De fysische, chemische en microbiologische gevaren van het opwerken van vezelcomponenten uit reststromen van uien zijn geanalyseerd op basis van literatuuronderzoek. Uienreststromen zijn geschikt voor het winnen van olie door middel van stoomdestillatie of eiwitten door middel van iso-elektrische precipitatie. Bij deze processen wordt ook de uienschil verwerkt. Er blijft o.a. een vezelrijke fractie over die in principe geschikt is voor humane consumptie. Fysische vreemde delen vormen zeer zelden een acuut risico voor de gezondheid. De meest voorkomende pesticiden op ui zijn maleïnehydrazide, fluopyram en fipronil. Incidenteel kan de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een pesticide overschreden worden, maar dit heeft geen acute nadelige gezondheidsgevolgen. Van zware metalen is er alleen Europese wetgeving voor gehaltes aan lood en cadmium in ui. Microbiologische gevaren voor de processen zijn gerelateerd aan vegetatieve cellen, toxines of sporen van pathogenen. Vegetatieve cellen zijn alleen een risico voor onverhitte vezelfracties of na kruisbesmetting. Toxines kunnen nog actief zijn na stoomdestillatie en ook na pasteurisatie van eiwitpasta. Hetzelfde geldt voor de sporen van bacteriën. Om ontkieming van sporen te voorkomen moet de uienstroom boven 48 °C gehouden worden of snel worden gekoeld .
MULTIFILE
Due to the exhaustion and increased pressure regarding the environmental and political aspects of fossil fuels, the industrial focus has switched towards renewable energy resources. Lignocellulosic biowaste can come from several sources, such as industrial waste, agricultural waste, forestry waste, and bioenergy crops and processed into bioethanol via a biochemical pathway. Although much research has been done on the ethanol production from lignocellulosic biomass, the economic viability of a bioethanol plant in the Northern Netherlands is yet unknown, and therefore, examined. In this thesis, the feasibility study of a bioethanol plant treating sugar beet pulp, cow manure, and grass straw is conducted using the simulation software SuperPro Designer. Results show that it is not economically viable to treat the tested lignocellulosic biomass for the production of bioethanol, since all three original cases result in a negative net present value (NPV). An alternative would be to exclude the pretreatment step from the process. Although this results in a lower production of bioethanol per year, the plant treating sugar beet pulp (SBP) and grass straw (GS) becomes economically viable since the costs have significantly decreased.
DOCUMENT
Vanuit het ZEEVIVO project werd in werkpakket B, Bioraffinage, onderzoek gedaan naar het opwaarderen van eiwit uit zeewier. De hoofdvraag was: Hoe is uit zeewier een commercieel interessant eiwitconcentraat te extraheren met een eiwitgehalte van tenminste 60%? Om deze vraag te beantwoorden zijn optimalisatieproeven uitgevoerd in het laboratorium. Daarnaast zijn er extractieproeven op pilotschaal gedaan, gevolgd door het concentreren en zuiveren van de eiwitten in deze extracten met behulp van membraanfiltratie.
DOCUMENT
VHL University of Applied Sciences (VHL) is a sustainable University of AppliedSciences that trains students to be ambitious, innovative professionals andcarries out applied research to make a significant contribution to asustainable world. Together with partners from the field, they contribute to innovative and sustainable developments through research and knowledge valorisation. Their focus is on circular agriculture, water, healthy food & nutrition, soil and biodiversity – themes that are developed within research lines in the variousapplied research groups. These themes address the challenges that are part ofthe international sustainability agenda for 2030: the sustainable developmentgoals (SDGs). This booklet contains fascinating and representative examplesof projects – completed or ongoing, from home and abroad – that are linked tothe SDGs. The project results contribute not only to the SDGs but to their teaching as well.
