Objective: The aim of this study was to obtain insight in specific elements influencing the use, non-use, satisfaction, and dissatisfaction of ankle foot orthoses (AFOs) and the presence of underexposed problems with respect to AFOs. Methods: A questionnaire was composed to obtain information from AFO users to investigate the variables associated with satisfaction and the relation between these variables. A specific feature of this study was the systematic analysis of the remarks made by the respondents about their AFO. Quantitative data analyses were used for analysing the satisfaction and qualitative analyses were used analysing the remarks of the respondents. A total of 211 users completed the questionnaire. Results: Our survey showed that 1 out of 15 AFOs were not used at all. About three quarters of the AFO users were satisfied and about one quarter was dissatisfied. Females and users living alone reported relatively high levels of dissatisfaction, especially in the field of dimensions, comfort, weight, safety and effectiveness. Dissatisfaction with respect to off-the-shelf AFOs for the item durability was higher than that for custom-made AFOs. In the delivery and maintenance process the items ‘maintenance’, ‘professionalism’ and ‘delivery follow-up’ were judged to be unsatisfactory. A large number of comments were made by the respondents to improve the device or process, mainly by the satisfied AFO users. These comments show that even satisfied users experience many problems and that a lot of problems of AFO users are ‘underexposed’. Conclusion: To improve user satisfaction, the user practice has to be identified as an important sub-process of the whole orthopaedic chain especially in the diagnosis and prescription, delivery tuning and maintenance, and evaluation phase.
LINK
Control methods are applied worldwide to reduce predation on livestock by European red foxes (Vulpes vulpes). Lethal methods can inflict suffering; however, moral debate about their use is lacking. Non-lethal methods can also inflict suffering and can unintentionally lead to death, and yet both the welfare consequences and ethical perspectives regarding their use are rarely discussed. The aim of this study was to investigate the animal welfare consequences, the level of humaneness, the ethical considerations and the moral implications of the global use of fox control methods according to Tom Regan’s animal rights view and Peter Singer’s utilitarian view. According to Regan, foxes ought not to be controlled by either lethal or potentially harmful non-lethal methods because this violates the right of foxes not to be harmed or killed. According to Singer, if an action maximises happiness or the satisfaction of preferences over unhappiness or suffering, then the action is justified. Therefore, if and only if the use of fox control methods can prevent suffering and death in livestock in a manner that outweighs comparable suffering and death in foxes is one morally obligated t
MULTIFILE
In veel onderzoeken naar en aanpakken in de energietransitie in Nederland, met name die waar bewonersinitiatieven een rol spelen, wordt vertrouwen als een belangrijke factor beschreven. In dit onderzoek wordt onderzocht welke bronnen van vertrouwen een rol spelen bij (de ontwikkeling) van lokale energie-initiatieven en hoe zich dat verhoudt tot de ontwikkeling van de technologie. Drie casussen (Terheijden (Traais Energie Collectief) en Den Haag, Vruchtenbuurt (Cooperatie Duurzame Vruchtenbuurt en Sterk op Stroom) zijn geanalyseerd op basis van de ANT-fasering: problematazation, interessement, enrollment en mobilization. Het is gebleken dat verschillende bronnen van vertrouwen en aspecten van techniek niet afhankelijk zijn van de fase in de netwerkontwikkeling maar als een constante in de drie geanalyseerde initiatieven zichtbaar zijn, het gaat om: • Mensen als bron van vertrouwen (Persoonlijke eigenschappen, Gedrag, Gedeelde normen en waarden/wereldbeeld) • Organisaties als bron van vertrouwen (Regels, Organisatie-Gedrag) • Het technische aspect learning to rethink: o Co-evolution o Discontinuous change o Multi-actor approach o Degree of organization o Long term view Bij de start van alle drie de initiatieven was er sprake van aansluiting zoeken bij bestaand vertrouwen in de lokale situatie. Dit is de basis van alle netwerkontwikkeling. Het succes van deze drie initiatieven zit juist in het verbinden van de bronnen van vertrouwen in mensen (hun persoonlijke eigenschappen, gedrag en wereldbeeld) en in de organisatie (organisatiegedrag) van het lokale energie-initiatief. Daarnaast is de vraag welke rol technologie speelt in relatie tot