Hoofdstuk 4 uit De recidivist als medeburger Samenvatting boek: Jaarlijks keren ongeveer 30.000 ex-gedetineerden terug in de lokale samenleving. In een flink aantal gevallen vallen zij na enige tijd terug in het plegen van strafbare feiten. Bekend is dat circa 70 procent van de ex-gedetineerden na 6 jaar weer in aanraking komt met politie en justitie. Dit leidt, zeker wanneer het gaat om ex-zedendelinquenten en plegers van gewelddadig gedrag, in toenemende mate tot maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rol van de burgemeester en in het algemeen het openbaar bestuur is in deze situaties van toenemend belang. De kans dat een ex-gedetineerde een recidivist en een veelpleger wordt en blijft is groot. Een goede begeleiding van de terugkeer van ex-gedetineerden is dan ook van groot belang om te voorkomen dat zij terugvallen in hun oude gedrag. Bij deze nazorg vanuit detentie zijn dan ook verschillende partijen betrokken. In dit boek wordt deze problematiek door een aantal gerenommeerde deskundigen uiteen gezet en er worden voorbeelden gegeven van succesvolle praktijken om ex-gedetineerden en ex-Tbs-gestelden te re-integreren in de (lokale) samenleving, waarbij ook enkele buitenlandse praktijken worden beschreven.
LINK
Het Kenniscentrum Sociale Innovatie van Hogeschool Utrecht doet onderzoek naar de maatschappelijke effecten van de lokale aanpak extremisme. Centraal staat daarbij de vraag: beschikken eerstelijnswerkers over de nodige kennis en begrip om de mate van bereidheid voor (gewelddadig) extremisme en terrorisme van een individu te beoordelen? Vandaag komt het tweede rapport uit in een reeks van drie. Het verkennende onderzoek richt zich op risico-inschattingen van lokale veiligheidsprofessionals aangaande de volgende vraag: in hoeverre is een jongere over wie signalen van vermeende radicalisering binnenkomen, bereid om geweld te gebruiken? In de meeste gevallen gaat het wellicht om vijandige uitingen of gedrag, maar niet om jongeren die voornemens zijn om daadwerkelijk gewelddadige acties te ondernemen. Als zodanig beslissen eerstelijnsprofessionals bij het adresseren van risico’s of bedreigingen tegelijkertijd ook over het recht op vrijheid van meningsuiting. Dan is het wel van groot belang om in kaart te brengen hoe vermeende signalen gewogen en geduid worden op gemeentelijk niveau.
In de afgelopen jaren is terrorismebestrijding wereldwijd zich meer gaan richten op het anticiperen op de dreiging die ervan uitgaat. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en de Europese Commissie benadrukken daarom steeds meer dat preventie geboden is. Uitgangspunt is dat terroristische daden niet alleen kunnen worden voorkomen met repressieve maatregelen, maar dat radicaliseringsprocessen naar gewelddadig extremisme in een vroeg stadium moeten worden ontdekt. Het gaat daarbij om een fase die te boek staat als ‘vroegsignalering’, met als doel preventief dreigingen te identificeren die bijdragen aan mogelijk extremistisch geweld. De focus hierbij ligt op het signaleren van afwijkend gedrag, en tegelijkertijd op het bevorderen van sociale stabiliteit op wijkniveau. Professionals die dagelijks in direct contact staan met burgers, onder wie de lokale politieagenten, zouden hierin een sleutelrol spelen.