Types
0Institute
26File type
9Language
5Publication year
12Themes
14Product Type
14Publications including file / URL
2Projectstatus
3Deze aflevering gaat over investeren in de fruitteelt. We bespreken de aspecten waar rekening mee gehouden moet worden bij het doen van investeringen in de agrarische sector. Specifiek wordt er ingegaan op de fruitteelt. Deze sector is de afgelopen jaren sterk veranderd. Weersomstandigheden hebben effect op bijv. ziekten en plagen, op bloemknopschade, en op waterbeschikbaarheid. Fruittelers maken hierdoor andere afwegingen dan voorheen! Linda Snippe, onderzoeker bij Hogeschool Inholland, gaat hierover in gesprek met twee ervaren adviseurs van Delphy, een organisatie gespecialiseerd in innovatie in de land- en tuinbouwsector: Milan en Gerjan. Wat zijn preventieve maatregelen die de kans op een goede oogst vergroten? En welke keuzes kunnen telers beter wel of niet maken als het gaat om investeringen in de fruitteelt? Hoe verschilt dat met 15 jaar geleden?”
LINK
Mogelijk investeren meer ondernemers in hun bedrijf dan tot nu toe bekend, omdat we onderschatten hoeveel er vanuit eigen middelen wordt gefinancierd. Er zijn 165.000 zzp’ers met een financieringsbehoefte ten opzichte van 118.000 mkb’ers. Dat blijkt uit schattingen van KVK en Hogeschool Utrecht uit het onderzoek ‘Investeren en financieren door zzp en mkb ondernemers’. Bij de overweging van financieringsvormen kijken ondernemers in de eerste plaats naar kosten (73%) en het rentepercentage (67%). Er is maar bij 14% van de ondernemers een financierings- of investeringsbehoefte. Van de ondernemers met een financieringsbehoefte gaf 57% aan alleen gebruik te hebben gemaakt van eigen middelen. 31% maakte gebruik van eigen middelen en externe financiering of subsidies. Slechts 12% gebruikt louter externe middelen. Privé inbreng domineert bij zzp’ers meer dan bij het mkb. Wij zagen dat 34% van alle ondernemers - zonder enige investerings- of financieringsbehoefte – eigen middelen inbrengt. Het lijkt er daarmee op dat ondernemers de term investerings- en/of financieringsbehoefte in enquêtes associëren met externe financieringen. Mogelijk investeren veel meer ondernemers in hun bedrijf dan tot nu toe gemeten is. Ondernemers zijn het bekendst met een banklening (93%), fiscale aftrek (90%), crowdfunding (85%) en een lening van vrienden en familie (86%). Ondernemers zijn het minst bekend met kredietunies (23%), regionale ontwikkelingsmaatschappijen (35%), online flitskredieten (35%) en financiering met ingehouden winsten (37%). Algemeen geven mkb ondernemers aan iets meer bekend te zijn met financieringsvormen en -bronnen dan zzp’ers. 13% van de ondernemers had behoefte aan informatie over financiering. De rol van de financiële adviseur is daarbij van belang. Ruim 75% van de ondernemers raadpleegt een onafhankelijk financieel adviseur (30%), een accountant (24%) of een boekhouder (21%).Ondernemers die informatie inwonnen deden dat ook bij de bank (51%) en op internet (46%). Wij vroegen zzp en mkb ondernemers of zij een financier zekerheden zouden kunnen bieden. 38% van de zzp’ers gaf aan geen zekerheden te kunnen bieden. Als er wel zekerheden zijn, dan is het vooral privé vermogen (34%) en privé onroerend goed (32%). Mkb ondernemers zagen meer mogelijkheden. Zij kunnen vaker privé onroerend goed (45%) en privé vermogen (39%) inbrengen dan zzp’ers. En mkb’ers kunnen ook vaker zakelijk onderpand bieden met voorraad of debiteuren (33%) of met bedrijf onroerend goed (35%). Slechts 16% gaf aan dat ze een financier geen zekerheden kunnen bieden.
DOCUMENT
Vanwege verschraalde voorzieningen op het platteland willen politieke partijen investeringen tussen stad en platteland herverdelen. Maar zijn de voorzieningen in de stad wel zo ruim bemeten? Het is verstandig per regio een probleemanalyse te maken wat er precies nodig is.
LINK
Boekbespreking "Investeren in vastgoed, grond en gebieden", verschenen bij de uitgever van het boek: SPRYG Real Estate Academy
MULTIFILE
Investeren in kinderen van 0-12 jaar is een literatuurstudie naar beschikbare wetenschappelijke kennis over wat werkt voor het ontwikkelen en leren van kinderen. Negen aannames van waaruit gewerkt wordt bij de ontwikkeling van integrale kindcentra worden wetenschappelijk onderbouwd.
DOCUMENT
Rosa Groen en collega’s onderzochten hoe de idealen van de ‘stad van vrede en recht’ zich verhouden tot wat in hun dagelijks leven ervaren. Zij pleiten ervoor structureel naar hen te luisteren en hen te betrekken bij beslissingen die hen aangaan.
