Forensisch sociale professionals komen regelmatig in aanraking met cliënten bij wie zich een of meerdere ingrijpende ervaringen in hun leven hebben voorgedaan. Het begeleiden van deze cliënten kan uitdagend zijn omdat het verband tussen ingrijpende ervaringen uit het verleden en klachten in het heden regelmatig gemist wordt. Trauma wordt beschreven als een directe risicofactor voor gewelddadig gedrag en indirecte risicofactor door middel van mediërende variabelen zoals impulsiviteit, negatieve emotionaliteit of hypervigilantie en achterdocht. Trauma kan ook gezien worden als responsiviteitsfactor omdat traumagerelateerde symptomen de behandeling en het toezicht bemoeilijken. Deze symptomen kunnen er voor zorgen dat cliënten hun programma niet kunnen volgen, niet op afspraken kunnen verschijnen of niet optimaal kunnen profiteren van de therapie. In dit hoofdstuk wordt het verband tussen ingrijpende ervaringen uit het verleden en klachten in het heden nader beschreven en concrete adviezen geformuleerd hoe hier in de praktijk zo goed mogelijk mee om te gaan.
DOCUMENT
Introduction: Nowadays the Western mental health system is in transformation to recovery-oriented and trauma informed care in which experiential knowledge becomes incorporated. An important development in this context is that traditional mental health professionals came to the fore with their lived experiences. From 2017 to 2021, a research project was conducted in the Netherlands in three mental health organizations, focussing on how service users perceive the professional use of experiential knowledge. Aims: This paper aims to explore service users’ perspectives regarding their healthcare professionals’ use of experiential knowledge and the users’ perceptions of how this contributes to their personal recovery. Methods: As part of the qualitative research, 22 service users were interviewed. A thematic analysis was employed to derive themes and patterns from the interview transcripts. Results: The use of experiential knowledge manifests in the quality of a compassionate user-professional relationship in which personal disclosures of the professional’s distress and resilience are embedded. This often stimulates users’ recovery process. Conclusions: Findings suggest that the use of experiential knowledge by mental health professionals like social workers, nurses and humanistic counselors, demonstrates an overall positive value as an additional (re)source.
DOCUMENT
Research shows that victimization rates in forensic mental health care are high for both female and male patients. However, gender differences have been found in types and patterns of victimization (more sexual abuse and more complex trauma for women), cognitive appraisal, and response to traumatic events. Gender-responsive treatments focusing on trauma have been designed to adhere to these gender differences; however, despite promising research results, these interventions are yet to be introduced in many settings. This study examined how trauma is addressed in current clinical practice in Dutch forensic mental health care, whether professionals are knowledgeable of gender differences in trauma, and how gender-responsive factors such as self-esteem, self-efficacy, social relations, and coping skills are considered in treatment for female patients. We used a mixed-method design consisting of an online survey and 33 semi-structured interviews with professionals and patients. The results suggested that Dutch forensic mental health care could address trauma more structurally, and professionals could be more aware of gender differences and gender-responsive factors. Early start of trauma treatment was deemed important but was not current practice according to patients. Based on this study, guidelines were developed for gender-responsive, trauma-informed work in forensic mental health care.
