Halverwege 2020 startte de Regionale Kenniswerkplaats Jeugd Noord-Holland (RKJ-NH) met vier leerateliers, alle gericht op het vraagstuk hoe in de regio vanuit verschillende invalshoeken betere aansluiting gevonden kan worden bij (potentiële) informele hulpbronnen van jeugdigen met een ondersteuningsbehoefte. De Regionale Kenniswerkplaats Jeugd wordt gesubsidieerd door ZonMw. Dit onderzoeksverslag gaat specifiek over de onderzoeksresultaten uit leeratelier 4. Centraal thema in dit leeratelier is het versterken van de samenwerking tussen de formele en informele steunbronnen rondom het kind, om zo de professionele zorg zo kort mogelijk in te zetten. Er is hierbij gebruikgemaakt van een literatuuronderzoek van Paula Smith uit 2021)1 en van kwalitatief onderzoek, bestaande uit semigestructureerde interviews en dossieronderzoek. Dit onderzoeksverslag betreft de resultaten van het kwalitatieve onderzoek.
DOCUMENT
Met dit rapport zijn aanknopingspunten in kaart gebracht voor het bevorderen van samenwerking tussen formele en informele steunstructuren in de wijk. De aanknopingspunten vormen een aanzet tot het duurzaam ondersteunen en uitbouwen van wijk- en herstelgerichte ggz.
DOCUMENT
Een literatuurstudie naar het versterken van informele en formele verbindingen rondom jeugdigen en gezinnen in de specialistische hulpverlening. Wat is er internationaal en nationaal bekend over het versterken van de samenwerking tussen het informele en formele netwerk? Deze vraag heeft centraal gestaan. In deze literatuurstudie staat beschreven welke kenmerken jeugdigen belangrijk vinden in de relatie met hun sociaal werker en andere belangrijke volwassenen. Ook worden er verschillende netwerkbenaderingen beschreven, waaronder de JIM-aanpak. In de conclusie worden er handelingsalternatieven geboden voor de professional. Deze literatuurstudie dient als vooronderzoek voor een praktijkonderzoek waarin er met een dossieranalyse wordt gekeken naar de mate waarin professionals het netwerk van jeugdigen en gezinnen optimaal benutten.
DOCUMENT
We zijn tegenwoordig allemaal wel actief op sociale netwerksites zoals Facebook of Linkedin. Hoewel sociale netwerken op die manier zowel privé als zakelijk maximaal worden ingezet en positief worden gewaardeerd, lijkt de sociale sector dat vreemd genoeg beduidend minder te doen. Dat is niet altijd zo geweest, enkele decennia geleden was er wel degelijk de nodige theorievorming en ontwikkeling van sociale interventies. Het nieuwe sociaal beleid in Nederland, mede naar aanleiding van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), vraagt om meer zorgkracht uit sociale netwerken van burgers. Die zorgkracht is er niet automatisch, maar kan en moet door professionals 'ontgonnen' worden. In dit boek wordt daarom de oude vakkennis van onder het stof gehaald en geactualiseerd met nieuwe relevante ervaringen. Deze publicatie bevat resultaten van de Wmo-werkplaats Noord-Brabant.
DOCUMENT
Het sociaal netwerk vormt een belangrijk thema doordat vanuit de Wmo verondersteld wordt dat de cliënt eerst de eigen kracht aanboort, alvorens er professionele hulp kan worden ingeschakeld. Dat betekent dat hij ook de kracht die het eigen sociaal netwerk bezit moet benutten. Het gaat bij kracht van het sociaal netwerk om steun die door familie, vrienden , kennissen en buren gegeven kunnen worden. Hierdoor kan de cliënt langer zelfstandig thuis blijven wonen en/of meer participeren in de samenleving. In de literatuur wordt wel onderscheid gemaakt tussen het persoonlijk – en het maatschappelijk steunsysteem van de cliënt. Bij het maatschappelijk steunsysteem gaat het dan met name over het benutten van algemene voorzieningen als vrijwilligers of lotgenotencontacten etc. In deze docentenhandreiking ligt de focus op het persoonlijk steunsysteem. De opzet van deze handreiking is dat je als docent tijdens je lessen voor een bepaald vak waar het onderwerp Sociale netwerken bij aan de orde komt, kan putten uit dit lesmateriaal. Daarbij kun je gericht zoeken vanuit de deelthema’s waar deze docentenhandreiking uit is opgebouwd. Ieder deelthema wordt kort ingeleid. Hierdoor krijgt de lezer een goede indruk van de belangrijkste items die bij ieder deelthema aan de orde zijn. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de literatuur en onderwijsmodules uit de Wmo-werkplaatsen, zodat jij en studenten zich verder in het thema kunnen verdiepen. Tot slot wordt bij ieder deelthema een aantal opdrachten geformuleerd die je als docent kan gebruiken als opdrachten tijdens de lessen.