LINK
Mkb’ers durven niet te investeren. Tenminste, als we de voorpagina van het FD van 1 november moeten geloven. In de ‘Staat van het MKB 2019’ van het Comité voor Ondernemerschap staat zelfs dat ondanks de economische groei de bedrijfsinvesteringen niet toenemen. Dit beeld klopt niet.
LINK
Het voorkomen van onderwijsachterstanden is één van de speerpunten van het onderwijsachterstandenbeleid. Voor- en vroegschoolse educatie (vve) is daarbinnen een belangrijk onderdeel. Doel is om kinderen een gunstigere start te bieden als ze naar school gaan. Uitgangspunt is de veronderstelling dat de ontwikkeling van basisvaardigheden op jonge leeftijd van invloed is op de latere ontwikkeling. Dit rapport geeft een overzicht van wat uit onderzoek bekend is over het effect en de invloed van verschillende aspecten van het vve-proces- en –aanbod. Vervolgens worden deze kwaliteitsaspecten gerelateerd aan de Rotterdamse situatie zoals blijkt uit het onderzoek Vve in Rotterdam: investeren in een sterke basis uitgevoerd door de Kenniswerkplaats Rotterdams Talent en uit een vergelijking van het Inspectierapport 2013 met het Inspectierapport van 2015/2016.
DOCUMENT
Toegegeven. Het is voor veel organisaties momenteel niet eenvoudig om aan een goede financiering te komen. Maar investeringen blijven belangrijk, ook in recessietijden. De omvang en samenstelling van het kapitaal bepalen namelijk de toekomstige financiële positie. Foute beslissingen op dit gebied – zoals het afzien van investeringen – kunnen ertoe leiden dat de organisatie in de problemen komt, juist als de economie weer aantrekt. Dit artikel beschrijft een stappenplan om tot een verantwoorde investering te komen.
DOCUMENT
De Nederlandse beroepsbevolking telt ongeveer 9,8 miljoen mensen. Deze groep vormt het belangrijkste kapitaal van onze economie, maar de arbeidsmarkt staat onder druk. Het ziekteverzuim is hoog (5,2 procent in 2024) en het aantal leefstijlgerelateerde aandoeningen neemt toe. Ongezonde voeding speelt hierin een belangrijke rol. Door gezondere eetgewoonten te stimuleren kan een deel van dit probleem worden voorkomen. De werkplek biedt daarvoor een uitgelezen kans: gezonde lunches kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren aan vitaliteit, productiviteit en duurzame inzetbaarheid van werknemers. Dit rapport onderzoekt de maatschappelijke en economische effecten van het aanbieden van gezonde lunches op de werkvloer. De kosten-batenanalyse laat zien dat dit niet alleen gezondheidswinst oplevert, maar ook financieel aantrekkelijk is voor de maatschappij als geheel. Het onderzoek is uitgevoerd door Gibbs Analytics Consulting met advies van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Leids Universitair Medisch Centrum / De Haagse Hogeschool. Aanleiding en doel Nederland kampt met een groeiend aantal mensen met overgewicht en obesitas. Minder dan de helft van de bevolking eet en drinkt volgens de Richtlijnen Goede Voeding. De lunch op de werkvloer heeft veel potentie om eetgewoonten te verbeteren. Door de lunch gezonder te maken – met meer groente, fruit en volkorenproducten – wordt voldoen aan deze richtlijn een stuk haalbaarder. De voedselomgeving waarin mensen keuzes maken, is vaak ongezond. Het aantal fastfoodlocaties neemt toe en ongezonde producten zijn goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar. Bedrijfsrestaurants en kantines kunnen hierin het verschil maken. Door een gezonder aanbod, kunnen zij werknemers helpen gezondere keuzes te maken. De vraag is echter: loont het om te investeren in het aanbieden van een gezonde en betaalbare (of zelfs gratis) lunch op de werkvloer? Uitgangspunten Om deze vraag te beantwoorden, zijn in dit onderzoek twee gezonde lunchvarianten samengesteld: · Gezonde lunch 1, gebaseerd op de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. · Gezonde lunch 2, gebaseerd op het Planetary Health-dieet van de EAT-Lancet Commissie, met extra aandacht voor duurzaamheid. Beide varianten bevatten meer groente, fruit, volkorenproducten en onverzadigde vetzuren, en minder rood vlees, suiker en verzadigde vetzuren. Suikerhoudende dranken zijn volledig geschrapt. Op basis van deze lunches zijn de effecten op gezondheid, productiviteit en kosten berekend voor een periode van dertig jaar. Gezondheidseffecten De resultaten laten zien dat een gezondere lunch op de werkvloer een duidelijke positieve invloed heeft op de volksgezondheid. Als werknemers structureel een gezondere lunch eten, daalt de kans op overgewicht en obesitas met gemiddeld 11 procent, op diabetes type 2 met 7,6 procent en op hart- en vaatziekten met 9,6 procent. Omgerekend naar de omvang van de Nederlandse beroepsbevolking betekent dit ruim 200.000 gevallen van overgewicht, bijna 100.000 gevallen van