The objective of this study is to shed light on the added value of the services of five disciplines in M&A advisory in the SME domain: accountants, bankers, business brokers, fiscalists and lawyers. Theory is inconclusive in the added value of advisory services and research on the subject is hardly available. RBV predicts direct benefits in using advisory services in M&A, leading to less obstacles in and directly after M&A or lagged effects on more renewal of the firm. The theory of structural holes, agency theory and management entrenchment theory on the other hand predict neutral or negative effect of advisory services in M&A. The dataset includes 899 mergers and acquisitions (1) completed before 2003; (2) with an acquirer having bought 100% of target shares or assets; (3) of German, Belgian or Dutch origin; (4) of non-listed firms; (5) where acquirer and target firm are not member of the same family. Using (M)ANOVA’s and controlling for the effects of more than one advisor involved, the outcomes show consistently that the M&A advisory services do not reduce obstacles like financing, misinformation and culture and staff problems during or immediately after M&A. Looking at lagged effects of advisory services in the period of two years after M&A strategic more renewal by innovation occurs if bankers, fiscalists and lawyers are involved. Involvement of accountants and business brokers on the other hand decrease renewal.
It is important for the current small and medium sized companies to innovate and thereby still to be able to compete with the cheaper companies from the east. Within Fontys University a project has been started to develop an innovative education for its future curricula. More attention is paid to competence learning and 'learn to learn'-principles instead of cognitive learning. This has resulted in a so-called 'major-minor' system. In the Netherlands this system of education is commonly used at the Universities. The major, at Fontys, is a three-year primary education, which aims to develop the student's discipline. The minor are two education entities restricted, for the size of 30 ECTS, which students can choose. Within the Fontys University a study has started to develop a minor education on the topic "strategically decision-making on innovations in a SME". Fontys wants to train its students for this task in the SME, because it is assumed that many higher educated personnel will find work in the SME. Furthermore it is assumed that there is a growing need for higher educated personnel in possession of competences about strategic decision-making and implementing an innovative organisation. In the autumn of 2006, as a result of the present developments, a minor will be started on the topic 'strategically decision-making on innovations'. This paper describes the progress of the developments of the minor.
We examined scholarly and practitioner work to identify a definition of governance relevant to the small business enterprise. In addition, we reviewed growth articles to identify frequently used growth indicators and make inferences to governance literature. In order to ensure that these terms and variables are embedded in practice we examined 12 cases of Dutch SME firms in the process of growth using a textual analysis methodology. In addition, we interviewed 15 accountants/advisors on their experiences with Dutch SME firms as their clients. The combination of a thorough literature review with the collected surveys and interviews from two independent sources (SME owners/managers and SME accountants/advisors) allows us to triangulate data. We provide a tentative framework identifying nine preliminary governance categories.
Kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) komen te vaak in de problemen in het onderwijs, waarbij een deel van de kinderen zelfs uit het onderwijs valt. Dit heeft mogelijkerwijs te maken met twee duidelijke knelpunten van het beleid van passend onderwijs. Ten eerste is passend onderwijs nog te veel een bestuurlijk construct en nauwelijks op het handelingsniveau van professionals gericht. Ten tweede vormen de grenzen van onderwijs en de jeugdhulpverlening nog te veel een belemmering om met vereende kracht leerlingen op maat te ondersteunen. Het op maat ondersteunen vraagt om een versteviging van vaardigheden van leerkrachten en jeugdhulpverleners om het welbevinden en leergedrag van ASS-leerlingen te stimuleren. Daarbij kunnen professionals elkaars expertise beter benutten om op deze manier samen in de klas op een talentgerichte wijze het welbevinden en leergedrag van leerlingen met ASS te ondersteunen. Het doel van deze aanvraag is het ontwikkelen van een bruikbaar prototype van een professionaliseringsaanbod voor leerkrachten en jeugdhulpverleners dat de vaardigheden die deze professionals in de klas nodig hebben versterkt, zodat leerlingen met ASS op een passende wijze ondersteund worden in hun leergedrag en welbevinden. Het consortium –bestaande uit leerkrachten uit het (speciaal) primair onderwijs, jeugdhulpverleners, gedragsdeskundigen – managers en onderzoekers, brengt via een ontwerponderzoek de behoeftes en benodigde vaardigheden in kaart en ontwikkelt ontwerpprincipes en een concept professionaliseringsaanbod. Dit concept is de basis van een professionaliseringsaanbod waarmee een bredere groep leerkrachten en jeugdhulpverleners tools krijgt om leerlingen met ASS effectief te ondersteunen. Het doel van deze aanvraag is in lijn met het landelijk beleid rondom passend onderwijs en de nationale wetenschapsagenda bij het thema ‘Jeugd in ontwikkeling, opvoeding en onderwijs’. Verbetering van het handelen van leerkrachten en jeugdhulpverleners in een integrale aanpak zorgt voor betere schoolresultaten, minder schooluitval en een betere communicatie tussen leerkrachten en hulpverleners en draagt bij aan een inclusieve maatschappij.
