Professionals in de jeugdbescherming en jeugdreclassering werken met ‘het kind in gevaar en het gevaarlijke kind’. Hun expertise betreft de zorg voor veilig opgroeien van kinderen en jeugdigen in geval van kindermishandeling en bedreigde ontwikkeling, en in geval van delinquentie en ernstige schooluitval. Sinds 2015 wordt door de jeugdbescherming en jeugdreclassering in regio Utrecht en Flevoland de SAVE-werkwijze gebruikt. Deze krachtgerichte methode sluit aan bij de inhoudelijke veranderdoelstellingen die zijn vastgelegd in de Jeugdwet die begin 2015 in werking is getreden. De nieuwe werkwijze bracht een groot aantal veranderingen met zich mee, zowel inhoudelijk als organisatorisch. In dit onderzoek hebben we bekeken hoe professionals in de praktijk vormgeven aan deze veranderingen.
MULTIFILE
full text beschikbaar met HU account Hoofdstuk 23 in Justitiele Interventies. In hoofdstuk 4 zijn drie kenmerken van het werk van de Jeugdreclassering belicht: het gedwongen kader waarbinnen moet worden gewerkt, de hantering van het delict als rode draad en het gebruik van het delictscenario. Een voortdurend terugkerend onderwerp was het vraagstuk van het motiveren van jongeren in een gedwongen kader. In dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op dit vraagstuk in het kader van maatregelen van jeugdreclassering. We beginnen met een eerste relevant aspect, dat in de literatuur wordt aangeduid als reactance, ofwel weerstand tegen het gedwongen kader, tegen het verlies van vrijheid. Vervolgens wordt verder ingegaan op het ‘transtheoretisch model’ van Prochaska en DiClemente en de recente discussie daarover, en er wordt aandacht besteed aan enkele aspecten van het begrip motivatie specifiek in het kader van de jeugdreclassering. We wijzen ten slotte op het belang van het perspectief van de levensloop voor een adequate aanpak van het motivatievraagstuk.
MULTIFILE
Full text beschikbaar met HU account Hoofdstuk 4 in Justitiele Interventies Sinds de invoering van de nieuwe jeugdwet per 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de jeugdhulp, waaronder de jeugdreclassering. Instellingen die jeugdreclasseringswerk uitvoeren, moeten zijn gecertificeerd op grond van landelijke kwaliteitseisen. De certificerende instantie (Keurmerkinstituut) stelt vast of de instelling voldoet aan deze eisen, die zijn vastgelegd in het normenkader Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. De gecertificeerde instellingen zijn zowel lokaal als landelijk georganiseerd en zijn bekend onder verschillende namen. Vanwege de decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten bestaan er lokale verschillen in de werkwijze. Veel gemeenten hebben het jeugdreclasseringswerk georganiseerd in gebiedsgerichte jeugdzorgteams. Zij werken dus in een specifieke wijk of buurt. Andere gemeenten hebben de jeugdzorg los van de wijken georganiseerd, maar in die gemeenten werkt de jeugdreclassering wel intensief samen met gebiedsgerichte teams die generiek sociaal werk uitvoeren. Naast jeugdreclasseringsmaatregelen voeren de gecertificeerde jeugdzorginstellingen ook jeugdbeschermingsmaatregelen uit, zoals (voorlopige) ondertoezichtstellingen en (voorlopige) voogdijmaatregelen. Sommige instellingen geven daarnaast nog uitvoering aan drangmaatregelen. Deze maatregelen hebben een dringend, maar geen verplichtend karakter. Het voormalig Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en Steunpunt Huiselijk Geweld zijn samengegaan in de organisatie Veilig Thuis, die in sommige gemeenten onderdeel is van de gecertificeerde instelling en bij andere gemeenten elders is ondergebracht.
