Dit onderzoek is een aanzet tot het expliciteren en verder ontwikkelen van het handelingsrepertoire van de ondersteuners in zelfbeheer. Het onderzoek is gericht op kennis- en praktijkontwikkeling en levert een bijdrage aan de ontwikkeling van praktijktheorie over de nieuwe sociale professional als ondersteuner van zelfsturing van mensen in kwetsbare situaties. Binnen het beroepsonderwijs levert dit onderzoek input voor twee van de met de WMO-werkplaats beoogde producten: de handreiking zelfbeheer en samensturing en een bijdrage voor een verbeterde versie van de onderwijsmodule herstelgericht outreachend werken.
Hoofdstuk 11 van de MOVISIE-publicatie“Op zoek naar duurzame zorg” waarin de Wmo-Werkplaats 'JES' (Je Eigen Stek) in Amsterdam wordt behandeld. In het hoofdstuk wordt allereerst de Wmo-Werkplaats besproken, daarna volgt een introductie van het project JES. Vervolgens worden twee casussen van deelnemers aan het project beschreven. Het onderzoek naar JES was tijdens de publicatie van het document gaande, waardoor dit hoofdstuk geen uitgebreide onderzoeksresultaten bespreekt. In plaats daarvan wordt de informatie van binnenuit besproken en zijn twee andere zelforganisaties in het verslag betrokken. Op deze manier wordt een impressie gegeven van de krachten die een bundeling van formele en informele zorg kan genereren. Ook bespreken de auteurs de eventuele knelpunten van organisaties in zelfbeheer en de mogelijke oplossingen daarvoor.
In voorzieningen in zelfbeheer groeien deelnemers in sociale rollen. Zodra zij meer grip krijgen op hun leven, kunnen zij ervaringswerker worden. Ze beheren daarmee de voorziening, bijvoorbeeld de nachtopvang van dak- en thuislozen of een zorghotel, samen met sociaal werkers. Wat komt er kijken bij die samenwerking? Hoe voeren sociaal werkers als kritische vriend subtiele regie?
Vier gemeenten in Noord-Brabant, het Landelijke Samenwerkingsverband Actieve bewoners, kennisinstelling Movisie en de Universiteit voor Humanstiek willen middels een ontwikkelonderzoek meer kennis opdoen en delen over hoe interacties verlopen tussen verschillende partijen in de nieuwe gemeentelijke constellatie waarin burgerinitiatieven een grotere rol krijgen bekeken vanuit criteria van democratische legitimatie en duurzaamheid van beleid. Dit past binnen huidig overheidsbeleid die burgers blijvend een grotere rol wil geven. Het beleid heeft hoge verwachtingen van burgerinitiatieven als bijdrage aan de kwaliteit van leven in buurten en wijken (nota Doe-democratie, 2013). De hoop is dat burgerinitiatieven niet alleen aanvullend zijn op beleid, maar ook delen van beleid overnemen; bijvoorbeeld via zorg coöperaties en zelfbeheer van publieke voorzieningen zoals buurthuizen. Er is naast duurzaamheid ook aandacht voor democratische legitimatie, omdat met het meer stem geven aan burgers de vraag ontstaat of de democratische waarden geborgd blijven. Op vier niveaus wordt onderzocht welke condities van belang zijn ten dienste van het ontstaan van die duurzame burgerinitiatieven die passen in een vernieuwde democratie, namelijk 1. Gemeenteraad en college en burgerinitiatieven 2. Ambtenaren en burgerinitiatieven 3. Burgers en burgerinitiatieven 4. Burgers onderling binnen burgerinitiatieven. Het gaat om vragen als moeten bestuurders zich bemoeien met de kwaliteit van bewonersinitiatieven? Voelen burgers buiten burgerinitiatieven zich ook betrokken bij initiatieven? Worden er democratische besluiten genomen binnen initiatieven? Middels interviews, participerende observaties en leerbijeenkomsten wordt kennis opgehaald bij bestuurders, ambtenaren, burgers binnen en buiten burgerinitiatieven. Daarnaast worden de leerbijeenkomsten gebruikt om opgedane kennis direct te delen.