Het ondersteunen van leerlingen met kenmerken van autisme is een uitdaging. Deze leerlingen ervaren vaak moeilijkheden in betrokkenheid bij het leren, wat schoolprestaties en uitval beïnvloedt. Leerkrachten missen soms de juiste kennis en competenties om goed aan te kunnen sluiten bij de ondersteuningsvraag van leerlingen. Samenwerking met de jeugdhulpverlening kan bijdragen aan een betere aanpak, maar vraagt om professionalisering.In ’t PASST Samen is een professionaliseringstraject ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd via ontwerponderzoek. De centrale vraag was: Hoe draagt een professionaliseringstraject bij aan het versterken van het handelen in de klas en hetinterprofessioneel samenwerken van leerkrachten en jeugdhulpverleners, zodat zij een integrale aanpak kunnen vormgeven waarmee de betrokkenheid van leerlingen met (kenmerken van) autisme wordt vergroot? Om de interprofessionele samenwerking en het handelen in de klas te meten, zijn een vragenlijst, dagboekjes, observaties in de klas en waardecreatie-interviews gebruikt.In de resultaten kwam naar voren dat het bieden van structuur helpt bij de ondersteuning van leerlingen met autisme en dat professionals hierin vaardig zijn. Autonomieverlening blijft echter een uitdaging. De observaties toonden een positief verband tussen autonomieverlening en betrokkenheid, hoewel er per casus verschillenwaren. De ontwikkeling in autonomieverlening en betrokkenheid verschilden eveneens per dyade (professional-leerling-koppel). Er leek een plafondeffect in betrokkenheid en autonomieverlening te ontstaan en een terugval in de kwaliteit van de interactiepatronen. Wat betreft de interprofessionele samenwerking tussen leerkrachten en jeugdhulpverleners bleken waardering voor expertise, collectief eigenaarschap van doelen en kennisdeling essentieel te zijn, maar er zijn ook knelpunten genoemd, zoals tijdgebrek. Uit ingevulde dagboekjes kwam naar voren dat er een grote verscheidenheid is aan samenwerking, zowel van moment tot moment als van persoon tot persoon. Professionals waren positiever over de aanpak dan over deinterprofessionele afstemming. Het lijkt van belang om te investeren in randvoorwaarden, het samen formuleren van een visie en cyclisch (samen)werken. De evaluatie van de professionalisering toonde aan dat het traject vooral directe, potentiële en toegepaste waarde voor de praktijk had. De train-de-coach en het netwerkleren bleken daarnaast ook gerealiseerde waarde voor de praktijk te hebben, ze droegen bij aan veranderingen binnen de organisatie. De coaching bood professionals inzicht en praktische tips voor in de klas. De online leeromgeving werd weinig gebruikt, maar had wel waarde.De resultaten bieden aanleiding voor een vervolgonderzoek, bijvoorbeeld naar het langere termijneffect van deze professionalisering of naar de samenhang in autonomieverlening met structuur bieden en flexibel ondersteunen als het gaat om leerlingen met (kenmerken van) autisme. Het project resulteerde in een gevalideerd professionaliseringstraject met handleidingen en praktische (e)tools. Deze bieden overdraagbare oplossingen voor leerkrachten en jeugdhulpverleners, en dragen bij aan inclusiever onderwijs.
DOCUMENT
In deze kennisclip wordt het concept gevoel van autonomie helder en praktisch uitgelegd. Aan de hand van wetenschappelijke inzichten uit de zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan ontdekken kijkers waarom autonomie cruciaal is voor motivatie, betrokkenheid en leerresultaten. We ontkrachten een hardnekkige onderwijsmythe en laten zien hoe autonomie op een gestructureerde manier in de onderwijspraktijk versterkt kan worden.
MULTIFILE
Excellentieprogramma’s staan sinds de start van het Sirius Programma hoog op de nationale onderwijsagenda. Intrinsiek gemotiveerde honoursstudenten prefereren docenten die hun motivatie voeden door autonomie-ondersteuning, gecombineerd met het bieden van structuur en verbondenheid. Deze studie richt zich op de samenhang tussen hoe een docent bepaalde aspecten in zijn/haar sociale werkomgeving ervaart en welke invloed dat heeft op zijn/haar doceerstrategie, in het bijzonder de strategie die autonomie ondersteunt. Daarnaast is ook nagegaan of de soort instelling (met of zonder Sirius subsidie) van invloed is op de autonomie-ondersteunende doceerstijl. De onderzochte hypothese luidt: het bieden van een autonomie-ondersteunende doceerstijl aan studenten in extracurriculaire excellentieprogramma’s hangt positief samen met docenten die zelf vrijheid ervaren vanuit hun sociale werkomgeving, die zelf intrinsiek gemotiveerd zijn, en die zelf een growth mindset hebben. Honoursdocenten (N = 47) van zes hogescholen hebben een digitale vragenlijst ingevuld. Correlatieberekeningen laten zien dat een fixed mindset gepaard gaat met het bieden van meer structuur, en dat het ervaren van druk vanuit de sociale werkomgeving gepaard gaat met het bieden van minder autonomie en minder structuur. De balans tussen autonomie en structuur en ervaren werkomgevingsdruk blijft een belangrijk thema voor toekomstig beleid en scholing rondom excellentieprogramma’s.