DOCUMENT
The unexpected death of a child is one of the most challenging losses as it fractures survivors’ sense of parenthood and other layers of identity. Given that not all the bereaved parents who have need for support respond well to available treatments and that many have little access to further intervention or follow-up over time, online interventions featuring therapeutic writing and peer support have strong potential. In this article we explore how a group of bereaved mothers experienced the process of participating in an online course in therapeutic writing for the integration of grief. Our research questions were: How do parents who have lost a child experience being part of an online course in therapeutic writing? What are the perceived benefits and challenges of writing in processing their grief? We followed an existential phenomenological approach and analyzed fieldwork notes (n = 13), qualitative data from the application and assessment surveys (n = 35; n = 21), excerpts from the journals of some participants (n = 3), and email correspondence with some participants (n = 5). We categorized the results in three meaning units: (1) where does my story begin? The “both and” of their silent chaos; (2) standing on the middle line: a pregnancy that does not end; (3) closures and openings: “careful optimism” and the need for community support. Participants experienced writing as an opportunity for self-exploration regarding their identities and their emotional world, as well as a means to develop and strengthen a bond with their children. They also experienced a sense of belonging, validation, and acceptance in the online group in a way that helped them make sense of their suffering. Online writing courses could be of benefit for bereaved parents who are grieving the unexpected death of a child, but do not replace other interventions such as psychotherapy. In addition to trauma and attachment informed models of grief, identity informed models with a developmental focus might enhance the impact of both low-threshold community interventions and more intensive clinical ones. Further studies and theoretical development in the area are needed, addressing dialogical notions such as the multivoicedness of the self. Lehmann OV, Neimeyer RA, Thimm J, Hjeltnes A, Lengelle R and Kalstad TG (2022) Experiences of Norwegian Mothers Attending an Online Course of Therapeutic Writing Following the Unexpected Death of a Child. Front. Psychol. 12:809848. doi: 10.3389/fpsyg.2021.809848
DOCUMENT
Important gender differences, relating to trauma history, offending and mental health needs are not sufficiently considered in most (risk) assessment and treatment procedures in forensic practice. We developed guidelines for gender-responsive work in Dutch forensic mental health care. The experiences of practitioners and forensic psychiatric patients were collected and analyzed by means of an online survey (n = 295), interviews with professionals (n = 22), female (n = 8) and male (n = 3) patients. Guidelines regarding gender-sensitive (risk) assessment and trauma-informed care were rated as most relevant in the survey. In the interviews we focused on experiences and wishes for trauma treatment and gender-mixed treatment. Practical guidelines were written based on the results of the survey, interviews and literature, and presented in expert meetings with patients and practitioners, and further refined based on their comments. Applying these guidelines may contribute to improved treatment for female patients thereby preventing relapse.
LINK
Conform de tendens naar steeds meer gespecialiseerde generalisten – ook wel ‘T-shaped social professionals’ genoemd – specialiseren professionals zich in een bepaalde richting. In bij- en nascholingen wordt gretig geïnvesteerd in onder meer trauma, systemisch werken en mindfulness. Het arsenaal oogt onuitputtelijk en de specifieke expertise hangt deels af van de (type) vooropleiding en de vigerende opvattingen en wetenschap binnen een bepaald vakgebied. Sociaal werkers hebben sinds een aantal jaren ook een nieuw type kennis tot hun beschikking: ervaringsdeskundigheid. Zij kunnen deze deskundigheid inzetten bij de begeleiding van bijvoorbeeld mensen met ernstige psychiatrische klachten. Wat is de kern van deze geprofessionaliseerde inzet van ervaringsdeskundigheid? Wat dit oplevert voor cliënten en hoe dit precies werkt in de praktijk zullen wij mede aan de hand van een praktijkcasus illustreren
DOCUMENT
Aan patiënten opgenomen in de forensische zorg zit een steekje los. Maar volgens de publieke opinie ook aan de professionals, en in de processen hapert ook het een en ander. In haar oratie ging Vivienne de Vogel in op deze losse steekjes en hoe deze te herstellen zijn. Ze benadrukt daarbij het belang van onderzoek vanuit drie perspectieven: patiënten, professionals en processen. ‘Een geïntegreerd perspectief is nodig om de kwaliteit van de forensische zorg verder te verbeteren.’
