Study goal: This study was carried out to answer the following research question: which motivation do healthy volunteers have to participate in phase I clinical trials? - Methods: A literature search was done through Google Scholar and Academic Search Premier, followed by three interviews with volunteers who had recently concluded their participation in a (non-commercial) phase I trial. - Results: Our literature search revealed mainly commercial motives for volunteers to participate in phase I clinical trials. The interviews (with volunteers in a non-commercial trial) showed that other factors may also play a decisive role, such as: (1) wish to support the investigator (2) wish to contribute to science, (3) access to more/better health care (4) sociability: possibility to relax and to communicate with other participants (5) general curiosity. Precondition is that risks and burden are deemed acceptable. - Conclusions: financial remuneration appears to be the predominant motive to participate voluntarily in a clinical trial. Other reasons were also mentioned however, such as general curiosity, the drive to contribute to science and the willingness to help the investigator. In addition, social reasons were given such as possibility to relax and to meet other people. Potential subjects state that they adequately assess the (safety) risks of participating in a trial as part of their decision process.
De overgang van traditionele textiel naar biotextiel kan omschreven worden als een paradigmaverandering, in grote lijnen parallel aan de komst van biotechnologie. Dit wordt vaak geassocieerd met begrippen als creatieve destructie, waarbij nieuwe innovatieve industrieën de bestaande achterhaald doen raken. Maar biopolymeren zijn er altijd al geweest. Wat opvalt, is hier niet het radicale van de verandering, maar de mogelijkheid om nieuwe technologieën en materialen toe te passen en te reageren op vragen van de markt en mondiale omstandigheden. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van het gebruik van de meest voorkomende biopolymeren in geotextieltoepassingen, dus toepassingen in bijvoorbeeld de weg- en waterbouw of in de agro-industrie. Biopolymeren worden als volgt gedefinieerd: ‘polymeren die worden geproduceerd uit natuurlijke hernieuwbare grondstoffen’. Dit zijn bijvoorbeeld: • Duurzame beschikbare (delen van) planten en dieren (ook aquatische biomassa). • Primaire residuen (bermgras, houtafval, ...). • Secundaire residuen (bietenpulp, bierborstel, ...). • Tertiaire residuen (dierlijk vet, GFT, ...). Biobased houdt in dat een polymeer uit natuurlijke, dierlijke of hernieuwbare grondstof bestaat. Dit geeft een grotere onafhankelijkheid van de klassieke grondstofproducenten, zoals de aardolie- en gasproducenten. Echter moet bedacht worden dat er weer een afhankelijkheid van andere grondstofproducenten kan ontstaan. Natuurlijke grondstoffen zijn de meest bekende. Er is bijvoorbeeld cellulose uit katoen, vlas van de vlasplant of brandnetelvezel van de brandnetel. Onder dierlijke grondstoffen verstaan we onder andere chitosan uit schaaldieren. Een hernieuwbare grondstof is bijvoorbeeld zetmeel/suiker voor PLA (polymelkzuur. Deze biopolymeren worden besproken om duidelijk te maken welke soorten wel of niet geschikt zijn voor verschillende toepassingen in geotextiel. Een verder onderscheid wordt wel gemaakt op basis hun ‘end of life’: biodegradeerbaar en composteerbaar. Een materiaal is biodegradeerbaar wanneer de afbraak het gevolg is van de actie van micro-organismen (zwammen, bacteriën), waardoor het materiaal uiteindelijk wordt omgezet in water, biomassa, CO2 en/of methaan, ongeacht de tijd die hiervoor nodig is. Composteerbaar wil zeggen dat stoffen worden afgebroken bij het composteren met een snelheid die vergelijkbaar is met die van andere bekende composteerbare materialen (bijvoorbeeld groenafval). Met andere woorden: een materiaal is composteerbaar wanneer het afbraakproces compatibel is met de omgevingsomstandigheden van een huishoudelijke of industriële composteerinstallatie, zoals temperatuur, vochtigheid en tijd. Hierbij dient te worden opgemerkt dat composteerbare materialen biodegradeerbaar zijn, maar niet alle biodegradeerbare materialen zijn composteerbaar. In de geotextiel bestaan twee grote verschillen in toepassingen. De permanente of houdbare toepassingen