vertrouwen in de ontwikkeling van lokale energie initiatieven. Juist omdat het hierbij om de ontwikkeling van de energie initiatieven gaat en omdat hierbij sprake is van netwerkontwikkeling is gekozen voor ANT. Dit biedt de mogelijkheid om technologie als actor mee te nemen in de analyse van de ontwikkeling van het (energie initiatief) netwerk. Belangrijke vragen hierbij zijn; welke mogelijkheden van non human actoren worden toegepast en welke randvoorwaarden horen daarbij, bijvoorbeeld in de vorm van vereiste gedragsverandering van human actoren. Het uitgangspunt in deze studie is de transitie van fossiele naar hernieuwbare energie. Fossiele energie heeft een grote energie dichtheid en leent zich daarom goed voor actoren in de vorm van bulk technologieën, bijvoorbeeld in centraal opgestelde energiecentrales. Energieopwekking geconcentreerd en op afstand werkt vervreemdend en past niet meer goed in de huidige maatschappij (afnemend vertrouwen). Hernieuwbare energie kan ook in bulk-vorm worden toegepast, bijvoorbeeld in centraal opgestelde concentrated solar power plants op plaatsen met grote zonintensiteit. Hernieuwbare energie wordt echter vooral geassocieerd met decentrale opwekking. De decentrale energie opwekeenheden kunnen in modulaire systemen worden samengevoegd, en daar hangen specifieke voordelen aan voor end-users: de gemakkelijke toegankelijkheid en het beschikbare end-use potential. Dit vereist natuurlijk wel dat in het netwerk een geïntegreerd modulaire systeem wordt ontwikkeld. Dit kan alleen in een collectief, waardoor de human actors gedwongen worden samen te werken. Drie belangrijke processen hierbij zijn: formation of technical identity, configurational work en community building. Deze drie processen spelen een rol in de verschillende fasen van de netwerkontwikkeling. Daarnaast kunnen de genoemde technische learning to rethink aspecten over het geheel van de netwerkontwikkeling worden onderscheiden. In alle drie de bestudeerde casussen gaat het om decentrale modulaire energie systemen waarbij de toegankelijkheid is geborgd, maar waarbij het end-use potential alleen bij SoS centraal staat. Het geheel overziend leidt tot de conclusie dat technologie in collectieve vorm human actors dwingt tot samenwerking en dat daarbij vertrouwen tussen de actoren voorwaardelijk is. In alle drie de bestudeerde casussen wordt dit onderkend; het samenwerkingsproces wordt centraal gesteld en alle actoren worden betrokken (“iedereen doet mee”). Het feit dat het end-use potential bij Terheijden en Warm in de wijk nu niet centraal staat kan op termijn negatief uitpakken voor het vertrouwen, vooral als blijkt dat het achteraf niet gemakkelijk te realiseren is (lock in). In het algemeen kan over techniek nog het volgende worden gezegd. De geschiedenis heeft geleerd hoe human actors effectief om kunnen gaan met de actor techniek. Een belangrijke activiteit daarbij is ordening/structuur aanbrengen, en dit kan in verband worden gezien met organisaties als bron van vertrouwen (regels en organisatie-gedrag). In systeemkundige termen gaat het om; grenzen stellen, afbakenen, denken in materie-, energie- en informatiestromen, onderscheiden van functionaliteiten, input, output, opslag, omzetten, verbinden en regelen/besturen. In alle drie de bestudeerde casussen wordt deze ordening zorgvuldig toegepast, wordt informatie hierover gedeeld met alle actoren en worden alle actoren voldoende betrokken bij de besluitvorming. Dit draagt het bij aan vertrouwen bij alle actoren. Nog één keer terug naar het begrip “ontwikkeling”: De drie bestudeerde casussen hebben een unieke dynamiek en horizon, dit wordt vooral door de aard van de techniek beïnvloed. Sos loopt ver vooruit op de huidige stand van de techniek (en regelgeving) en is vooral een ICT-technische uitdaging, Terheijden en Warm in de wijk lopen in de pas met de techniek, maar moeten met de schop in de grond in een bestaande situatie. De manier waarop de drie organisaties bijbehorende problemen onderkennen en hiermee omgaan is een voorbeeld van organisaties als bronnen van vertrouwen. In de conclusie zijn de drie casussen als praktijkvoorbeelden beschreven. In Terheijden gaat het over de ontwikkeling van een warmtenetwerk voor het gehele dorp. Het wordt gebaseerd op hernieuwbare bronnen in de directe omgeving. Voor de initiatiefnemers en de bewoners is het belangrijk om “het zelf te gaan doen”. In Warm in de wijk gaat het ook over de ontwikkeling van een warmtenet, maar in dit geval in een woonwijk in Den Haag. Leidend hier is het uitgangspunt van een “open warmtenet”. Er moet een scheiding worden aangebracht tussen netwerk en warmtebronnen. Bij SoS gaat het over de toekomst van ons elektriciteit systeem. Er is nog een lange weg te gaan, maar uiteindelijk moet dit resulteren in een “goed werkend democratisch energisysteem”. Deze drie voorbeelden kunnen andere energie initiatieven inspiratie bieden omdat het beschrijvingen zijn van de ontwikkeling gericht op vertrouwen in relatie tot de gekozen technologie.