DOCUMENT
Er wordt te weinig aan ICT gedaan in het onderwijs, schreef Marcel Creemers in september in Automatisering Gids. Er dreigt een tekort aan mensen die een brug kunnen slaan tussen business en IT. Maar dat wil niet zeggen dat de docenten stilzitten, zegt Piet Alblas. Samen met het bedrijfsleven hebben hogescholen tal van netwerken in het leven geroepen om kennis te delen. Dat is niet voldoende maar wel een belangrijk begin.
DOCUMENT
Full text via link. In de Wmo-werkplaats Utrecht bekijkt men in zogenaamde leerwerkplaatsen hoe formele en informele zorg het beste op elkaar afgestemd kunnen worden. Onderzoeken, leren, innoveren en ondernemen vormen de bouwstenen van deze communities of practise and learning
LINK
2e ed. Het vak Elektrische netwerken is een van de vakken in het elektrotechnisch onderwijs die een brug slaan tussen de exacte natuurkundige en wiskundige theorie, en de veelal niet-exacte werkelijkheid. Deze tweede editie van Elektrische netwerken is grondig herzien. De invalshoek is echter ongewijzigd: het accent ligt nog steeds op de praktische toepasbaarheid. Daarbij spelen ook simulatiepakketten een steeds grotere rol. Technisch inzicht en aansluiting bij de praktijk krijgen dan ook beduidend meer aandacht dan formele theoretische bewijsvoering. Elektrische netwerken bestaat uit drie delen: `basis', `verdieping' en `verbreding'. Het eerste deel begint bij de basiswetten van Kirchhoff en eindigt bij een eerste kennismaking met frequentiekarakteristieken en de complexe rekenwijze. Zo biedt dit deel de algemene basiskennis die iedere aankomende elektrotechnicus nodig heeft. Het tweede deel gaat dieper in op de complexe rekenwijze, tweepoorten, gestuurde bronnen en systematische berekeningsmethoden. Hoewel expliciet rekening gehouden is met de toenemende mogelijkheden van elektronische rekenmachines, is inzicht in de achterliggende theorie onmisbaar voor een juiste toepassing. Het derde deel ten slotte is bedoeld om het blikveld te verruimen. Hier komen onder andere Fourier en Laplace aan de orde, maar ook `technisch inzicht', gekoppelde ketens en lange leidingen. Het laatste hoofdstuk is een open uitnodiging om dit uitgestrekte terrein verder te verkennen; elektromechanische modelvorming en gyrators dienen als voorbeelden. Belangrijke kenmerken van dit boek zijn: o het is een prettig leesbare inleiding tot een belangrijk vakgebied; o het maakt duidelijk onderscheid tussen `basis', `verdieping' en `verbreding'; o het sluit goed aan bij de hedendaagse praktijk, inclusief computersimulatie; o het bevat een veelheid aan oefenopgaven, zowel open als meerkeuzevragen. Op de begeleidende website staan extra opgaven en aanvullend materiaal. Op cd-rom is een studentenversie van PSpice ) bijgevoegd.
DOCUMENT
In de programmalijn Zorg in Balans, één van de vier programmalijnen van het Lectoraat Participatie, Zorg en Ondersteuning van de Hogeschool Utrecht, worden verdiepende gesprekken georganiseerd rond actuele onderwerpen die in de lijn van het programma liggen. Dit artikel is het resultaat van een verdiepend gesprek over sociale netwerken, met als uitgangspunt de tekst van de Wmo-Wijzer 'Werken met sociale netwerken' van J.P. Wilken uit 2016.
DOCUMENT
De vooronderstelling is dat, in het licht van deze transformatie van zorg er bij professionals en organisaties grote behoefte is aan kennis en handvatten om gerichte ondersteuning te geven aan informele zorg. Hoewel er al veel gepubliceerd is over mantelzorg, vrijwillige zorg en netwerkontwikkeling is deze kennis nog niet altijd bij uitvoerende instanties terecht gekomen. Tegelijkertijd zijn er goede praktijken waarbij de kennis niet verder reikt dan de eigen organisatie. Binnen het project Samenspel formele en informele zorg is door professionals, informele zorg en docent- en studentonderzoekers gewerkt aan het verzamelen en ontwikkelen van professionele kennis, vaardigheden en attitude om de professionele ondersteuning van informele zorg effectief te laten zijn en te weten aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Binnen het project richten we ons op specifiek op de ondersteuning van informele zorg wanneer er sprake is van dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of een licht verstandelijke beperking (LVB). We hebben daarbij gezocht naar overeenkomsten en verschillen tussen deze drie sectoren. In dit rapport zullen de resultaten worden beschreven. Hoewel we in het project uitgaan van een integrale benadering zullen er verschillende perspectieven worden uitgelicht
DOCUMENT