en de degradeerbare toepassingen. Oeverbescherming is een goed voorbeeld van een degradeerbaar product. Een nieuwe oever bestaat voor een groot deel uit los zand. Om ervoor te zorgen dat de oever door bijvoorbeeld erosie niet verdwijnt, worden er kokosmatten gebruikt voor versteviging. Op deze kokosmatten vormt zich op den duur een nieuw ecosysteem. De kokosmatten zullen dan na een aantal jaren composteren zonder vervuilende grondstoffen in de aarde achter te laten. Maar in bijvoorbeeld wegen of bij viaducten, wordt versteviging toegepast met als doel langdurig functiebehoud van het polymeer. In dit rapport is een tabel opgenomen met daarin de behandelde biopolymeren met de belangrijkste eigenschappen. Zo kan bijvoorbeeld een geotextiel producent de meest optimale keuze maken voor de grondstoffen voor haar producten. Ook is een figuur opgenomen, waarin een verzameling aan geotoepassingen en biopolymeren (met degradeerbaar/biobased labels) in een overzicht is gezet. Biopolymeren kunnen,
MULTIFILE
Background: An effective and tolerable bowel preparation is important to secure quality of colonoscopies. It remains unclear if sodium picosulphate with magnesium citrate (SPMC), which is considered a tolerable bowel preparation agent, is also an effective alternative for polyethylene glycol (PEG) and sodium phosphate (NaP). Aim: The aim of this article is to compare effectiveness of SPMC to PEG and NaP through assessment of quality of bowel cleansing measured by validated tools. Methods: We searched electronic databases up to January 2015. Only randomised controlled trials (RCTs) were included. Two authors independently performed selection of studies, risk of bias assessment and data extraction. Results: Thirteen RCTs were included, with overall good quality, but large heterogeneity. SPMC had slightly better quality of bowel cleansing than PEG (pooled RR 1.06; 95% CI 1.02 to 1.11). In most trials SPMC was significantly better tolerated than PEG. There were no significant differences in effectiveness or tolerability between SPMC and NaP. Side effects were similar between agents, except for dizziness (pooled RR 1.71; 95% CI 1.32 to 2.21 in favour of PEG vs. SPMC) and vomiting (pooled RR 0.35; 95% CI 0.13 to 0.95 in favour of single-dose SPMC vs. split-dose). Conclusions: SPMC is equally effective to NaP and little superior to PEG in terms of bowel cleansing. SPMC preparations were better tolerated than PEG preparations. SPMC may be considered as standard bowel preparation for colonoscopy.
Polycotton textiles are fabrics made from cotton and polyester. It is used in many textile applications such as sporting cloths, nursery uniforms and bed sheets. As cotton and polyester are quite different in their polymer nature, polycotton textiles are hard to recycle and therefore mostly incinerated. Incineration of discarded polycotton, and substitution by virgin polycotton, create a significant environmental impact. However, textile manufacturers and brand owners will become obliged to apply recycled content in clothing from 2023 onwards. Therefore, the development of more sustainable recycling alternatives for the separation and purification of polycotton into its monomers and cellulose is vital. In a recently approved GoChem project, it has been shown that cotton can be separated from polyester successfully, using a chemical recycling process. The generated solution is a mixture of suspended and partially decolorized cotton (cellulose) and a liquid fraction produced from the depolymerization of the polyester (monomers). A necessary further step of this work is the investigation of possible separation methods to recover the cotton and purify the obtained polyester monomers into polymer-grade pure products suitable for repolymerization. Repolymerize is a new consortium, composed of the first project members, plus a separation and purification process group, to investigate efficient and high yield purification steps to recover these products. The project will focus on possible steps to separate the suspended fraction (cotton) and further recover of high purity ethylene glycol from the rest fraction (polyester depolymerization solution). The main objective is to create essential knowledge so the private partners can evaluate whether such process is technologically and economically feasible.