DOCUMENT
This study evaluated the effect of single session email consultation (SSEC) on empowerment of parents. Practitioners in a control group (n = 19) received no training and practitioners in an experimental group (n = 21) were trained to use empowermentoriented techniques in online consultation. Parental empowerment was measured (n = 96) through a questionnaire based on the Family Empowerment Scale before and after receiving advice from a trained or a non-trained practitioner. Parents showed a significant increase in the subscale of self-confidence (Cohen’s d = 0.33). Study findings lend support to the feasibility of SSEC as a brief intervention to improve selfconfidence of parents. A training for practitioners did not influence the outcomes.
DOCUMENT
Interactive multimedia productions are a recent journalistic format. The format has been studied in the Anglo-Saxon context as digital longform and interactive documentary. Research has consequently focused on English language productions. This article presents an overview of these types of productions created in the Netherlands and also proposes an analytical apparatus and conceptualization that does justice to the main properties of this new genre; multimediality and interactivity. The results show that this journalistic form is mainly produced by established national newsrooms. Furthermore, the potential of digital media is used sparsely. Despite the use of complex narrative structures like multi-linear and non-linear stories, familiar media forms are used. Interactive features are mostly utilized to provide additional information to users.
DOCUMENT
Background: The population ageing in most Western countries leads to a larger number of frail older people. These frail people are at an increased risk of negative health outcomes, such as functional decline, falls, institutionalisation and mortality. Many approaches are available for identifying frailty among older people. Researchers most often use Fried and colleagues’ description of the frailty phenotype. The authors describe five physical criteria. Other researchers prefer a combination of measurements in the social, psychological and/or physical domains. The aim of this study is to describe the levels of social, psychological and physical functioning according to Fried’s frailty stages using a large cohort of Dutch community-dwelling older people. Methods: There were 8,684 community-dwelling older people (65+) who participated in this cross-sectional study. Based on the five Fried frailty criteria (weight loss, exhaustion, low physical activity, slowness, weakness), the participants were divided into three stages: non-frail (score 0), pre-frail (score 1–2) and frail (score 3–5). These stages were related to scores in the social (social network type, informal care use, loneliness), psychological (psychological distress, mastery, self-management) and physical (chronic diseases, GARS IADL-disability, OECD disability) domains. Results: 63.2 % of the participants was non-frail, 28.1 % pre-frail and 8.7 % frail. When comparing the three stages of frailty, frail people appeared to be older, were more likely to be female, were more often unmarried or living alone, and had a lower level of education compared to their pre-frail and non-frail counterparts. The difference between the scores in the social, psychological and physical domains were statistically significant between the three frailty stages. The most preferable scores came from the non-frail group, and least preferable scores were from the frail group. For example use of informal care: non-frail 3.9 %, pre-frail 23.8 %, frail 60.6 %, and GARS IADL-disability mean scores: non-frail 9.2, pre-frail 13.0, frail 19.7. Conclusion: When older people were categorised according to the three frailty stages, as described by Fried and colleagues, there were statistically significant differences in the level of social, psychological and physical functioning between the non-frail, pre-frail and frail persons. Non-frail participants had consistently more preferable scores compared to the frail participants. This indicated that the Fried frailty criteria could help healthcare professionals identify and treat frail older people in an efficient way, and provide indications for problems in other domains.
