Vanuit de Creatieve Industrie en in het bijzonder Schoots Architecten en IJsfontein is er een toenemende behoefte aan ontwerprichtlijnen voor stress-reducerende werkruimten. Deze inzichten moeten gestoeld zijn op ruimtelijke interventies en evaluaties ervan in de praktijk. Aangezien docenten bovengemiddeld kampen met werk-gerelateerde stress, zal de doelgroep voor dit onderzoek hogeschool docenten zijn. De doelstelling van het project is dan ook om op basis van ontwerpend onderzoek een werkomgeving voor hogeschool docenten te realiseren die stress-reducerend werkt. Dit levert eerste aantoonbare resultaten op in de vorm van een in de praktijk geëvalueerde werkomgeving en daarbij behorende ontwerprichtlijnen. In een vervolgtraject kunnen deze resultaten vertaald worden naar andere werkomgevingen. De onderzoeksvraag die daarbij centraal staat is; ‘Op basis van welke ontwerprichtlijnen kunnen de werkplekken van medewerkers in het hoger onderwijs worden ontworpen, om hun werk-gerelateerde stress te verlagen?’ Als basis in het ontwerpend onderzoek, wordt de discipline-overstijgende studie van Norouzianpour (2020) gebruikt, waarin hij verschillende ontwerpstrategieën heeft opgesteld om stress te verminderen in fysieke werkomgevingen. Deze strategieën zijn nog niet eerder in de praktijk getest. Daarnaast stelt Masi Mohammadi (2017) dat middels het empathisch ontwerpproces een beter begrip kan ontstaan van hoe docenten een werkruimte ervaren en welke behoeften zij hebben als het gaat om ruimtelijke interventies. Die behoeften verschillen mogelijk per persoon, per moment en per taak, waardoor de ruimte flexibel, dynamisch en responsief zal moeten worden. Het toepassen van Ambient Intelligence (AMI) maakt het mogelijk de ruimte te personaliseren en tevens docenten aan te voelen, op behoeften te anticiperen en door subtiel van gedaante te veranderen een gezonde balans te vinden in inspanning en ontspanning bij het werken. De docent zal dus het uitgangspunt voor het ontwerpend onderzoek zijn.
De Nederlandse ondergrond, vooral in stedelijke gebieden, is overvol met leidingen, kabels en andere infrastructuren. Dit heeft direct gevolgen voor alle plannen die bovengronds gemaakt worden. Ook is er vaak geen ruimte voor nieuwe infrastructuur, bijvoorbeeld ten behoeve van de energietransitie (warmtenet; energienet; lokale energieopslag). Dit vraagt om goede informatievoorziening over de ondergrond richting bestuurders, beleidsmakers en burgers die in hun stad, wijk of buurt plannen willen maken. Elk plan voor de bovengrond heeft effect op de ondergrond en moet daarop afgestemd zijn. Momenteel is de ondergrond echter geen onderwerp van gesprek tijdens de planvorming. Voor bestuurders, beleidsmakers en burgers zijn de data of visualisatie daarvan te complex. Ondergrondexperts hebben wel deze visualisaties en de bijbehorende vakkennis, maar weten die lastig over te brengen aan niet-experts. Daarnaast is de data niet altijd volledig en correct doordat veel verschillende partijen wijzigingen in de ondergrond aanbrengen. Hierdoor ontstaat inefficiënte plan-/besluitvorming en wordt er bij de uitvoering te vaak, onnodig en onvoorzien een project gepauzeerd of een leiding geraakt. Samen aanpassingen maken in de ondergrond vereist uniforme aanpak om data te verzamelen en te visualiseren. Het project GROUNDED Visualisatie & Participatie richt zich op het toegankelijk en betekenisvol visualiseren van de ondergrond om beleid en besluitvorming beter te faciliteren. Wanneer in die fase de visualisaties bruikbaar zijn kan ook de burger gemakkelijker begrip krijgen van de ondergrond en geïnformeerd participeren in plan- en besluitvorming. Dit KIEM-MV onderzoeksproject zal de volgende praktijkvragen beantwoorden: - Hoe kunnen bedrijven en overheidsinstellingen complexe, specialistische data en informatie over bodem en ondergrond op een begrijpelijke en correcte manier overbrengen op professionals en bewoners die relevante specialistische kennis of datavaardigheid ontberen? - Hoe kan communicatie van ondergronddata op effectieve wijze worden ingezet in processen van burgerparticipatie?
Het Lectorenplatform Biobased Economy heeft in de afgelopen twee jaar gewerkt aan een onderzoeksagenda in vier hoofdstukken: ingrediënten/inhoudstoffen, materialen, energie/nutriënten en maatschappij. Op basis van deze agenda zijn verschillende samenwerkingen geïnitieerd en gerealiseerd, zoals GoChem, enkele NWA projecten, de Learning Community Biofuels en de samenwerking met het Lectorenplatform Circulaire Economie op maatschappelijke thema’s. Er is dus al veel gerealiseerd in samenwerking en programmering. Niettemin staan er, terugkijkend, nog enkele ambities uit de eerste twee jaar overeind: het toetsen van de thema’s in meetings met bedrijven; het ontwikkelen van (meer) gezamenlijke onderzoeksprojecten; het ontwikkelen en bestendigen van een meerjarig omvattend (NWO-achtig) programma. Voor dit laatste is GoChem een goede start, maar het zou de komende twee jaar verder moeten groeien, bijvoorbeeld in een biobased SPRONG programma. Daarnaast blijven we werken aan de herkenbaarheid en vindbaarheid van het biobased onderzoek, de lectoraten en de agenda. We breiden de ambities uit naar publieke bekendheid van biobased economy in het algemeen. Verder willen we de mogelijkheid van een eigen publicatiereeks onderzoeken. Nieuw voor de komende jaren is de ambitie om onderzoekskwaliteit beter meetbaar te maken. Hoe meet je kwaliteit in praktijkonderzoek: impact is een ander doel dan wetenschappelijke publicaties. In de eerste termijn van het Lectorenplatform BBE was er additioneel en geoormerkt budget voor internationale samenwerking binnen Living Lab Biobased Brazil (LLBB). Dit budget was gekoppeld aan een gecombineerde Braziliaans/Nederlandse onderzoekscall. Dat is in de komende twee jaar niet voorzien.