The COVID–19 pandemic led to local oxygen shortages worldwide. To gain a better understanding of oxygen consumption with different respiratory supportive therapies, we conducted an international multicenter observational study to determine the precise amount of oxygen consumption with high-flow nasal oxygen (HFNO) and with mechanical ventilation. A retrospective observational study was conducted in three intensive care units (ICUs) in the Netherlands and Spain. Patients were classified as HFNO patients or ventilated patients, according to the mode of oxygen supplementation with which a patient started. The primary endpoint was actual oxygen consumption; secondary endpoints were hourly and total oxygen consumption during the first two full calendar days. Of 275 patients, 147 started with HFNO and 128 with mechanical ventilation. Actual oxygen use was 4.9-fold higher in patients who started with HFNO than in patients who started with ventilation (median 14.2 [8.4–18.4] versus 2.9 [1.8–4.1] L/minute; mean difference 5 11.3 [95% CI 11.0–11.6] L/minute; P, 0.01). Hourly and total oxygen consumption were 4.8-fold (P, 0.01) and 4.8-fold (P, 0.01) higher. Actual oxygen consumption, hourly oxygen consumption, and total oxygen consumption are substantially higher in patients that start with HFNO compared with patients that start with mechanical ventilation. This information may help hospitals and ICUs predicting oxygen needs during high-demand periods and could guide decisions regarding the source of distribution of medical oxygen.
MULTIFILE
In the aviation sector, the variability in the appreciation of safety risk perception factors and responses to risk behaviours has not been sufficiently studied for engineers and technicians. Through a questionnaire survey, this study investigated differences amongst professionals and trainees across eleven risk perception factors and five indicative risk behaviour scenarios. The findings indicated significant differences between the two groups in four factors and three scenarios as well as within groups. Moreover, age, years of work and study and educational level were other factors accounting for such differences within each group of professionals and trainees. The results showing these significant differences are aligned with relevant research about pilots and indicate that the appreciation of risk perception factors by aviation engineers and the development of their risk behaviours deserves more attention. Our findings cannot be generalised due to the small sample and its distribution across the demographic variables. However, the results of this study suggest the need tailoring risk communication and training to address the different degrees to which influences of risk perception factors are comprehended, and risk behaviours emerge in aviation engineering trainees and professionals. Further research could focus on the development of a respective uniform framework and tool for the specific workforce group and could administer surveys to more extensive and more representative samples by including open-ended questions and broader social, organisational and systemic factors.
Obesity and other lifestyle-related diseases are, amongst others, the result of an unbalanced diet and lifestyle. Excessive intake of energy, salt, saturated fat and sugar are leading to increased risk of chronic diseases, such as cardiovascular diseases, cancer and diabetes (WHO/FAO). Therefore, a healthier food intake (diet) is needed. But when is a food product healthier? From a nutritional perspective it is clear: the lower the levels of nutrients with a negative public health impact, the better the product fits in a healthy diet. However, when it comes to improving the health impact of the food supply through reformulation, other aspects are important as well. This article describes the ‘framework for product reformulation’, which integrates four essential disciplines: Nutrition & health, Foodtechnology, Legislation and Consumer perspective.
MULTIFILE
Kunstenaars en andere ‘creatieven’ vinden steeds moeilijker betaalbare werkruimte. Atelierstichtingen en broedplaatsorganisaties zitten klem tussen oplopende kosten, teruglopende subsidies en de structureel zwak-ke inkomenspositie van de hurende kunstenaars. Een manifest van Platform BK, dat beeldend kunstenaars vertegenwoordigt, en de KunstenBond agendeert dit vraagstuk. Een bijkomend probleem vormt de hoogspan-ning op de vastgoedmarkt, waardoor panden zeer gewild zijn bij projectontwikkelaars en gemeenten geneigd zijn om voor de panden die zij aan deze organisaties verhuren andere draagkrachtigere huurders te zoeken. Medewerkers en management van broedplaatsorganisaties staan voor de uitdaging om hun businesscase maatschappelijk en financieel te verduurzamen. Dit vraagt om nieuwe waardeproposities en herpositionering ten opzichte van de gemeente en andere publieke en private stakeholders. Ook het profiel van de broed-plaatsprofessional verandert. Ontwikkelaars van broedplaatsen zijn veelal geleidelijk in hun organiseren-de/coördinerende rol gegroeid. Het speelveld van stedelijke (gebieds)ontwikkeling waarop zij opereren is echter dynamisch. De broedplaatsprofessional krijgt steeds nadrukkelijker de positie van stedelijke kwartiermaker: een nieuwe, hybride rol op het snijvlak van vastgoed, cultuur, welzijn en ruimtelijk(-economisch)e ontwikkeling. Dit project beoogt broedplaatsorganisaties te voeden met (bedrijfs-)strategieën om hun businessmodel toe-komstbestendig te maken en deze te vertalen naar benodigde competenties voor de betrokken professionals. Alleen zo kunnen zij blijven bijdragen aan de politiek gewenste levendige en veelkleurige stad, waar mensen graag wonen en bedrijven zich graag vestigen. Veel onderzoek onderbouwt dat steden die investeren in cultuur economisch beter presteren. Daarbij gaat het niet alleen om toptheaters en –musea maar juist ook om innova-tie en creativiteit ‘van onderop’. Fontys Hogescholen gaat deze problematiek onderzoeken met inzet van een breed consortium creatieve ver-zamelgebouwen, netwerk- en kennispartners. Gezamenlijk vertegenwoordigen deze organisaties ruim 300 ate-liergebouwen/broedplaatsen, 4.700 werkruimten en honderdveertig professionals. De broedplaatsenproble-matiek speelt bovendien in vrijwel alle G40-steden, hetgeen de resultaten van dit project potentieel relevant maakt voor honderden professionals bij gemeenten, woningcorporaties en andere vastgoedeigenaren.
