To reduce greenhouse gas emissions, countries around the world are pursuing electrification policies. In residential areas, electrification will increase electricity supply and demand, which is expected to increase grid congestion at a faster rate than grids can be reinforced. Battery energy storage (BES) has the potential to reduce grid congestion and defer grid reinforcement, thus supporting the energy transition. But, BES could equally exacerbate grid congestion. This leads to the question: What are the trade-offs between different battery control strategies, considering battery performance and battery grid impacts? This paper addresses this question using the battery energy storage evaluation method (BESEM), which interlinks a BES model with an electricity grid model to simulate the interactions between these two systems. In this paper, the BESEM is applied to a case study, wherein the relative effects of different BES control strategies are compared. The results from this case study indicate that batteries can reduce grid congestion if they are passively controlled (i.e., constraining battery power) or actively controlled (i.e., overriding normal battery operations). Using batteries to reduce congestion was found to reduce the primary benefits provided by the batteries to the battery owners, but could increase secondary benefits. Further, passive battery controls were found to be nearly as effective as active battery controls at reducing grid congestion in certain situations. These findings indicate that the trade-offs between different battery control strategies are not always obvious, and should be evaluated using a method like the BESEM.
DOCUMENT
Door verregaande elektrificatie van onze samenleving veranderen de ontwerpcriteria voor het elektriciteitsnet van de netwerkbeheerders. Door de netbelasting van “all-electric” (gasloze) woonwijken te meten en te modelleren bepalen we welke invloed verregaande elektrificatie in de toekomst zal hebben op het bestaande elektriciteitsnet en de rol van het gasnet.
DOCUMENT
Biomimicry wordt vooral verbonden aan technologische ontwikkelingen. Er zijn veel voorbeelden van producten en innovaties op basis van de biologie. Ingenieurs, architecten, ontwerpers maken gebruik van nieuwe kennis die we hebben opgedaan en opdoen door met moderne middelen de natuur te bestuderen. Mauro Gallo geeft hiervan voorbeelden en gaat daar verder onderzoek naar doen. Van de natuur in haar geheel is meer te leren. In de praktijk van onderwijs, training,advies, consultancy en organisatieontwikkeling, wordt ‘de natuur’ vaak gebruikt als metafoor, als inspiratiebron of als voorbeeld voor allerlei processen zoals leiderschap, samenwerkingen, relaties, en de ontwikkeling van organisaties en de samenleving. Het gaat daarbij veelal over ecologische en veel minder vaak over biologische processen. Langzaam heeft zich de vraag opgedrongen of we in de sociale omgeving meer kunnen leren uit de natuur dan wat we oppervlakkig ‘zien’ en vaak in metaforen vertaald wordt. Meer holistisch bezien gaat het hier over de systemische kant, de complexiteit, de context en de samenhang. Kunnen we bijvoorbeeld aantonen dat fundamentele ecologische principes zoals kringlopen (lerend, zelf organiserend, zelfregulerend en zelfvoorzienend vermogen), successie, diversiteit en veerkracht, sociaal en samenwerkend gedrag, interconnectedness en interdependency toepassen in organisaties leiden tot duurzaam organiseren? In zijn lectoraat doet Mauro Gallo onderzoek naar de betekenis van technische innovaties in en voor de agro- en food sector, en naar de vraag of biomimicry onderbouwd kan worden zodat het bij kan dragen aan het sociaal wetenschappelijk domein. Tegelijkertijd is er een gerichte onderwijsvraag: is het logisch om vanuit ons groene DNA biomimicry-denken mee te nemen in ons onderwijs? Kun je biomimicry leren toepassen en kun je biomimicry toepassen in leren? (Hoe) kunnen we biomimicry toepassen in vmbo en mbo groen, in de lerarenopleiding meegeven aan toekomstige leraren, en opnemen in de professionalisering voor zittende docenten. Is het denkbaar dat het integraal onderdeel van de curricula in het (groene) hbo wordt gericht op het zoeken naar duurzame oplossingen voor vraagstukken in de beroepspraktijk? Zoals hierboven geschetst: genoeg praktijkvragen voor een lectoraat. Daarbij richt het zich echter niet alleen op het toepassen, maar nadrukkelijk op het wetenschappelijk onderbouwen van bio-inspired oplossingen en op het onderwijs.
