Hoe werk je met verschillende soorten organisaties en bewoners aan de verduurzaming van een wijk? Onderzoeker Maarten ter Huurne vertelt hoe in de wijk Smitsveen in Soest gebruik werd gemaakt van participatief actieonderzoek. Met als opbrengst: gezamenlijke acties en creatieve verbindingen tussen vrijwilligersorganisaties en andere partners, ook buiten het project om.
DOCUMENT
De energietransitie is sinds decennia een van de grootste veranderingen waar de Nederlandse samenleving mee te maken krijgt. Deze verandering gaat alle huishoudens en organisaties in Nederland aan en dient daarom ook, zoveel mogelijk, in samenspraak met hen te gebeuren. Elke transitie is namelijk mensgericht en daarom is het ook een sociale transitie. Als transities op een goede manier verlopen kan het ook kansen bieden op andere domeinen, zoals werkgelegenheid, sociale cohesie en gezondheid. Het is daarom een uitgelezen mogelijkheid om de energietransitie met elkaar aan te grijpen om én de overstap naar een fossielvrije samenleving te maken én de samenleving als geheel een stap vooruit te brengen. Het doel van dit onderzoek was om te verkennen hoe eigenaarschap van de bewoners van Smitsveen in Soest over de energietransitie kon worden bevorderd.
DOCUMENT
Voordat domotica ingezet wordt, moet er wel eerst bekend zijn wat u er aan heeft. Neem het Unattended Autonomous Surveillance-systeem (UAS). Maakt dit UAS-systeem bij thuiswonende cliënten met een verpleeghuisindicatie uitstel van verpleeghuisopname mogelijk? Deze vraag heeft Vilans onderzocht in samenwerking met de Hogeschool Utrecht. Het UAS-systeem is een alarmsysteem dat noodsituaties bij mensen thuis signaleert zonder dat bewoners een halszender dragen. Bij drie van de twintig cliënten leidde de inzet van dit systeem tot maanden uitstel van opname in het verpleeghuis. In deze eindrapportage vindt u de resultaten van dit onderzoek.
DOCUMENT
Geen samenwerking beschikbaar
DOCUMENT
De positie van Polen in Den Haag is niet onder een noemer te vatten. De groep varieert in leeftijd, in sekse, in migratiegeschiedenis, in opleidingsniveau: in allerlei kenmerken die relevant zijn voor ervaringen bij migratie. De groep valt daarmee ook niet eenvoudig te vergelijken met eerdere migrantengroepen: alleen al de juridische status en de context van de Europese Unie maakt dat de migratie in een nieuwe context plaatsvindt. In het eerste hoofdstuk, de achtergrondschets, wordt ingegaan op de groepskenmerken. Deze bundel bevat verhalen over migratie-ervaringen. Het is geen poging om een totaal beeld van Polen in Den Haag te schetsen, het is bedoeld om een indruk te geven van verschillende aspecten waarmee deze groep migranten te maken krijgt. Na de achtergrondschets is de bundel gesplitst in twee delen: in deel I wordt verslag gedaan van interviews met Poolse migranten die al langere tijd in Nederland wonen en werken. In deel II zijn verslagen van de afstudeeronderzoeken opgenomen. Het tweede deel begint met het stuk van Natasja Faust en Jennifer Winter over de beelden die in geschreven media over de afgelopen jaren naar voren zijn gekomen. Daarna beschrijft Yvonne van Soest een indruk van de ervaringen van verschillende zorg- en welzijnsinstanties met Polen in Den Haag. Het onderzoek van Roy Nagessar sluit hierop aan, maar kijkt naar de verhalen van vier vrouwen uit Polen die hij bij verschillende organisaties is tegengekomen. Deze twee stukken spelen zich voornamelijk in de wijk Segbroek af. Dat is niet toevallig: het is een wijk waar veel Polen wonen en waar veel voorzieningen zijn voor Polen. Het wordt gevolgd door een beschrijving van problemen waar het MCH Westeinde tegenaan loopt bij de nazorg van onverzekerde Midden- en Oost-Europeanen (MOE-landers). Deel II wordt afgesloten met twee stukken over leerlingen in Den Haag. Het eerste is een stuk gebaseerd op het onderzoek van drie studenten bij het Nova-college over de houding en participatie van Poolse leerlingen in het schakeltraject. Dit wordt gevolgd door een onderzoek van Özlem Akbaş en Aygül Uluç Kizilboğa naar Poolse leerlingen binnen het voortgezet onderwijs. In de discussie worden de conclusies uit de hoofdstukken nogmaals in kaart gebracht en besproken. Alle namen die in de teksten voorkomen zijn fictief om de identiteit van de respondenten zoveel mogelijk te verhullen.
