Deze vier artikelen uit verschillende hoeken van de HU illustreren uiteenlopende ervaringen met de koppeling tussen onderwijs, onderzoek en beroepspraktijk. Uit hun verhalen blijkt dat deze verbindingen steeds meer vorm krijgen en dat de ervaringen met de HU als kennisinstelling vooral positief zin. Uitgegeven op het HU onderwijscongres 2008 als Passie & Precisie deel 02.
Uit voorwoord Anton Franken, lid CvB `Smart Sustainable Cities is een platform voor het bedrijfsleven, kennisinstellingen en Hogeschool Utrecht waar gezamenlijk vernieuwende producten en diensten worden ontwikkeld die de realisatie van slimme, duurzame en gezonde steden dichterbij brengt. Startende en ervaren professionals hebben hiermee de mogelijkheid om via het onderwijs of via bij- en nascholing de nieuwste toepasbare kennis en inzichten op dit gebied op te doen. Tevens verricht het platform onderzoek. In projecten werken studenten, bedrijven, docenten en onderzoekers samen om nieuwe kennis en inzichten tot toepassing te brengen. Drie inhoudelijke thema’s staan centraal: ‘Stedelijke gebieden energieneutraal’, ‘Gezonde gebieden gezond gebouwd’ en ‘Duurzaam gedrag: mens en organisatie’ .`
Binnen het SIA-RAAK onderzoeksproject 'Touchpoints: persuasief ontwerpen voor duurzaam en gezond gedrag' werkten de lectoraten Crossmediale Communicatie in het Publieke Domein (PubLab) en Codesign (Hogeschool Utrecht; FNT) twee jaar lang samen met bureaus uit de creatieve industrie, kennisinstellingen en gedragswetenschappers. Het eindresultaat bestaat uit een praktisch toepasbare toolbox die de creatieve industrie ondersteunt bij ontwerpen voor duurzaam en gezond gedrag, gebaseerd op een breed scala aan theoriën uit de sociale wetenschappen. Deze publicatie is een weergave van de highlights van het project en de resultaten daarvan in onderzoek, praktijk en wetenschap.
Hoe kan de verblijfskwaliteit en veiligheidsperceptie van de publieke ruimte versterkt worden door de toepassing van “interactieve objecten”? (objecten die met beeld, licht, geluid en sensoren real time reageren op de gebruikers en de ruimte daarop afstemmen). De ontwikkeling van deze zogenaamde responsieve ruimte staat nog in de kinderschoenen maar is beloftevol vanwege de meerwaarde voor de leefbaarheid en het onderscheidend vermogen van de plek en de bedrijven. In Co-ReUs worden drie verschillende mkb groepen samengebracht: stedenbouwbureaus, creatieve conceptontwikkelaars en lokale ondernemers. We gebruiken de ArenA-Boulevard als proeftuin: een als ongezellig ervaren ruimte (lage verblijfskwaliteit en slechte veiligheidsperceptie). De mkb-ers lossen hiermee hun eigen praktijkproblemen op: Stedenbouwbureaus houden zich bezig met het ontwerp van de publieke ruimte. Zij merken dat hun instrumentarium (herontwerp, herbestrating etc.) te kapitaalintensief en te weinig flexibel is om de verblijfskwaliteit en veiligheidsperceptie op dit soort plekken op te lossen. De bureaus hebben behoefte aan een lichter, gerichter en responsiever instrumentarium. Ze hebben echter beperkte (technologische) kennis hoe interactieve objecten precies een bijdrage kunnen leveren. Creatieve conceptontwikkelaars hebben een ander probleem: zij hebben wél de beschikking over interactieve objecten (geluid, beeld, licht, sensoren) maar die zijn vooral kunstzinnig en evenementiëel. De objecten zijn stuk voor stuk niet ontwikkeld vanuit een stedenbouwkundige opgave waardoor ze hiervoor geen panklare oplossing vormen. Lokale mkb-ers hebben ook een probleem: zij weten niet goed hoe zij op een gecoördineerde manier invloed kunnen uitoefenen op de activering van de publieke ruimte. Project Co-ReUs: 1) analyseert hoe de ruimte wordt gebruikt (nulmeting en Programma van Eisen voor de inzet van interactieve objecten; 2) ontwikkelt ruimtelijk-interactieve interventies in co-creatie met de drie mkb groepen. 3) deze worden op het plein geplaatst en nametingen brengen de effecten in beeld. Het resultaat is een actiegerichte Handleiding met Roadmap voor de ontwikkeling van responsieve publieke ruimtes.
