Since the late 1990s, city councils have become increasingly aware of the potential for information technologies (ICTs) to improve the management of cities and as an instrument for economic and social policy. This has resulted in a wave of urban ICT strategies and policies, such as the adoption of ICTs within the city administration itself, projects that facilitate access to ICTs by weaker social groups and policies to improve the urban electronic infrastructure. By comparing eight cities - Barcelona, Cape Town, Eindhoven, Johnnesburg, Manchester, Tampere, the Hague and Venice - this book examines a range of innovative urban e-governance strategies and develops a framework of analysis that permits a common approach. Throughout the book, a distinction is made between access policies (aimed at improving access to ICTs for all citizens), content policies (directed to improve the use of ICTs in the city administration and semi-public domains) and infrastructure policies (to improve the provision of broadband infrastructure). For each of the cities, e-strategies and policies are critically reviewed and compared. The book reveals that urban e-strategies have evolved from an internal and technology-centred orientation to a more outward-looking approach.
MULTIFILE
Kinderen groeien op in een wereld die gekenmerkt wordt door een overvloed aan informatie, vooral afkomstig van sociale media. In december 2016 had meer dan 80% van de kinderen van 11 jaar oud de beschikking over een mobiele telefoon die verbonden is met het internet (Kennisnet 2017, p. 16). Te verwachten is dat die groep anno 2020 alleen maar groter is geworden. YouTube, WhatsApp, Instagram en TikTok zijn immens populair onder jongeren maar niet alle informatie, filmpjes en foto’s die ze daar bekijken zijn betrouwbaar. Het verschijnsel nepnieuws is al enige jaren een actueel onderwerp van discussie, vooral sinds de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 (Gilchrist, 2018). Hoewel er aanwijzingen zijn dat het gevaar op misleiding door nepnieuws (desinformatie) of andere vormen van onbetrouwbare informatie (misinformatie) in Nederland minder groot is dan in andere landen (Lauf, Sierhuis en Weggemans, 2018) heeft de Nederlandse overheid als beleid geformuleerd dat ze wil voorkomen dat de democratie en de rechtsorde in ons land erdoor worden ondermijnd. Het kabinet zet daarbij uitdrukkelijk in op verbetering van het vermogen van de burgers om desinformatie te herkennen (Rijksoverheid.nl, 2019). Dat is begrijpelijk als we weten dat onderzoek van het Rathenau Instituut aangeeft dat de mediawijsheid van verschillende groepen burgers (en ook die van jongeren!) vaak tekortschiet (Van Keulen, Korthagen, Diederen en Van Bohemen, 2018). Onderwijs in het herkennen van nepnieuws is dus relevant, óók in de Nederlandse context. Literatuuronderzoek dat wij eerder uitvoerden (Van Helvoort en Hermans, in voorbereiding) geeft aan dat als je kinderen wilt leren hoe ze betrouwbaar nieuws van nepnieuws kunnen onderscheiden, het een effectieve aanpak is om ze zelf nieuwsberichten te laten maken (zie onder andere National Literacy Trust, 2018). Een voordeel van zo’n activerende werkvorm is dat die leidt tot beter begrip van het verschijnsel ‘nieuws’ maar ook dat er een blijvende interesse voor het onderwerp tot stand kan worden gebracht (Tremio, 2017). Met die kennis in het achterhoofd hebben we studenten van de PABO van De Haagse Hogeschool gevraagd om een reeks van vijf lessen te ontwerpen en uit te voeren, waarin kinderen van de hoogste groepen van een basisschool leren wat nepnieuws is, hoe en waarom het wordt gemaakt en hoe het kan worden herkend. In aanvulling op de lessen maakten de studenten vijf quizzen waarmee aan het einde van iedere les werd getest of kinderen het verschil tussen betrouwbare berichten en nepberichten konden herkennen. De lessen werden gegeven in het Kindcentrum Snijders in Rijswijk, een basisschool waar ieder kind van groep 2 tot en met groep 8 een eigen iPad heeft waarvan de beschikbare apps door de school zelf worden beheerd. De kinderen die in het onderzoek hebben meegedaan waren dus gewend om te werken met digitale media. Gedurende vijf weken hebben de kinderen deelgenomen aan de lessen waarin ze onder andere zelf nepnieuws hebben gecreëerd. Door het onderzoek te beperken tot één groep kinderen van een specifieke basisschool waren de studenten in staat om een op maat gemaakte intensieve lessenreeks te ontwerpen en uit te voeren.
MULTIFILE
Onderzoekers die willen dat de resultaten van hun werk impact hebben, moeten zich niet blindstaren op gedetailleerde en weloverwogen planningen. Openstaan voor onverwachte en onvoorziene kansen is evenzeer belangrijk. Dat concluderen onderzoekers van Fontys en het Rathenau Instituut.
LINK
Bij de projectaanvraag City Deal Kennis Maken LeeuwardenFryslân hanteren we de geactualiseerde Kennisagenda Fryslân 2019-2025. Leidraad hierin zijn de transitie-opgaven waar de Friese samenleving voor staat. Via de inzet van Living Labs en experimenten wil de regio oplossingen ontwikkelen en testen voor de maatschappelijke opgaven onder het motto "De stad als campus, de regio als proeftuin".
Het borgen van het publiek belang is van oudsher een taak van stedelijke planning, maar met de opkomst van digitale platforms staat deze taak onder druk. Platformdiensten resulteren via dataficatie, commodificatie en selectie in winst voor de eigenaar en waarde voor individuele gebruikers. In dit onderzoek wordt onderzocht hoe platformdiensten ook kunnen bijdragen aan de borging van publieke waarden. Daartoe worden eerst de publieke waarden geïdentificeerd en deze worden vervolgens vertaald naar aan programma van eisen voor de uitvraag van een digitaal mobiliteitsplatform. Het gaat hierbij om een ethische dimensie (welke publieke waarden betreft het?) en een procesmatige dimensie (hoe worden deze op een juiste manier vertaald naar een programma van eisen?) Om hier meer inzicht in te verkrijgen wordt de ontwikkeling van een mobiliteitsplatform voor de gebiedsontwikkeling Merwedekanaalzone (Utrecht) onderzocht. Een multidisciplinair team van de Universiteit Utrecht werkt in dit onderzoek samen met de Gemeente Utrecht en het Rathenau Instituut. Het onderzoek kent vier werkpakketten: - WP1: Vaststellen procesaanpak en beoogde uitkomsten: hierin wordt naar aanleiding van bureauonderzoek en een openingsbijeenkomst de procesaanpak vastgesteld. - WP2: Identificatie publieke waarden: hierin worden middels bureauonderzoek, interviews en workshops de belangrijkste publieke waarden geïdentificeerd. - WP3: Vertaling publieke waarden naar rekenregels: hierin worden de in WP2 geïdentificeerde publieke waarden vertaald naar een programma van eisen voor een algoritme. - WP4: Aanscherping en kennisdeling: hierin worden de bevindingen getoetst bij andere wetenschappers en beleidsmakers en worden de bevindingen naar een breder publiek gecommuniceerd.