MULTIFILE
Onderzoeksrapport van het Nederlands Jeugdinstituut over de uitvoering en de uitkomsten van de Opvoedworkshop en de Oudertraining uit het pakket ‘Ouders van Tegendraadse Jeugd’, toegepast bij de jeugdreclassering. In het rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar twee interventies uit het pakket ‘Ouders van Tegendraadse Jeugd’. Het gaat om onderzoek naar de toepassing van de Opvoedworkshop en de Oudertraining bij de jeugdreclassering op acht locaties in de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland en de steden Utrecht en Tilburg. De auteurs doen aan hand van de onderzoeksbevindingen aanbevelingen voor de verdere toepassing van beide interventies bij de jeugdreclassering.
DOCUMENT
Signalen uit het veld van de (jeugd)reclassering wijzen er op dat bij jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB) en reclasseringscontact huisvesting één van de leefgebieden is waarop zich problemen voordoen. (Jeugd)reclasseringswerkers geven daarbij aan dat het ontbreken van een eigen woonplek jongeren met een LVB extra kwetsbaar en beinvloedbaar maakt, wat leidt tot een verhoogde kans op recidive. Ook geven werkers aan dat veel hulpverleningsinstanties niet goed in staat zijn om voor deze specifieke doelgroep een hulpverleningstraject gericht op passende huisvesting in te zetten. Deze signalen uit het werkveld hebben er toe geleid dat de William Schrikker Groep Jeugdreclassering (WSG-JR) en het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJ&R) de Hogeschool Leiden en de Hogeschool Utrecht hebben gevraagd om een probleemverkenning uit te voeren naar huisvestingsproblematiek bij jongeren met een LVB en reclasseringscontact
DOCUMENT
De jeugdzorg wordt in de komende jaren door elkaar geschud. De Nederlandse overheid is vastbesloten om een stelselherziefing door te voeren,waarbii het grootste gedeelte van de jeugdzorg community based wordt.Eenvoudig gezegd: na de stelselherziening wordt jeugdzorg voornamelijk uitgevoerd in gezinnen, in scholen en op straat. De financiering en aansturingvan deze zorg komt dan ook logischerwijs in handen van gemeenten.De gemeenten worden in deze plannen verantwoordelijk voor de huidige provinciale jeugdzorg, de huidige geestelijke gezondheidszorg, de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten én de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Een giga-operatie: er wordt met 3 miljard euro geschoven.
DOCUMENT
In 2012 is door de 3RO een methodiek in gebruik genomen voor het werken met jongvolwassen cliënten. In deze methodische handreiking voor de jeugd- en volwassenreclassering staan theorieën, methoden en werkwijzen beschreven voor adolescenten en jongvolwassenen. In 2024 constateerden de 3RO dat deze methodiek geactualiseerd diende te worden. In datzelfde jaar is een geheel vernieuwde editie van het boek Werken In Gedwongen Kader (WIGK) verschenen. De 3RO gebruiken dit boek als de leidende methode voor het reclasseringswerk. De theorieën, methoden en werkwijzen die in dit boek staan beschreven, gelden ook voor jongvolwassen cliënten bij de reclassering. Doel van het JOVO-project (15 april 2024 t/m 15 mei 2025) was te onderzoeken welke specifieke aanvullingen op het boek WIGK nodig zijn voor jongvolwassenen en deze vervolgens samen te brengen in een praktische handreiking. Er is een literatuurstudie uitgevoerd, er zijn interviews gehouden en een focusgroep, waaraan 3RO-beleidsadviseurs, uitvoerende reclasseringswerkers, externe experts en ervaringsdeskundigen hebben deelgenomen. Dit resulteerde in een breed scala aan werkwijzen en actuele thema’s die als essentieel werden beschouwd voor de begeleiding van jongvolwassen cliënten binnen de volwassen reclasseringspraktijk (18-23 jaar). Uiteindelijk zijn 9 thema’s als prioriteit vastgesteld.