DOCUMENT
Het doel van dit onderzoek is om, op bescheiden schaal, kennis en inzicht te ontwikkelen over de betrokkenheid, motivatie en organisatiekracht van sportverenigingen bij de organisatie van de buurtsportclubs in Overvecht en Leidsche Rijn. Dit levert informatie op over de mate van draagvlak en eigenaarschap bij sportverenigingen met betrekking tot de buurtsportclubs. Daarnaast biedt het inzicht in de wijze waarop scholen werken aan een structurele samenwerking met de buurtsportclubs. Uiteindelijk leidt het onderzoek tot praktijkgerichte aanbevelingen ten behoeve van beleid en praktijk omtrent de buurtsportclubs.
DOCUMENT
Vanwege de achterblijvende aantallen lidmaatschappen bij sportverenigingen van Utrechtse jeugdigen in de wijken Zuid, Noordwest, Overvecht en Zuidwest, is de gemeente Utrecht enkele jaren geleden gestart met het opzetten van zogenaamde buurtsportclubs. Buurtsportclubs hebben het doel om meer jeugdigen uit deze wijken naar de sportverenigingen toe te leiden. Buurtsportclubs zijn een tussenstap naar het traditionele sportaanbod op de verenigingen. Kinderen kunnen er tegen gereduceerd tarief aan verschillende sporten in hun buurt deelnemen, waardoor ze op laagdrempelige wijze kennis maken met verschillende sporten en hierdoor de mogelijkheid wordt geboden door te stromen naar een sportvereniging. Op deze wijze kunnen de kinderen dicht bij huis en tegen een klein bedrag sporten uitproberen en kunnen sportverenigingen meer bekendheid genereren in wijken met veel potentiele (jeugd)leden. De gemeente zou graag meer inzicht willen hebben in het bereik en effect van de buurtsportclubs. De opzet en het resultaat van de buurtsportclubs als ‘tussenstation’ naar de reguliere verenigingen lijken nog niet optimaal.
DOCUMENT
Spatial variation in habitat riskiness has a major influence on the predator–prey space race. However, the outcome of this race can be modulated if prey shares enemies with fellow prey (i.e., another prey species). Sharing of natural enemies may result in apparent competition, and its implications for prey space use remain poorly studied. Our objective was to test how prey species spend time among habitats that differ in riskiness, and how shared predation modulates the space use by prey species. We studied a one‐predator, two‐prey system in a coastal dune landscape in the Netherlands with the European hare (Lepus europaeus) and European rabbit (Oryctolagus cuniculus) as sympatric prey species and red fox (Vulpes vulpes) as their main predator. The fine‐scale space use by each species was quantified using camera traps. We quantified residence time as an index of space use. Hares and rabbits spent time differently among habitats that differ in riskiness. Space use by predators and habitat riskiness affected space use by hares more strongly than space use by rabbits. Residence time of hare was shorter in habitats in which the predator was efficient in searching or capturing prey species. However, hares spent more time in edge habitat when foxes were present, even though foxes are considered ambush predators. Shared predation affected the predator–prey space race for hares positively, and more strongly than the predator–prey space race for rabbits, which were not affected. Shared predation reversed the predator–prey space race between foxes and hares, whereas shared predation possibly also released a negative association and promoted a positive association between our two sympatric prey species. Habitat riskiness, species presence, and prey species’ escape mode and foraging mode (i.e., central‐place vs. noncentral‐place forager) affected the prey space race under shared predation.
DOCUMENT
interne publicatie; CD-ROM Professional in Beeld, aanbod aan scholenveld
DOCUMENT
In this study, we regard co-creation as a collaborative process where students, lecturers and working field professionals from outside the university jointly develop innovative products, processes or knowledge. In co-creation all stakeholders equally contribute to the collaborative process and aim to create beneficial outcomes for each participant. Co-creation can be used as a valuable pedagogical method to support continuous interaction between learning and working in higher education to foster innovation. However, this process is not necessarily mastered by co-creation groups. In order to identify which components of this collaboration process can be further improved, we developed a questionnaire to assess co-creation processes in higher education. Students, lecturers and working field professionals participating in co-creation projects completed the questionnaire. We validated the questionnaire using a principal component analysis. The seven extracted scales proved to be sufficiently reliable. The final questionnaire consists of seven components: positive interdependence, individual accountability, collaboration, shared mental models, safe and supporting conditions, creative community, and group evaluation. We described how the tool can be used in practice.
DOCUMENT