. Zo worden er ook in de bouw steeds vaker biobased materialen toegepast. Producenten van biobased isolatiematerialen zoeken kwantitatieve kennis over de waarde van hun materialen in termen van energieverbruik, duurzaamheid en comfort. Kunnen hun materialen bijdragen aan een verdere verlaging van de energievraag van woningen? Aan het verduurzamen van gebouwen? Kunnen de materialen zorgen voor een beter comfort in de woning? En hoe moeten hun materialen dan gebruikt worden? Internationale onderzoeken laten zien dat biobased isolatiematerialen toegevoegde waarde kunnen hebben, doordat zij beschikken over ‘thermohygrische’ eigenschappen. De materialen kunnen vocht vasthouden én weer vrij laten komen. Maar hoe zit dat als ze zijn toegepast in een hele gevel, in de Nederlandse bouwwijze? Hoe verhouden deze eigenschappen zich tot dampopen of dampdicht bouwen? Hierover is nauwelijks gevalideerde kennis beschikbaar. De reguliere normen en voorschriften voor het ontwerpen en realiseren van woningen houden hier geen rekening mee. Bio-Iso wil deze kennis ontwikkelen. Centraal staat het ontwerpen en bouwen van een testopstelling bij HZ, waarmee een vijftal verschillende biobased geveldelen worden getest en beoordeeld. Hiermee krijgen de mkb’ers gevalideerde prestaties van hun materialen, en de juiste opbouw van de gevel waarin de toegevoegde waarde het beste tot zijn recht komt. Het project wordt uitgevoerd door een mix van kennisinstellingen die ervaring hebben met het testen en beoordelen van (biobased) bouwmaterialen, samen met producenten en gebruikers, ondersteund door o.a. Bouwend Nederland en een vertegenwoordiging van de relevante normcommissie, die de projectresultaten verder zullen kunnen brengen naar de reguliere bouwsector.