DOCUMENT
In deze handreiking bieden wij richtlijnen voor het behandelen van vrouwen in de (gemengde) klinische forensische zorg. Deze zijn gebaseerd op literatuuronderzoek, een enquête (ingevuld door 295 professionals), interviews met 22 professionals en 11 patiënten (acht vrouwelijke, drie mannelijke), twee expertmeetings met professionals en een expertmeeting met vrouwelijke patiënten en een pilot onderzoek in drie forensische instellingen. In het eindrapport Behandelen van vrouwen: Een vak apart? Ontwikkeling van een handreiking voor het behandelen van vrouwen in de klinische forensische zorg1 wordt de onderbouwing van deze richtlijnen vanuit de literatuur en het door ons uitgevoerde onderzoeksproject uitgebreid besproken. We vinden het belangrijk te benadrukken dat meerdere van de richtlijnen in deze handreiking evenzogoed voor mannen in de klinische forensische zorg waardevol kunnen zijn. Gender-responsief werken betekent rekening houden met genderverschillen, maar ook zo goed mogelijk afgestemd op het individu, of dit nu een vrouw, man of andere genderidentiteit is. Toch vonden we het nodig om specifieke richtlijnen te formuleren voor vrouwen, aangezien tot nu toe de meeste aandacht binnen de forensische zorg, zowel vanuit de wetenschap als de praktijk, uit is gegaan naar mannen. Onderzoek is nog beperkt, maar laat wel zien dat de meeste (risicotaxatie)instrumenten en forensische behandelmethoden minder bruikbaar zijn voor vrouwen en dat aanpassingen of aanvullingen gewenst zijn. Daarnaast denken we dat extra aandacht voor vrouwen van belang is gezien hun duidelijke minderheidspositie in forensische instellingen. We willen graag alle patiënten en professionals die hebben meegewerkt aan het onderzoeksproject (enquête, interviews, expertmeetings en pilot onderzoek) hartelijk bedanken. Hun input was bijzonder waardevol. Ook danken we de leden van de begeleidingscommissie Marije Keulen-de Vos, Marike Lancel, Jeroen Kampkes, Tiemenna Oosterhof, Anne-Marie Slotboom, en Jeantine Stam voor hun constructieve meedenken en Juul Depla en Els Russchenberg, die in het kader van hun onderzoeksstage veel werk hebben verzet. We hopen dat deze handreiking kan bijdragen aan een zo effectief mogelijke behandeling van vrouwen in de klinische forensische zorg in het belang van deze vrouwen, hun directe omgeving (met name eventuele kinderen), de professionals die met hen werken en de maatschappij.
DOCUMENT
Forensic psychiatric inpatients are frequently exposed to aggression from fellow patients during their treatment, but research on how this impacts patients’ well-being and treatment progress is lacking. In this study, we interviewed nine patients on their experiences of victimization during mandatory psychiatric treatment. The interviews were analyzed using a Grounded Theory approach combined with elements from Consensual Qualitative Research and Interpretative Phenomenological Analysis. Three main themes emerged from the data, namely situational descriptives, intrapersonal and interpersonal consequences. Patients were not only exposed to both physical violence and verbal aggression by other patients, but also to a more ubiquitous flow of micro- aggressive comments. Options to escape these situations were limited. This means that victimization processes, which for most patients started much earlier in life, continue during forensic psychiatric treatment. Intrapersonal consequences include fear, hypervigilance, reactive aggression, flashbacks and avoidance and withdrawal. Interpersonal consequences include increased power differences between patients and adverse treatment consequences, such as difficulties with self-esteem. Victimization processes are not always timely noticed in an environment that focuses on risks and treatment of delinquent behavior. A higher level of trauma sensitivity in forensic mental health care is thus required. Recommendations for the implementation of trauma informed care are provided.
LINK
Internationaal onderzoek laat zien dat ingrijpende jeugdervaringen, ook wel Adverse Childhood Experiences (ACE’s) genoemd, een sleutelrol spelen in de ontwikkeling van jeugdigen en hun (latere) psychische en fysieke gezondheid (o.a. Felitti et al., 1998; McLaughlin, 2016). Jeugdigen met verstandelijke beperkingen en hun ouders zijn helaas sterk ondervertegenwoordigd in internationaal onderzoek naar ACE’s, terwijl het belangrijk is dat de huidige inzichten ook kunnen bijdragen aan de verbetering van hun gezondheid en welzijn (o.a. Keesler, 2014; Northway, 2017). Uit verschillende studies blijkt namelijk dat mensen met een verstandelijke beperking vaker geestelijke en fysieke gezondheidsproblemen hebben (Northway, 2017). Daarnaast blijkt dat zij vaker worden blootgesteld aan een groter aantal ingrijpende levensgebeurtenissen (o.a. Emerson, 2015; Mason-Roberts et al., 2018) en dat deze blootstelling gerelateerd is aan een verhoogd risico op geestelijke gezondheidsproblemen (zie Vervoort-Schel et al., 2018 voor verwijzingen). De premisse van de ACE’s-studies is dat het voorkomen of verminderen van ingrijpende jeugdervaringen een positieve invloed heeft op gezondheid en welzijn in het leven (Northway, 2017). Het is veelbelovend om daar verder onderzoek naar te doen.
DOCUMENT