DOCUMENT
Biomimicry wordt vooral verbonden aan technologische ontwikkelingen. Er zijn veel voorbeelden van producten en innovaties op basis van de biologie. Ingenieurs, architecten, ontwerpers maken gebruik van nieuwe kennis die we hebben opgedaan en opdoen door met moderne middelen de natuur te bestuderen. Mauro Gallo geeft hiervan voorbeelden en gaat daar verder onderzoek naar doen. Van de natuur in haar geheel is meer te leren. In de praktijk van onderwijs, training,advies, consultancy en organisatieontwikkeling, wordt ‘de natuur’ vaak gebruikt als metafoor, als inspiratiebron of als voorbeeld voor allerlei processen zoals leiderschap, samenwerkingen, relaties, en de ontwikkeling van organisaties en de samenleving. Het gaat daarbij veelal over ecologische en veel minder vaak over biologische processen. Langzaam heeft zich de vraag opgedrongen of we in de sociale omgeving meer kunnen leren uit de natuur dan wat we oppervlakkig ‘zien’ en vaak in metaforen vertaald wordt. Meer holistisch bezien gaat het hier over de systemische kant, de complexiteit, de context en de samenhang. Kunnen we bijvoorbeeld aantonen dat fundamentele ecologische principes zoals kringlopen (lerend, zelf organiserend, zelfregulerend en zelfvoorzienend vermogen), successie, diversiteit en veerkracht, sociaal en samenwerkend gedrag, interconnectedness en interdependency toepassen in organisaties leiden tot duurzaam organiseren? In zijn lectoraat doet Mauro Gallo onderzoek naar de betekenis van technische innovaties in en voor de agro- en food sector, en naar de vraag of biomimicry onderbouwd kan worden zodat het bij kan dragen aan het sociaal wetenschappelijk domein. Tegelijkertijd is er een gerichte onderwijsvraag: is het logisch om vanuit ons groene DNA biomimicry-denken mee te nemen in ons onderwijs? Kun je biomimicry leren toepassen en kun je biomimicry toepassen in leren? (Hoe) kunnen we biomimicry toepassen in vmbo en mbo groen, in de lerarenopleiding meegeven aan toekomstige leraren, en opnemen in de professionalisering voor zittende docenten. Is het denkbaar dat het integraal onderdeel van de curricula in het (groene) hbo wordt gericht op het zoeken naar duurzame oplossingen voor vraagstukken in de beroepspraktijk? Zoals hierboven geschetst: genoeg praktijkvragen voor een lectoraat. Daarbij richt het zich echter niet alleen op het toepassen, maar nadrukkelijk op het wetenschappelijk onderbouwen van bio-inspired oplossingen en op het onderwijs.
DOCUMENT
Aanleiding Gemeenten zijn in hoge mate afhankelijk van digitale systemen. Als deze systemen onbedoeld uitvallen of aangevallen worden, kan dit grote gevolgen hebben voor de dienstverlening aan burgers en/of de interne bedrijfsvoering. Recente gevallen zoals de aanvallen op de gemeente Lochem (2019) en Hof van Twente (2020), en de Citrix-kwetsbaarheid (2019) hebben duidelijk gemaakt dat cyberincidenten grote impact kunnen hebben, niet te voorkomen zijn en zelfs kunnen uitmonden in een cybercrisis. Gemeenten moeten zich voorbereiden op cybercrises waarbij zij zelf het slachtoffer zijn. Daarnaast kunnen gemeenten geconfronteerd worden met de fysieke gevolgen die ontstaan wanneer een organisatie gevestigd in de gemeente getroffen wordt door een cyberaanval. Denk hierbij aan een ziekenhuis dat door een aanval haar ICT niet meer kan gebruiken en daardoor de deuren moet sluiten. In een dergelijk geval zijn gemeenten betrokkenen en zullen zij samen met de veiligheidsregio(‘s) moeten acteren om de problemen in het fysieke domein aan te pakken. In dit verkennende onderzoek gaan we nader in op het fenomeen cybercrisis binnen gemeenten waarbij we onderscheid maken tussen cybercrisis waarbij gemeenten (1) slachtoffer zijn of (2) betrokkene. Onderzoeksdoelen en vragen Cybercrises in het algemeen en binnen de gemeentelijke context in het bijzonder zijn nog maar beperkt beschreven in de (wetenschappelijke) literatuur. Het hoofddoel van het onderzoek is om inzicht te verschaffen in de ervaringen die gemeentelijke medewerkers hebben met cybercrisis als ‘slachtoffer’ en ‘betrokkene’ en hoe zij kijken naar de rollen en uitdagingen die er zijn. Het hoofddoel is opgesplitst in twee hoofdvragen: (1) Welke uitdagingen ervaren gemeenten bij (de voorbereiding