Eind 2022 woonden in Nederland 17.652 kinderen in een pleeggezin. Van alle pleegzorgplaatsingen betrof 46% een plaatsing in het eigen netwerk van het pleegkind, dat meestal de eigen familie is. Bij deze familieplaatsingen hebben kinderen vaker met loyaliteitsconflicten te maken vanwege complexe familierelaties dan bij plaatsingen buiten hun familie(netwerk). Familiebanden blijken een bijzondere kracht en veerkracht in familieplaatsingen: ‘Eigen bloed is het waard om voor te vechten’ (pleegzorgwerker, Van de Koot et al., 2023). Hoewel familiepleegzorg een veelbelovende vorm van pleegzorg is qua stabiliteit en vertrouwdheid voor het kind, zorgen de intergenerationele familiebanden voor meer conflicten, hoogoplopende emoties en specifieke spanningen. Hierdoor stellen familieplaatsingen de betrokken pleegzorgwerkers vaak voor uitdagingen. Vaak verblijft het kind al in het (familie)pleeggezin voordat de pleegzorgwerker betrokken raakt en kunnen er zorgen bestaan over de veiligheid van het kind. Familieplaatsing in pleegzorg vraagt daarom van pleegzorgwerkers bijzondere kennis en vaardigheden over: 1) het begeleiden van de plaatsing van het pleegkind, en 2) het begeleiden van de familierelaties. Daarover is enerzijds meer onderzoek nodig in de sterke punten en belemmeringen van familiepleegzorg, alsmede de behoeften van pleegkinderen, hun ouders en pleegouders. Anderzijds is het van belang inzicht te krijgen in de vaardigheden, hulpmiddelen en werkvormen die pleegzorgwerkers nodig hebben om deze specifieke vorm van pleegzorg te begeleiden, zodat familieplaatsingen duurzaam en stabiel blijven en/of worden. Dit onderzoek beoogt antwoord te geven op de volgende vraag ‘Hoe kunnen pleegzorgwerkers het pleegkind en zijn pleegouders, ouders en mogelijke andere familieleden gedurende familieplaatsingen zo begeleiden dat de relaties rondom het pleegkind van dusdanige aard zijn dat de loyaliteit van het kind naar alle voor hem belangrijke familieleden mag uitgaan?’. Het consortium beoogt dat potentieel veelbelovende plaatsingen voor kinderen minder vaak in breakdown eindigen, maar dat het kind relationele stabiliteit en welzijn ervaart.
De aanvraag betreft het ontwikkelen en verkennen van de marktmogelijkheden van een IT-tool dat de slaagkans van bedrijfsoverdrachten verbetert. De (emotionele) barrières die ondernemers bij de verkoop hun bedrijf tegenko-men worden inzichtelijk gemaakt. Tevens wordt getoetst of de manier waarop ondernemers nu omgaan met die barrières (coping) effectief is. De doelgroep voor het onderzoek zijn overname-adviseurs, kopende en verkopende ondernemers alsmede investeerders.