This article reports on qualitative research among 48 social professionals, managers and policymakers and their perceptions of activating citizenship, social work roles and responsibilities, carried out in Utrecht and Tartu. Professionals from both countries agreed to the idea of activating citizenship but stressing the perspective of personalised or lived citizenship, each person to his own capacities and embedded in the personal context. Nearly all respondents were critical about the recognition of social workers as a full profession, about the new management way of steering social work and about cooperation between different groups of professionals and services. Although both countries have quite different historical and cultural backgrounds, the authors found many similarities among social workers regarding their ideas on support, participation and commitment to the people they work for and work with. International research projects contribute to a more strongly recognised social work theory and social work practice by getting a better understanding, in particular of the way social work adapts to different contexts but from a highly recognisable international discourse within social work.
Cannabis is commonly characterized as the most normalized illicit drug. However, it remains a prohibited substance in most parts of the world, including Europe, and users can still be subject to stigmatization. The objective of this study is to assess to what extent and how cannabis users in different countries with different cannabis policies perceive, experience and respond to stigmatization. We conducted a survey in the Dutch coffeeshops among 1225 last year cannabis users from seven European countries, with national cannabis policies ranging from relatively liberal to punitive. Three dimensions of cannabis-related stigma were investigated (discrimination, perceived devaluation and alienation) and a sum score was used to reflect the general level of stigmatization. Perceived devaluation was the highest-scoring dimension of stigma and discrimination the lowest-scoring. The general level of stigmatization was lowest in the Netherlands and highest in Greece. This indicates that punitive cannabis policy is associated with stigma and liberal cannabis policy is associated with de-stigmatization. Besides country, daily cannabis use was also found to be a significant predictor of stigma, but gender, age, household type and employment status were not.
In de afgelopen jaren hebben technologische ontwikkelingen de aard van dienstverlening ingrijpend veranderd (Huang & Rust, 2018). Technologie wordt steeds vaker ingezet om menselijke servicemedewerkers te vervangen of te ondersteunen (Larivière et al., 2017; Wirtz et al., 2018). Dit stelt dienstverleners in staat om meer klanten te bedienen met minder werknemers, waardoor de operationele efficiëntie toeneemt (Beatson et al., 2007). Deze operationele efficiëntie leidt weer tot lagere kosten en een groter concurrentievermogen. Ook voor klanten kan de inzet van technologie voordelen hebben, zoals betere toegankelijkheid en consistentie, tijd- en kostenbesparing en (de perceptie van) meer controle over het serviceproces (Curran & Meuter, 2005). Mede vanwege deze beoogde voordelen is de inzet van technologie in service-interacties de afgelopen twee decennia exponentieel gegroeid. De inzet van zogenaamde conversational agents is een van de belangrijkste manieren waarop dienstverleners technologie kunnen inzetten om menselijke servicemedewerkers te ondersteunen of vervangen (Gartner, 2021). Conversational agents zijn geautomatiseerde gesprekspartners die menselijk communicatief gedrag nabootsen (Laranjo et al., 2018; Schuetzler et al., 2018). Er bestaan grofweg drie soorten conversational agents: chatbots, avatars, en robots. Chatbots zijn applicaties die geen virtuele of fysieke belichaming hebben en voornamelijk communiceren via gesproken of geschreven verbale communicatie (Araujo, 2018;Dale, 2016). Avatars hebben een virtuele belichaming, waardoor ze ook non-verbale signalen kunnen gebruiken om te communiceren, zoals glimlachen en knikken (Cassell, 2000). Robots, ten slotte, hebben een fysieke belichaming, waardoor ze ook fysiek contact kunnen hebben met gebruikers (Fink, 2012). Conversational agents onderscheiden zich door hun vermogen om menselijk gedrag te vertonen in service-interacties, maar op de vraag ‘hoe menselijk is wenselijk?’ bestaat nog geen eenduidig antwoord. Conversational agents als sociale actoren Om succesvol te zijn als dienstverlener, is kwalitatief hoogwaardige interactie tussen servicemedewerkers en klanten van cruciaal belang (Palmatier et al., 2006). Dit komt omdat klanten hun percepties van een servicemedewerker (bijv. vriendelijkheid, bekwaamheid) ontlenen aan diens uiterlijk en verbale en non verbale gedrag (Nickson et al., 2005; Specht et al., 2007; Sundaram & Webster, 2000). Deze klantpercepties beïnvloeden belangrijke aspecten van de relatie tussen klanten en dienstverleners, zoals vertrouwen en betrokkenheid, die op hun beurt intentie tot gebruik, mond-tot-mondreclame, loyaliteit en samenwerking beïnvloeden (Hennig-Thurau, 2004; Palmatier et al., 2006).Er is groeiend bewijs dat de uiterlijke kenmerken en communicatieve gedragingen (hierna: menselijke communicatieve gedragingen) die percepties van klanten positief beïnvloeden, ook effectief zijn wanneer ze worden toegepast door conversational agents (B.R. Duffy, 2003; Holtgraves et al., 2007). Het zogenaamde ‘Computers Als Sociale Actoren’ (CASA paradigma vertrekt vanuit de aanname dat mensen de neiging hebben om onbewust sociale regels en gedragingen toe te passen in interacties met computers, ondanks het feit dat ze weten dat deze computers levenloos zijn (Nass et al., 1994). Dit kan verder worden verklaard door het fenomeen antropomorfisme (Epley et al., 2007; Novak & Hoffman, 2019). Antropomorfisme houdt in dat de aanwezigheid van mensachtige kenmerken of gedragingen in niet-menselijke agenten, onbewust cognitieve schema's voor menselijke interactie activeert (Aggarwal & McGill, 2007; M.K. Lee et al., 2010). Door computers te antropomorfiseren komen mensen tegemoet aan hun eigen behoefte aan sociale verbinding en begrip van de sociale omgeving (Epley et al., 2007; Waytz et al., 2010). Dit heeft echter ook tot gevolg dat mensen cognitieve schema’s voor sociale perceptie toepassen op conversational agents.
This project researches risk perceptions about data, technology, and digital transformation in society and how to build trust between organisations and users to ensure sustainable data ecologies. The aim is to understand the user role in a tech-driven environment and her perception of the resulting relationships with organisations that offer data-driven services/products. The discourse on digital transformation is productive but does not truly address the user’s attitudes and awareness (Kitchin 2014). Companies are not aware enough of the potential accidents and resulting loss of trust that undermine data ecologies and, consequently, forfeit their beneficial potential. Facebook’s Cambridge Analytica-situation, for instance, led to 42% of US adults deleting their accounts and the company losing billions. Social, political, and economic interactions are increasingly digitalised, which comes with hands-on benefits but also challenges privacy, individual well-being and a fair society. User awareness of organisational practices is of heightened importance, as vulnerabilities for users equal vulnerabilities for data ecologies. Without transparency and a new “social contract” for a digital society, problems are inevitable. Recurring scandals about data leaks and biased algorithms are just two examples that illustrate the urgency of this research. Properly informing users about an organisation’s data policies makes a crucial difference (Accenture 2018) and for them to develop sustainable business models, organisations need to understand what users expect and how to communicate with them. This research project tackles this issue head-on. First, a deeper understanding of users’ risk perception is needed to formulate concrete policy recommendations aiming to educate and build trust. Second, insights about users’ perceptions will inform guidelines. Through empirical research on framing in the data discourse, user types, and trends in organisational practice, the project develops concrete advice - for users and practitioners alike - on building sustainable relationships in a resilient digital society.