Het klimaat verandert. Het wordt natter, heter en droger. Nederland moet zich aanpassen aan het veranderende klimaat. Daarom hebben de gemeenten de uitdaging om vanaf 2020 ervoor te zorgen dat een (her)inrichting van een straat of wijk klimaatbestendig is. Voor wateroverlast en waterveiligheid weten we ongeveer hoe dat moet (o.a. dankzij onderzoek aan de HvA). Wat betreft hitte is eigenlijk nog niet duidelijk wat er moet gebeuren. En dat is zorgelijk, want hitte kan grote problemen geven. Hitte kan leiden tot extra sterfte en zal bovendien de stad steeds vaker erg onaangenaam maken. Duidelijk is dat er aandacht nodig is op het sociale vlak (o.a. in de zorg), voor gebouwen (koele binnenruimtes) en voor de buitenruimte. Dit onderzoeksvoorstel richt zich op dat laatste. Over het hittebestendig inrichten van de buitenruimte ontbreekt nog veel kennis. Stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten, projectontwikkelaars en water-managers bij gemeenten weten namelijk niet welke eisen ze moeten stellen aan nieuwe hittebestendige ontwerpen van de stad, van wijken en van straten. Ze weten niet wat de gewenste hittebestendige eindsituatie van een ontwerp is en welke maatregelen nodig zijn om een hittebestendig ontwerp te realiseren. Kortom, de hitteopgave is nog onvoldoende gekend. Daarom hebben we een consortium gevormd, bestaande uit professionals werkzaam bij gemeenten die met dit vraagstuk bezig zijn, enkele kennisinstellingen en twee hogescholen. De opgave is de professionals handvatten te geven om per locatie en situatie de hitteopgave te kunnen duiden en om te komen tot concrete ontwerpeisen en ontwerpen. Daartoe is ook beter inzicht in het verkoelende effect van hittebeperkende maatregelen nodig (bijvoorbeeld van een bomenrij, een groene gevel, of lichtgekleurd asfalt). Het consortium ontwikkelt hulpmiddelen, zoals hittekwetsbaarheidskaarten, om de hitteopgave te kunnen duiden, onderzoekt het effect van maatregelen en stelt ontwerpregels voor hittebestendige inrichtingen op. De ontwikkelde kennis toetsen we in de praktijk. In twee ronden van ontwerpend onderzoek komen we tot een set van bruikbare hulpmiddelen, inzichten in de effectiviteit van hittebestendige maatregelen en geaccepteerde ontwerprichtlijnen. Hiermee kunnen de professionals werkzaam bij gemeenten beoordelen of een ontwerp hittebestendig is.
UNStudio, een in Amsterdam gevestigd, internationaal toonaangevend architectenbureau, wil hun Green Mile-plan1 voor het centrum van Amsterdam uitwerken om een 'post-pandemisch groen stedenbouwkundig ontwerp' voor de stad te onderzoeken - kunnen groene gebieden worden (her) ontworpen om ruimte aan voetgangers te geven, terwijl voorkomen wordt dat mensen zich niet op dezelfde plek ophopen? De Corona-pandemie benadrukte ook de noodzaak om vaart te zetten achter duurzaamheidsdoelstellingen, waaronder de ambitie om groenere stedelijke omgevingen te creëren. In dit voorstel wordt stadsmeubilair voor de Green Mile ontworpen en gerealiseerd met hergebruikte materialen, en met post-pandemische stedenbouwkundige en bouwkundige principes. GPGroot en Schijf, leveranciers van rest- en gebruikte bouwmaterialen2, willen hun kennis over circulaire materiaalverwerking en -levering in de stedelijke context graag verder ontwikkelen. Het initiatief van UNStudio biedt een unieke kans om deze kennis te ontwikkelen, in samenwerking met de HvA en het onderzoek in de Robot Studio, dat zich tot nu toe met name richt op circulair gebruik van hout voor binnen-toepassingen. Het project volgt een iteratief ontwerpproces van parametrisch ontwerp en digitale productie. Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met functionele eisen en beschikbare materialen, evenals met de specifieke kenmerken van de stedelijke context waar het prototype zou kunnen worden geplaatst. De productie van het prototype zal worden uitgevoerd met 6-assige robots in de HvA Robot Studio. De resultaten zijn ontwerpen en een prototype, maar ook kennis over het verbinden van parametrisch ontwerp en robotproductie met buitentoepassingen, met bijzondere aandacht voor rest- en gebruikte materialen. Innovatieve aspecten zijn de overstap naar structureel belaste buitentoepassingen en het gebruik van een breder scala aan materialen dan alleen hout. Hiermee kan het project bijdragen aan de ontwikkeling van “smart industry” en de circulaire economie, beide relevant voor de maatschappelijke uitdagingen zoals vastgelegd in de nationale Kennis- en Innovatie-Agenda’s voor wetenschap en technologie.