DOCUMENT
This study explores how non-executive directors are challenged by management while they seek to improve the effectiveness of supervisory boards in the Netherlands. A combination of semi-structured interviews and a questionnaire among non-executive directors indicates that supervisory board members mainly experience boardroom challenges in three core areas: the ability of non-executive directors to ask management critical questions, information asymmetries between the management and supervisory boards and the management of the relationship between individual executive and non-executive directors. The qualitative in-depth analysis reveals the complexity of the main contributing factors to problems in the boardroom as well as the range of process and social interventions non-executive directors use to address boardroom issues. The findings highlight the need to better understand boardroom processes and the need of non-executive directors to carefully manage relationships in and around the boardroom.
LINK
Key factors in the public acceptance of biometric systems are non-intrusiveness, ease of use, and trust. In this paper we propose a biometric identity verification system consisting of a non-intrusive virtual mirror interface, and a face verifier using fractal coding to store the biometric template on a smart-card. The virtual mirror interface assists the user to obtain a frontal face image. The limited memory requirements of the fractal template and processing requirements of fractal decoding enable the implementation of the verification procedure on a smart-card. This set-up facilitates non-intrusive and easy to use biometric verification, and provides trust by adding a visualization to the biometric yes/no decision. Since the system does not require user assistance, it enables secure access over the Internet.
DOCUMENT
In dit artikel wordt gekeken naar de relatie tussen het gebruik van mobiele applicaties en fysieke activiteit en gezonde leefstijl. Dit is gedaan op basis van een vragenlijst onder deelnemers aan een hardloopevenement, de Dam tot Damloop. Er werden aparte analyses gedaan voor 8km lopers en 16 km lopers. Een positieve relatie werd gevonden tussen app gebruik en meer bewegen en zich gezonder voelen. App gebruik was ook positief gerelateerd aan beter voelen over zichzelf, je voelen als een atleet, anderen motiveren om te gaan hardlopen en afvallen. Voor de 16 km lopers was app gebruik gerelateerd aan gezonder eten, zich meer energieker voelen en een hogere kans om het sportgedrag vol te houden. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat app gebruik mogelijk een ondersteunende rol kunnen hebben in de voorbereiding op een hardloopevenemen, aangezien het gezondheid en fysieke activiteit stimuleert.
DOCUMENT
One aspect of a responsible application of Artificial Intelligence (AI) is ensuring that the operation and outputs of an AI system are understandable for non-technical users, who need to consider its recommendations in their decision making. The importance of explainable AI (XAI) is widely acknowledged; however, its practical implementation is not straightforward. In particular, it is still unclear what the requirements are of non-technical users from explanations, i.e. what makes an explanation meaningful. In this paper, we synthesize insights on meaningful explanations from a literature study and two use cases in the financial sector. We identified 30 components of meaningfulness in XAI literature. In addition, we report three themes associated with explanation needs that were central to the users in our use cases, but are not prominently described in literature: actionability, coherent narratives and context. Our results highlight the importance of narrowing the gap between theoretical and applied responsible AI.
MULTIFILE