DOCUMENT
Openbare les Dr. Saskia A.M. Wijsbroek & Prof.Dr. Micha de Winter. Veel verhandelingen over jeugdhulp of jeugdzorg beginnen met de constatering dat het met de meeste kinderen en jongeren in Nederland over het algemeen goed gaat. In allerlei internationale vergelijkingen komt de Nederlandse jeugd er gemiddeld gezien goed af, of het nu gaat om hun gezondheid, welbevinden, onderwijskansen of kwaliteit van leven (Bot e.a. 2013; De Looze e.a. 2014; UNICEF Office of Research 2013). Onmiddellijk na deze constatering volgt dan meestal de schaduwzijde: lang niet alle kinderen en jongeren delen in deze feestvreugde. Zo komt 10 tot 15% van de jeugdigen1 tussen 0 en 18 jaar in aanraking met jeugdhulp, jeugdbescherming of jeugdreclassering, groeit bijna 10% op in gezinnen die leven onder de armoedegrens, en neemt het aantal kinderen en jongeren dat verslaafd is aan genotsmiddelen of lijdt aan overgewicht al jaren toe (CBS 2017a, 2017b; Clarijs 2017; De Looze e.a. 2014). Afhankelijk van de bedoelingen die de auteurs van zulk soort teksten hebben, leiden ze vaak tot heel uiteenlopende conclusies. Wie graag wil onderstrepen dat het Nederlandse jeugdbeleid deugt, zal vreugdevol vaststellen dat het goed gaat met de jeugd. Wie echter vindt dat er van alles misgaat in datzelfde jeugdbeleid, en dat bijvoorbeeld de recente bezuinigingen op de professionele jeugdzorg veel te ver zijn gegaan, zal vooral de nadruk willen leggen op de groep die problemen ondervindt. In het nieuwe lectoraat Jeugd, ingesteld door de provincie Utrecht en Hogeschool Utrecht (HU), vervangen we deze ogenschijnlijke tegenstelling (gaat het nu goed of slecht met de Nederlandse jeugd?) door een benadering die kwaliteit van leven van álle kinderen en jongeren centraal stelt. Immers, in een samenleving waarin mensen steeds dichter op elkaar leven en in steeds meer opzichten afhankelijk van elkaar zijn, is de verdeling van levenskwaliteit een zaak van algemeen, gedeeld belang aan het worden
DOCUMENT
Verkenning van het domein ‘Jeugd’: Een beschrijving van enkele kenmerken van de sector ‘Jeugd’, ten behoeve van het onderzoek ‘Meerwaarde gebruik alliantiemonitor in (semi) gedwongen kader’. Het Kenniscentrum voor Sociale Innovatie van Hogeschool Utrecht ontwikkelde voor verschillende domeinen binnen het werkveld gedwongen kader de ‘alliantiemonitor in (semi)gedwongen kader’. Dit instrument biedt professionals en cliënten een handvat om te spreken over hun beleving van de onderlinge doelgerichte samenwerking, met als doel deze samenwerking te verbeteren. In het vervolgonderzoek ‘Meerwaarde gebruik alliantiemonitor in (semi) gedwongen kader’ wordt bij cliënten en professionals nagegaan hoe zij het werken met de Alliantiemonitor Gedwongen Kader ervaren en of het gebruik hiervan bij kan dragen aan een beter verloop van het traject. Het gebruik van de monitor wordt getoetst bij cliënten en professionals in de reclassering, de jeugdbescherming, de arbeidstoeleiding en de woonbegeleiding. Om de verschillen en overeenkomsten in de verschillende contexten beter te begrijpen is eerst een beknopte verkenning gedaan van de domeinen waarin het onderzoek plaatsvindt. Dit zijn: reclassering, jeugdbescherming, arbeidsintegratie, maatschappelijke opvang, schuldhulpverlening en reclassering België – Vlaamse Justitiehuizen. De opbouw van de tekst per sector is als volgt. Eerst is er een algemene beschrijving van de sector, waarin onder meer de omvang en de grootste opgaven aan bod komen. Daarna volgt een beschrijving van de organisaties binnen de sector waar de ontwikkeling van de alliantiemonitor zal plaatsvinden, hoe deze organisaties werken, en wat de kenmerken zijn van de huidige samenwerking tussen professional en cliënt. Bijvoorbeeld: hoe vaak zien ze elkaar, welke regels zijn van toepassing op de samenwerking en welke discretionaire ruimte heeft de professional in de begeleiding?
DOCUMENT