DOCUMENT
Praktijkgericht onderzoek speelt een belangrijke rol binnen de University of Applied Sciences van onze Hogeschool Inholland. Wij hebben dan ook een ijzersterk verhaal te vertellen en een schat aan relevante onderzoeksresultaten om te laten zien. En dat willen we graag delen met de wereld. Binnen ons praktijkgericht onderzoek werken we aan maatschappelijke vraagstukken. Soms groot en globaal, soms klein en regionaal. Maar altijd om de praktijk verder te helpen. Waarom? Omdat we vinden dat het onze maatschappelijke taak is. Het draagt bij aan de professionele ontwikkeling van onze studenten en aan innovatie en ontwikkeling van het werkveld . De onderzoeksgroep, Research & Innovation Centre, van het domein Agri, Food & Life Sciences wordt gevormd door lectoren, docent-onderzoekers en natuurlijk studenten. Samen met partners uit het werkveld dragen wij bij aan de Sustainable Development Goals en de Greendeal Farm to Fork (EU). Ons onderzoek en de kennisvalorisatie draagt bij aan innovatieve en duurzame ontwikkelingen, denk aan circulaire land- en tuinbouw, dieren in de stad, natuur, leefomgeving, voedsel en voeding, bodem, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
DOCUMENT
Publicatie bij de rede van Feike Ruurd van der Leij, uitgesproken bij de aanvaarding van de functie van lector Health & Food aan Hogeschool Inholland in Amsterdam op 11 oktober 2021
MULTIFILE
Van Hall Larenstein is een duurzame University of Applied Sciences, waar studenten worden opgeleid tot ambitieuze en innovatieve professionals en praktijkgericht onderzoek wordt uitgevoerd om een belangrijke bijdrage te leveren aan een duurzame wereld. Samen met partners uit het werkveld draagt VHL met onderzoek en kennisvalorisatie bij aan innovatieve en duurzame ontwikkelingen. De focus ligt hierbij op circulaire landbouw, water, gezond voedsel & gezonde voeding, bodem en biodiversiteit. Vanuit de verschillende lectoraten zijn deze thema’s uitgewerkt in onderzoekslijnen. Thema’s die de uitdagingen raken die onderdeel zijn van dé internationale duurzaamheidsagenda voor 2030: de Sustainable Development Goals (SDG’s). In dit boekje staan diverse aansprekende en illustratieve voorbeelden van afgesloten en lopende projecten uit binnen- en buitenland die gekoppeld zijn aan de SDG’s. Resultaten leveren niet alleen een bijdrage hieraan, maar ook aan het onderwijs.
DOCUMENT
Agricultural by-products, that is primary residue, industrial by-products and animal manure, are an important source of nutrients and carbon for maintaining soil quality and crop production but can also be valorised through treatment pathways such as fermentation, incineration or a combination of these called bio-refinery. Here, we provide an overview of opportunity to reduce environmental impact of valorising agricultural by-products. We estimate the available by-products in Northwestern Europe as a case study and the maximum and realistic greenhouse gas reduction potentials. Availability, collectability, the original use and environmental impact including land use changes, soil carbon sequestration and pollution swapping are discussed as critical factors when valorising agricultural by-products.
DOCUMENT
Using either freshly pulped or preserved seaweed biomass for the extraction of protein can have a great effect on the amount of protein that can be extracted. In this study, the effect of four preservation techniques (frozen, freeze-dried, and air-dried at 40 and 70 °C) on the protein extractability, measured as Kjeldahl nitrogen, of four seaweed species, Chondrus crispus (Rhodophyceae), Ascophyllum nodosum, Saccharina latissima (both Phaeophyceae) and Ulva lactuca (Chlorophyceae), was tested and compared with extracting freshly pulped biomass. The effect of preservation is species dependent: in all four seaweed species, a differenttreatment resulted in the highest protein extractability. The pellet (i.e., the non-dissolved biomass after extraction) was also analyzed as in most cases the largest part of the initial protein ended up in the pellet and not in the supernatant. Of the four species tested, freeze-dried A. nodosum yielded the highest overall protein extractability of 59.6% with a significantly increased protein content compared with the sample before extraction. For C. crispus extracting biomass air-dried at 40 °C gave the best results with a protein extractability of 50.4%. Preservation had little effect on the protein extraction for S. latissima; only air-drying at 70 °C decreased the yield significantly. Over 70% of the initial protein ended up in the pellet for all U. lactuca extractions while increasing the protein content significantly. Extracting freshly pulped U. lactuca resulted in a 78% increase in protein content in the pellet while still containing 84.5% of the total initial total protein. These results show the importance of the right choice when selecting a preservation method and seaweed species for protein extraction. Besides the extracted protein fraction, the remainingpellet also has the potential as a source with an increased protein content.
DOCUMENT