Dit rapport verkent of de lokale jongerenwerker bij machte is om te opereren op het snijvlak van maatschappelijk welzijn en signalering van gewelddadig extremisme. Hoewel extremisme onder jongeren een zeldzaam fenomeen blijkt, en uitreizen om zich aan te sluiten bij Jihadistische strijdgroepen in het buitenland nog maar sporadisch voorkomt, ligt er een nadrukkelijke boodschap vanuit de overheid om alert te zijn op de eerste tekenen van afwijkend gedrag. Aan de hand van documentanalyse en interviews met jongerenwerkers brengt deze exploratieve studie in kaart hoe deze groep sociaal werkers gestalte geeft aan hun monitorende rol in de wijk. De resultaten laten zien dat er in de dagelijkse praktijk een helder kader ontbreekt, en dat dit twee hoofdoorzaken heeft. De eerste is dat, in de praktijk, de termen radicalisering en (gewelddadig) extremisme lastig van elkaar te onderscheiden zijn. De tweede oorzaak is dat de oordeelsvorming grotendeels leunt op de eigen individuele perceptie op de problematiek. Dit rapport concludeert daarom dat oordeelsvorming in de context van signalering van gewelddadig extremisme ogenschijnlijk weinig gestructureerd verloopt en niet geheel objectief is. De vraag is of de focus van het beleid op lokaal niveau niet verlegd moet worden naar het voorkomen van extremistisch geweld door jongerenwerkers in plaats van het tegengaan van radicaal gedachtegoed of ideologieën.
In most models on terrorism, interaction with other radicals is a key factor. However, systematic empirical evidence that radical ties affect behaviour is scarce. Our access to detailed police information allows us to apply Social Network Analysis (SNA) on a Dutch Salafi-Jihadi network and analyse the social relationships and network positions of 80 actors, out of whom 20 turned to terrorist acts. The results suggest that ties to leaders and terrorist offenders, co-attendance of radicalising settings and greater structural embeddedness relate to the likelihood of individual actors turning to acts of terrorism. However, we also find some individual attributes that may offer competing explanations. In this paper we discuss our findings and address how future research may provide further insights into an important issue for agencies involved in countering terrorism: which radical actors, if any, are more likely to turn to acts of terrorism?
Frontline professionals such as social workers and civil servants play a crucial role in countering violent extremism.Because of their direct contac twith society,first liners are tasked with detecting individuals that may threaten national security and the democratic rule of law. Preliminary screening takes place during the pre-crime phase. However, without clear evidence or concrete indicators of unlawful action or physical violence, it is challenging to determine when someone poses a threat. There are no set patterns that can be used to identify cognitive radicalization processes that will result in violent extremism. Furthermore, prevention targets ideas and ideologies with no clear framework for assessing terrorism-risk. This article examines how civil servants responsible for public order, security and safety deal with their mandate to engage in early detection, and discusses the side effects that accompany this practice. Based on openinterviews with fifteen local security professionals in the Netherlands, we focus here on the risk assessments made by these professionals. To understand their performance, we used the following two research questions: First, what criteria do local security professionals use to determine whether or not someone forms a potential risk? Second, how do local security professionals substantiate their assessments of the radicalization processes that will develop into violent extremism? We conclude that such initial risk weightings rely strongly on ‘gut feelings’ or intuition. We conclude that this subjectivitymayleadto prejudiceand/oradministrativearbitrariness in relationtopreliminary risk assessment of particular youth.