op) cybercrisis die de gemeentelijke organisatie raken? En (2) Welke uitdagingen ervaren gemeenten bij (de voorbereiding op) cybercrisis die plaatsvinden bij organisaties gevestigd in de gemeente en (kunnen) leiden tot problemen in het fysieke domein? Methoden van onderzoek Er is een literatuurstudie uitgevoerd die als basis heeft gediend voor semigestructureerde interviews. In de periode van 1 juli tot 1 december 2020 hebben 22 interviews plaatsgevonden met medewerkers van 18 verschillende gemeenten. Het merendeel van respondenten was werkzaam als Chief Information Security Officer (CISO) (N = 15), Adviseur Openbare orde en Veiligheid (AOV) (N = 9) en Adviseur informatiebeveiliging (N = 6). Beantwoording hoofdvragen De grootste uitdagingen voor gemeenten bij (de voorbereiding op) cybercrisis die de gemeentelijke organisatie raken zijn: (1) tijdens de warme fase verwacht men van de CISO soms een leidinggevende rol in plaats van de dagelijkse adviserende rol, (2) informatie gaat veelal sneller via informele kanalen dan via de formele kanalen, (3) CISOs gebruiken de crisiskennis van AOV-ers onvoldoende (4) (voorbereiding op) cybercrisis is nog te veel een IT-feestje, (5) oefenen is belangrijk maar gebeurt nog te weinig, en (6) kleine gemeenten hebben geen draaiboeken of crisisplannen, grote gemeenten wel. Gemeenten hebben nauwelijks ervaring met cybercrises die de gemeentelijke organisatie raken. De grootste uitdagingen voor gemeenten bij (de voorbereiding op) cybercrisis die plaatsvinden bij organisaties gevestigd in de gemeente zijn: (1) er is binnen gemeenten en veiligheidsregio’s weinig cyber-expertise en kennis van de CISO wordt niet benut, (2) gemeenten worstelen met hun rol bij een dergelijke crisissituatie, (3) de rolverdeling tussen de gemeente en veiligheidsregio is onduidelijk bij een dergelijke crisissituatie, en (4) gemeenten vinden dat organisaties allereerst zelf verantwoordelijk zijn voor respons en mitigatie. Geen van de respondenten heeft ervaring opgedaan met een cybercrisis bij een organisatie gevestigd in de gemeente. Conclusie De eerste conclusie is dat gemeenten beperkt voorbereid zijn op cybercrisis en onvoldoende zicht hebben in hoeverre bestaande plannen en niet-geformaliseerde werkwijzen voldoende zijn om de impact van cybercrisis te kunnen beperken, mede omdat er niet wordt geoefend. De tweede conclusie is dat nog een wereld te winnen is bij een actievere samenwerking tussen CISOs en AOV-ers. De derde conclusie is dat deelnemende gemeenten nog geen ervaring hebben met cybercrisis waarbij ze enkel ‘betrokkene’ zijn. De belangrijkste theoretische bijdrage is dat we geen aanwijzingen hebben gevonden dat de generieke literatuur over crisisbeheersing niet van toepassing zou kunnen zijn op cybercrisis. Dit onderzoek is uitgevoerd onder een beperkt aantal gemeenten. Om een rijker en completer beeld te krijgen van cybercrisis bij gemeenten, adviseren we om een vervolgonderzoek uit te zetten bij meer gemeenten, bijvoorbeeld in de vorm van een vragenlijstonderzoek. Ander vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op het meten van de mate van voorbereiding van gemeenten op cybercrisis, slimme manieren waarop gemeenten hun voorbereiding kunnen verbeteren en op cyberincident- en cybercrisisevaluaties.
DOCUMENT
In dit verkennende onderzoek gaan we nader in op het fenomeen cybercrisis binnen gemeenten waarbij we onderscheid maken tussen cybercrisis waarbij gemeenten (1) slachtoffer zijn of (2) betrokkene. Cybercrises in het algemeen en binnen de gemeentelijke context in het bijzonder zijn nog maar beperkt beschreven in de (wetenschappelijke) literatuur. Het hoofddoel van het onderzoek is om inzicht te verschaffen in de ervaringen die gemeentelijke medewerkers hebben met cybercrisis als ‘slachtoffer’ en ‘betrokkene’ en hoe zij kijken naar de rollen en uitdagingen die er zijn. Het hoofddoel is opgesplitst in twee hoofdvragen: (1) Welke uitdagingen ervaren gemeenten bij (de voorbereiding op) cybercrisis die de gemeentelijke organisatie raken? En (2) Welke uitdagingen ervaren gemeenten bij (de voorbereiding op) cybercrisis die plaatsvinden bij organisaties gevestigd in de gemeente en (kunnen) leiden tot problemen in het fysieke domein?
