Continuïteit in de forensische zorg versterkt beschermende structuren voor een cliënt en verkleint de kans op terugval. De afgelopen jaren zijn diverse (beleids)programma’s en initiatieven ontplooid om continuïteit in de forensische zorg te verbeteren. Een belangrijke vraag is of professionals en cliënten hier voldoende mee bekend zijn en welke behoeften zij hebben om continuïteit te kunnen verbeteren.
Phantom limb pain following amputation is highly prevalent as it affects up to 80% of amputees. Many amputees suffer from phantom limb pain for many years and experience major limitations in daily routines and quality of life. Conventional pharmacological interventions often have negative side-effects and evidence regarding their long-term efficacy is low. Central malplasticity such as the invasion of areas neighbouring the cortical representation of the amputated limb contributes to the occurrence and maintenance of phantom limb pain. In this context, alternative, non-pharmacological interventions such as mirror therapy that are thought to target these central mechanisms have gained increasing attention in the treatment of phantom limb pain. However, a standardized evidence-based treatment protocol for mirror therapy in patients with phantom limb pain is lacking, and evidence for its effectiveness is still low. Furthermore, given the chronic nature of phantom limb pain and suggested central malplasticity, published studies proposed that patients should self-deliver mirror therapy over several weeks to months to achieve sustainable effects. To achieve this training intensity, patients need to perform self-delivered exercises on a regular basis, which could be facilitated though the use of information and communication technology such as telerehabilitation. However, little is known about potential benefits of using telerehabilitation in patients with phantom limb pain, and controlled clinical trials investigating effects are lacking. The present thesis presents the findings from the ‘PAtient Centered Telerehabilitation’ (PACT) project, which was conducted in three consecutive phases: 1) creating a theoretical foundation; 2) modelling the intervention; and 3) evaluating the intervention in clinical practice. The objectives formulated for the three phases of the PACT project were: 1) to conduct a systematic review of the literature regarding important clinical aspects of mirror therapy. It focused on the evidence of applying mirror therapy in patients with stroke, complex regional pain syndrome and phantom limb pain. 2) to design and develop a clinical framework and a user-centred telerehabilitation for mirror therapy in patients with phantom limb pain following lower limb amputation. 3) to evaluate the effects of the clinical framework for mirror therapy and the additional effects of the teletreatment in patients with phantom limb pain. It also investigated whether the interventions were delivered by patients and therapists as intended.
Sommige mensen hebben psychiatrische of ernstige psychische problemen én leveren gevaar op voor anderen. Het betreft bijvoorbeeld mensen die lijden aan schizofrenie of een antisociale persoonlijkheidsstoornis, die anderen schade berokkenen, leed veroorzaken of strafbare feiten plegen. Goed omgaan met deze mensen is een moeilijke opgave. Ze maken deel uit van twee werelden. Die van de zorg en die van justitie, die zich in de praktijk moeizaam tot elkaar verhouden. Allereerst kampt een aanzienlijk deel van de gedetineerden in Nederlandse gevangenissen met psychi(atri)sche problemen, die niet altijd behandeld worden. Ten tweede zijn de recidivecijfers hoog. Binnen vier jaar na ontslag uit de gevangenis is 66% opnieuw veroordeeld voor een misdrijf. Ten derde en in samenhang daarmee zijn er knelpunten in het begeleiden van (ex-)gedetineerden bij hun terugkeer naar de maatschappij. Als beter en langer nazorg zou worden verleend, zou het risico op terugval kunnen worden verkleind. Tot slot komen psychiatrische patiënten die overlast veroorzaken niet altijd tijdig in beeld bij de hulpverlening. Daardoor kunnen zij terechtkomen in situaties waarin zij delicten plegen die mogelijk hadden kunnen worden voorkomen. De vraagstelling van het advies luidt: hoe kunnen we beter omgaan met delictplegers met psychi(atri)sche problemen?