diabetes type 2 en meer dan 350.000 gevallen van hart- en vaatziekten minder. Ook daalt het gemiddelde bmi van mensen met overgewicht met ongeveer een half punt per jaar, tot een maximum van 1,5 bmi-punt. Kosten en baten De kosten van het gratis aanbieden van een gezonde lunch bestaan uit de directe cateringkosten en de fiscale lasten voor werkgevers. De cateringkosten komen neer op gemiddeld ongeveer € 3,8 miljard per jaar, waarbij we ervan uitgaan dat een gezonde lunch gemiddeld € 3,87 kost. Bij de fiscale kosten gaat het om een belastingtarief van 80 procent over de fiscale waarde van de maaltijd, wanneer werkgevers de lunch kosteloos aanbieden. Deze belasting maakt de investering voor werkgevers in de huidige situatie minder aantrekkelijk. Daartegenover staan substantiële baten. De totale maatschappelijke baten bedragen tussen de 9,0 en 11,5 miljard euro per jaar, afhankelijk van de gekozen lunchvariant. Dat betekent dat elke geïnvesteerde euro op termijn 2,4 tot 3 keer wordt terugverdiend. De baten bestaan uit een combinatie van economische en sociale effecten: minder ziekteverzuim, minder arbeidsongeschiktheid, hogere productiviteit, minder vervroegde uitstroom en een hogere kwaliteit van leven. Scenarioanalyse Het rapport onderscheidt vier perspectieven: 1. Nederland profiteert Vanuit maatschappelijk perspectief is de businesscase overtuigend positief. De baten zijn 2,4 tot 3 keer zo hoog als de kosten, met een gemiddeld positief effect van € 530 tot € 780 per werknemer per jaar. De investering is binnen één tot twee jaar terugverdiend. 2. De werkgever investeert Als werkgevers alle kosten dragen en we rekenen met de huidige belastingheffing van 80 procent, is de investering financieel niet rendabel voor werkgevers. De jaarlijkse kosten (ongeveer € 7 miljard) overstijgen de baten (€ 1,6 tot € 2,2 miljard). Desondanks zijn er belangrijke ‘zachtere’ baten, zoals vitalere en meer betrokken medewerkers en een positief werkgeversimago. 3. Werkgever en werknemer delen de investering Wanneer werknemers zelf gemiddeld € 2,55 per lunch bijdragen, kan het aanbieden van gezonde lunches voor werkgevers financieel neutraal worden. De kosten en baten komen dan beter in balans. 4. De overheid stimuleert Door de belasting op gezonde lunches af te schaffen of te verlagen, wordt investeren in gezonde werklunches aantrekkelijker. Met een werknemersbijdrage van € 2,18 per lunch (de huidige gemiddelde lunchkosten van Nederlanders) verdienen werkgevers hun investering 1,0 tot 1,3 keer terug. Met een aanvullende bijdrage vanuit werknemers of overheid van € 1,07 per lunch kan de terugverdientijd worden beperkt tot zeven à tien jaar. De maatschappelijke baten overstijgen de belastingderving ruimschoots. Conclusie Een gezonde lunch op het werk loont. De maatschappelijke baten zijn aanzienlijk. Ook voor werkgevers loont het om een gezonde werklunch aan te bieden. Denk aan lager verzuim, hogere productiviteit en minder uitstroom van medewerkers, hogere vitaliteit en duurzame inzetbaarheid, aantrekkelijk werkgeverschap en de kans om een positieve bijdrage te leveren aan de voedseltransitie en sociale gelijkheid. Hoewel de zachtere baten niet meegenomen zijn in de huidige berekeningen, is de verwachting dat de baten nog groter zijn als ook hieraan een economische waarde gegeven wordt. Tegelijkertijd is het belangrijk om de kosten van de gezonde werklunch goed te verdelen tussen werkgevers, werknemers en overheid. Op dit moment komen de kosten van een gezonde lunch voor rekening van werkgevers en werknemers; zij betalen immers de lunch. Het huidige belastingsysteem maakt het voor werkgevers onaantrekkelijker om te investeren in het aanbieden van een gezonde lunch. Aanpassing of afschaffing van het belastingtarief van 80 procent kan dit aantrekkelijker maken. Aanbevelingen voor verder onderzoek De baten van gezonde werklunches reiken verder dan wat in deze analyse is meegenomen. Werknemersloyaliteit, mentale gezondheid en verhoogd werkplezier zijn slechts een paar ‘zachtere’, moeilijk kwantificeerbare baten. Het zou waardevol zijn om deze baten mee te nemen in deze kosten-batenanalyse. Ook een bredere selectie van gezondheidsproblemen (denk aan kanker) zou de baten van een gezonde werklunch kunnen verhogen. Verder onderzoek is wenselijk om deze effecten te kwantificeren en om te verkennen hoe verschillende doelgroepen – bijvoorbeeld naar leeftijd, sector of sociaaleconomische achtergrond – het meest kunnen profiteren. Goede implementatie bevordert zowel de grootte van het effect op gezondheid als op het duurzaam behouden van deze effecten. Om te zorgen dat alle werknemers gebruik kunnen maken van de gezonde lunches is het belangrijk om deze in co-creatie met alle betrokkenen te ontwikkelen.
DOCUMENT