DOCUMENT
Het lectoraat Innoverend ondernemen verbonden aan De Haagse Hogeschool heeft op 12 november 2015 een seminar georganiseerd over nieuwe businessmodellen en de nieuwe economie. Van deze dag hebben we een verslag gemaakt middels deze uitgave. Een interessant naslagwerk voor alle ruim 150 deelnemers van dit seminar, die kunnen teruglezen wat ze deze dag hebben geleerd, maar ook kunnen leren van de workshops waarin ze niet hebben geparticipeerd. Daarnaast is deze uitgave leerzaam voor iedereen die geïnteresseerd is in nieuwe businessmodellen vanuit verschillende perspectieven, waarin theorie en praktijk samen komen.
DOCUMENT
In zijn openbare les “Nieuwe energie in de stad; stip op de horizon laat Ivo Opstelten niet alleen zien dat een transitie naar energieneutrale gebouwde omgeving wenselijk en realiseerbaar is voor het midden van deze eeuw, maar dat deze transitie in feite al begonnen is. Naar analogie met de geslaagde aardgastransitie in Nederland van de jaren zestig, gaat hij in op drie aspecten die de energietransitie tot een succes maken. 1.motivatie van gebruikers om zelf in actie te komen; 2.ontwikkeling van marktrijpe gebouw- en gebiedsconcepten voor de energieneutrale gebouwde omgeving; 3.het vraagstuk van opschaling.
DOCUMENT
Technologische vooruitgang dient twee tegengestelde verlangens. Het verlangen van de ultieme controle over de werkelijkheid en het verlangen naar afstand tot diezelfde werkelijkheid. Het verlangen naar grip en verlichting. Het verlangen naar macht en virtualisering. Dat zijn oude verlangens, die al eeuwen leven in de mythes rond 'de golem' en de mythe van 'de engelen'. De geschiedenis van de technologische vernieuwing laat zich lezen als een verhaal van steeds meer ingrijpen in de werkelijkheid, en tegelijkertijd als een terugtrekkende beweging uit die werkelijkheid. Elke technologische vooruitgang versterkt dat spanningsveld. En omdat digitale technologie met een logaritmisch versnelling vooruit dendert, wordt die kloof in het verlangen pijlsnel groter. Bioproducten online bestellen met je iPad. De beelden van je trektocht door ongerept natuurgebied online bewaren in ‘the cloud’. Een actiegroep voor het behoud van een exotische, uitstervende diersoort op facebook… De samenleving heeft behoefte aan nieuwe mythes waarrond ze de wijzigende structuren kan organiseren. Het zijn mythes die ons laten samenwerken - of het nu om een religie gaat, de mythe van de waarde van geld, de mythe van gerechtigheid, van democratie… Kunstenaars leven in de dynamiek van de samenleving. Hun werk is ook onderhevig aan de dwang van technologische vooruitgang. Maar door een stap achteruit te zetten, afstand te nemen en kritisch te kijken naar een logaritmisch snel veranderende samenleving, kunnen ze nieuwe verhalen scheppen, nieuwe wegen tonen, nieuwe beelden, nieuwe mythes... Net zoals de beelden van engelen en de verhalen van de golem uit de middeleeuwen (en daarna) krachtige, tijdloze mythes toonden. Omdat de computer onvermijdelijk beter wordt in alles wat objectief meetbaar is (dat is bijna een tautologie), wordt de skill van het creatieve denken, van het ongedachte bedenken... 'the unique selling point' van de mens. Kunst heeft niet alleen toekomst. Het is de toekomst.
DOCUMENT
Deze publicatie beschrijft ervaringen met innnovatie in trajecten in de zorg en de bouw. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de theorie van Peter Senge die complexe veranderingen in systeemdenken beschrijft. Deze Duurzame SysteemInnovatie/aanpak (DSI-aanpak) wordt beschreven met theoretische aanknopingspunten: Transitiemanagement, Sustainability by Design en Eco-acupunctuur. het project is mogelijk gemaakt door subsidieregeling duurzaamheid van de Provincie Utrecht.
DOCUMENT
Een bundel columns geschreven naar aanleiding van het afscheid van Jan Houben van de Raad van Bestuur van Fontys Hogescholen. Gemeenschappelijk thema van de columns is de kracht die innovaties geven.
DOCUMENT