In het interdisciplinaire CIRC-PEB project wordt het Product Architecture Mapping (PAM) instrument − een Lean methode die een systematische ontwikkeling van de productarchitectuur ondersteunt − in nauwe samenwerking met drie MKB (maak)bedrijven en één grootbedrijf verder ontwikkeld en toegepast in de richting van duurzaamheid en circulariteit. Hierbij is ook aandacht voor nieuwe product-dienst combinaties. Tevens richt CIRC-PEB zich op een sterkere koppeling van PAM, wat zich vooral richt op de ‘waarde-propositie’ van een bedrijf, met de andere bedrijfsmodel componenten: ‘waarde creatie’, ‘waarde netwerk’, en ‘waarde toe-eigening’ of verdienmodel. Deze koppeling is van belang omdat PAM keuzes direct invloed hebben op de mogelijkheden en onmogelijkheden voor andere bedrijfsmodel componenten. Het resultaat is een meer holistisch en toekomstbestending analyse-instrument voor circulaire bedrijfsmodellen wat past bij het toenemende belang van duurzaamheid in de maakindustrie. Na een eerste toepassing van het vernieuwde instrument in de consortiumbedrijven worden inzichten verder verspreid onder andere MKB maakbedrijven en studenten.
Professionals van woningbouwcorporaties en gemeentes die zich bezig houden met verduurzaming hebben vragen over hergebruik van afvalhout uit hun (renovatie) projecten. De doelstelling van dit voorstel is het onderzoeken van de mogelijkheden om hout te hergebruiken door gebruik te maken van innovatieve digitale productietechnieken, en om implementatiestrategieën hiervoor te ontwikkelen voor publieke organisaties in de bouwsector, in het bijzonder woningcorporaties en gemeentes. Strategieën omvatten concrete voorstellen om a) afvalhout van woningen in te zamelen en te verwerken; b) waarde toe te voegen aan houtafvalstromen door middel van digitale productie; c) de betrokkenheid en acceptatie van huurders te vergroten bij circulaire verwerking van hout in nieuwe toepassingen; en d) goede toepassingen voor een circulaire economie te realiseren. Het project onderzoekt aard en omvang van houtafvalstromen uit woningrenovatie en identificeert de mogelijkheden voor het hergebruik van specifieke fracties daarvan voor (lokale) toepassingen. Uit voorgaande projecten blijkt dat digitale productie mogelijkheden biedt om stedelijk afval om te zetten in zinvolle circulaire producten. Digitale productie maakt de (lokale) creatie van unieke prototypen en grootschalige toepassingen mogelijk. Het onderzoek wordt uitgevoerd in vier werkpakketten. De eerste identificeert de aard van huishoudelijk houtafval (volume, houtsoort, verzamelproces) door zorgvuldig cases van Ymere en Rochdale te bestuderen. Daarnaast worden er een raamwerk van indicatoren gedefinieerd om projectresultaten te kunnen evalueren. Het tweede werkpakket onderzoekt welke toepassingen kunnen worden bedacht, gegeven de beschikbare houtfracties. In het derde werkpakket wordt een aantal case studies uitgevoerd voor concrete projecten van de deelnemende woningcorporaties. Deze applicaties hebben als doel het potentieel van digitale productie met houtafval te laten zien, rekening houdend met het perspectief van bewoners. Het biedt belangrijke inzichten in de uitvoerbaarheid van concrete toepassingen uit teruggewonnen hout. In het vierde werkpakket worden alle projectbevindingen gecombineerd in een set implementatie strategieën voor publieke organisaties in het stedelijk domein.