Objective: This study evaluated the effect of an after-school group-based medium-intensity multicomponent behavioural intervention programme for children aged 8–12 years classified as overweight, obese or at risk for overweight on body mass index standard deviation score (BMI SDS). In accordance with standardized protocols body weight and height were measured in 195 participants (88 boys, 107 girls) at baseline and at the end of the programme. A total of 166 children derived from a school-based monitoring system served as control group. Multivariate regression analyses examined the effect of the intervention and the independent factors associated with better outcomes in the intervention group. Results: Analysis of covariance showed a significant intervention effect on BMO SDS in favour of the intervention group (b-coefficient - 0.13 ± 0.03; p < 0.01) compared with the control group. Change in BMI SDS between baseline and follow-up in the intervention group was associated with baseline age (b-coefficient 0.03 ± 0.02; p=0.04) but was independent from gender, ethnicity, baseline BMI SDS, time between baseline and follow-up, school year and attendance rate.
In dit onderzoek staan twee onderzoeksvragen centraal:- Wat zijn de opvattingen van leraren over burgerschapsonderwijs in Amsterdam?- Welke samenhang bestaat er bij de opvattingen van leraren over burgerschap?We hebben geprobeerd een antwoord te vinden op deze vragen door een representatieve groep Amsterdamse leraren via een gestandaardiseerde vragenlijst te bevragen en daarnaast diepte-interviews bij een selectie groep leraren af te nemen over hun opvattingen aangaande verschillende aspecten van burgerschapsonderwijs bij hun op school. Hieronder worden eerst de belangrijkste uitkomsten besproken, daarna komen enkele beperkingen van het onderzoek aan bod, vervolgens worden de uitkomsten in breder kader geplaatst en afgesloten wordt met enkele aanbevelingen. Volgens de bevraagde leraren is burgerschap een belangrijk onderdeel van het onderwijs en een belangrijk ontwikkeldoel voor hun leerlingen. Hierbij vinden we op hoofdlijnen geen verschil tussen verschillende groepen leraren. De verschillen tussen po-, vo- en mbo-leraren, het vak dat zij geven, hun sekse en bijvoorbeeld het aantal jaar dat zij voor de klas staan, maken geen wezenlijk verschil voor de erkenning van het belang van burgerschapsonderwijs. Gemiddeld genomen oordelen de leraren neutraal over de situatie op hun school met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Hierbij vinden we geen verschillen voor bijvoorbeeld vak, type onderwijs, opleidingsniveau van de leraar en het aantal jaren dat zij lesgeven. Wel is er samenhang met andere opvattingen over het burgerschapsonderwijs: het plannen van activiteiten en de afwezigheid van belemmeringen gaat samen met een positiever oordeel over de situatie op school. Interessant is dat, daarbij rekening houdend met verschillende kenmerken van leraren en hun school, in een aantal stadsdelen (Noord, Zuidoost, Oost en Centrum) iets positiever geoordeeld wordt over burgerschapsonderwijs dan in andere stadsdelen. In schril contrast met het belang dat aan burgerschap gehecht wordt, is de regelmaat en planning van burgerschapsonderwijs: slechts af en toe zijn leraren daarmee bezig en vaak zonder dat het gepland is. Hierbij bestaat wel verschil tussen leraren, ook wanneer we rekeninghouden met enkele relevante persoonskenmerken. Vrouwelijke leraren en leraren in gamma-vakken (zoals maatschappijleer, geschiedenis) geven vaker aan burgerschap een plek te geven in hun les dan mannen en leraren in andere vakken. Dezelfde analyse laat zien dat self-efficacy en planning samenhangen met het met regelmaat bezig met burgerschap in de les. Leraren hebben aanzienlijk vertrouwen in eigen kunnen met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Opvallend hierbij is dat het kwalitatieve gedeelte van deze studie erop wijst dat leraren (docenten maatschappijleer uitgezonderd) menen dat zij in hun opleiding weinig of niets geleerd hebben over burgerschapsonderwijs. Dat zij zichzelf op dit terrein bekwaam achten heeft in hun ogen vooral te maken met hun opvoeding, steun van collega’s of persoonlijke beroepsinteresse. Voor self-efficacy vinden we alleen een robuuste samenhang met het met regelmaat uitvoeren van burgerschapsonderwijs. Als je er vaker mee bezig bent, krijg je meer vertrouwen in eigen kunnen of als je minder twijfelt over je eigen kunnen geef je burgerschap vaker een plek in je les. De leraren in Amsterdam menen dat er slechts in beperkte mate sprake is van belemmeringen bij het vormgeven en uitvoeren van burgerschapsonderwijs. Interessant is dat leraren niet primair de achtergrond van leerlingen als belemmering ervaren maar veeleer organisatorische zaken: het onderwijs is overbelast en klassen zijn te groot. Niettemin laten de interviews zien dat wat leerlingen met zich meebrengen de klas in en hoe de stad Amsterdam zich ontwikkelt substantiële belemmeringen kunnen zijn voor burgerschapsonderwijs. Te denken valt dan vooral aan segregatie en daarmee samenhangende homogene klassen en extreme opvattingen van leerlingen. De context zoals die in de inleiding geschetst is, wordt daarmee gedeeltelijk door leraren bevestigd maar het lijkt niet de boventoon te voeren bij hun beeld over burgerschapsonderwijs in Amsterdam.
Objective: To evaluate psychometrics of wearable devices measuring physical activity (PA) in ambulant children with gait abnormalities due to neuromuscular conditions. Data Sources: We searched PubMed, Embase, PsycINFO, CINAHL, and SPORTDiscus in March 2023. Study Selection: We included studies if (1) participants were ambulatory children (2-19y) with gait abnormalities, (2) reliability and validity were analyzed, and (3) peer-reviewed studies in the English language and full-text were available. We excluded studies of children with primarily visual conditions, behavioral diagnoses, or primarily cognitive disability. We performed independent screening and inclusion, data extraction, assessment of the data, and grading of results with 2 researchers. Data Extraction: Our report follows Preferred Reporting Items for Systematic Reviews and Meta-Analyses guidelines. We assessed methodological quality with Consensus-based Standards for the selection of health measurement instruments. We extracted data on reported reliability, measurement error, and validity. We performed meta-analyses for reliability and validity coefficient values. Data Synthesis: Of 6911 studies, we included 26 with 1064 participants for meta-analysis. Results showed that wearables measuring PA in children with abnormal gait have high to very high reliability (intraclass correlation coefficient [ICC]+, test-retest reliability=0.81; 95% confidence interval [CI], 0.74-0.89; I2=88.57%; ICC+, interdevice reliability=0.99; 95% CI, 0.98-0.99; I2=71.01%) and moderate to high validity in a standardized setting (r+, construct validity=0.63; 95% CI, 0.36-0.89; I2=99.97%; r+, criterion validity=0.68; 95% CI, 0.57-0.79; I2=98.70%; r+, criterion validity cutoff point based=0.69; 95% CI, 0.58-0.80; I2=87.02%). The methodological quality of all studies included in the meta-analysis was moderate. Conclusions: There was high to very high reliability and moderate to high validity for wearables measuring PA in children with abnormal gait, primarily due to neurological conditions. Clinicians should be aware that several moderating factors can influence an assessment.