Studentbegeleiding is een belangrijk onderdeel van het onderwijs aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Studenten dienen tijdens hun opleiding begeleid te worden bij hun studievoortgang, bij het maken van loopbaankeuzes en bij hun ontwikkeling naar startbekwame professional. Opleidingen in de HvA maken eigen keuzes in de manier waarop zij studentbegeleiding ‘neerzetten’. Hierbinnen vervullen studentbegeleiders vaak een sleutelrol.In de periode 2021-2026 zal de HvA inzetten op het versterken van studentbegeleiding (zie de ambities in het HvA-Instellingsplan, 2020). De HvA beschrijft hierin studentbegeleiding als een belangrijke voorwaarde voor studentsucces. Ook de ontwikkeling naar meer persoonlijke leerpaden en flexibel onderwijs met meer regie voor de student is gebaat bij een goede studentbegeleiding. In de HvA heeft het Programma Persoonlijke Leerpaden tot taak de randvoorwaarden voor onderwijs en beleid in kaart te brengen die nodig zijn om persoonlijke leerpaden voor studenten mogelijk te maken. In opdracht van dit Programma heeft het HvA-Lectoraat Kansrijke Schoolloopbanen in een Diverse Stad onderzocht hoe studentbegeleiding op dit moment wordt vormgegeven in bachelor-opleidingen van de HvA (n = 32), met aandacht voor de succeservaringen en ervaren knelpunten. De centrale vraag in dit onderzoek was: Welke aanknopingspunten voor de versterking van studentbegeleiding bieden de ervaringen en afwegingen van HvA-opleidingen inzake studentbegeleiding in de opleiding?
Om te kunnen functioneren in de huidige kennismaatschappij worden kritische en onderzoekende vaardigheden belangrijk geacht voor toekomstige professionals (De Boer, 2017). Hogescholen spelen een belangrijke rol in het opleiden van deze professionals en hebben mede daarom de wettelijke taak gekregen om onderzoek te doen en dit te integreren in het onderwijs (Griffioen & De Jong, 2015). Hoe dragen docenten, onderzoekers, onderzoek- en onderwijsmanagers in de dagelijkse praktijk bij aan het samenbrengen van onderzoek en onderwijs? Om deze vraag te beantwoorden werden N=61 interviews afgenomen met deze actoren binnen drie Nederlandse hogescholen. De resultaten laten zien dat de gedragsintenties die de respondenten bespreken verdeeld kunnen worden in drie categorieën: integratie van onderzoek in onderwijs; integratie van onderwijs in onderzoek; en het samenkomen van onderzoek en onderwijs. In de drie categorieën kan zowel ‘direct gedrag’ als ‘ondersteunend gedrag’ onderscheiden worden. Opvallend is dat de focus binnen de gedragsintenties ligt op het integreren van iets van onderzoek in het onderwijs, en in mindere mate van iets van onderwijs in het onderzoek. De implicaties van de resultaten en de opzet van het vervolgonderzoek worden bediscussieerd met het publiek tijdens het congres.