DOCUMENT
Honours studenten hebben behoefte aan een autonomie-ondersteunende doceerstijl (Núñez, Fernández, León, & Grijalvo, 2014). In het huidige onderzoek onder docenten (N = 54) van zes hogescholen is van persoonlijke (intrinsieke motivatie, overtuiging met betrekking tot ontwikkelbaarheid van intelligentie en ervaren druk) en organisatorische kenmerken (type instelling) nagegaan of zij samenhangen met het bieden van een autonomie-ondersteunende doceerstijl in extracurriculaire excellentieprogramma’s. Docenten scoren hoog op de autonomie-ondersteunende doceerstijl. Correlationele analyse laat zien dat docenten die meer overtuigd zijn dat intelligentie niet ontwikkelbaar is (mindset theorie van Dweck), meer structuur bieden. Docenten die meer druk ervaren bieden minder autonomie én minder structuur. Organisatorische kenmerken van hogescholen lijken niet direct van invloed te zijn op autonomie-ondersteuning. Onderwijs Research Dagen. Leiden. (2015, June).
DOCUMENT
Beschikbaar via link voor medewerkers Hogeschool Utrecht. Recensie van: Tongeren, P. van (2018). Willen sterven: Over de autonomie en het voltooide leven. Utrecht: Kok.
LINK
In 2016 is in het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs het artikel ‘De autonomie-ondersteunende doceerstijl in excellentieprogramma’s: de invloed van mindset, motivatie en druk vanuit de sociale werkomgeving’ verschenen. Deze blog geeft een samenvatting van dit artikel en een aantal toepassingsmogelijkheden voor docenten en opleidingscoördinatoren in de praktijk
LINK
Het doel van dit artikel is om een brede visie te schetsen op creativiteit in de kunsteducatie en het belang van autonomie voor leerlingen daarin. Eerst bespreken we de verschillende definities van het begrip creativiteit in de literatuur. Vervolgens lichten we onze bredere en dynamische visie op creativiteitsontwikkeling toe.Hoewel creativiteit in de literatuur vaak geassocieerd wordt met creatief denken, bespreken we in dit artikel dat creativiteit niet alleen een zaak is van het hoofd maar ook van het lichaam en van de omgeving. In die leeromgeving spelen leerkrachten een cruciale rol. We gaan in op de wederkerige relatie tussen creativiteit en motivatie bij leerlingen en de autonomie-ondersteuning door leerkrachten om het creatieve denken en handelen van leerlingen in de kunsteducatie te stimuleren.We bespreken zowel de verbale als de non-verbale aspecten van het ondersteunen van de creatieveautonomie van leerlingen. Vervolgens maken we aan de hand van praktische voorbeelden de vertaling naar de onderwijspraktijk. Tot slot doen we aanbevelingen voor de beroepspraktijk en de lerarenopleidingen.
LINK
Presentatie VELON conferentie voor lerarenopleiders 2016, 4 en 5 februari 2016.Docenten werken graag met intrinsiek gemotiveerde studenten. Vanuit de literatuur weten we dat studenten, die intrinsiek gemotiveerd zijn, een sterke behoefte hebben aan een docent die hen ondersteunt in hun autonomie, gecombineerd met het bieden van structuur en verbondenheid. Deze studie richt zich op excellentieprogramma’s. Studenten in deze leeromgeving zijn veelal intrinsiek gemotiveerd. Om een autonomie-ondersteunende doceerstijl in te kunnen zetten, is het van belang dat de docent zelf gemotiveerd is en vrijheid ervaart. Deze studie richt zich op de samenhang tussen hoe een docent bepaalde aspecten in zijn werkomgeving ervaart en welke invloed dat heeft op zijn doceerstrategie – en dan in het bijzonder de strategie die autonomie ondersteunt.
DOCUMENT