Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de installatie als lector duurzame energievoorziening bij de Saxion Hogescholen op 19 maart 2004 in Enschede door Dr.W.Gilijamse. Iedere dag wordt door de NOS het radioprogramma “Met het oog op morgen” uitgezonden. Zo worden de late luisteraars naar Radio 1 voorbereid op de dag van morgen. Onze energievoorziening is niet ingericht “met het oog op morgen”. In het huidige jargon: onze energievoorziening is niet duurzaam. Het is mijn missie bij te dragen aan een energievoorziening die wel voorbereid is op de dag van morgen. Deze missie deel ik met veel mensen en met veel wat zeker ook leeft bij de Saxion Hogescholen. Een week geleden werd bij de Saxion Hogeschool IJselland in Deventer Theo de Bruijn geïnstalleerd als lector duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Eerder vandaag heeft u kunnen vernemen wat er bij de Saxion Hogeschool Enschede al vóór mijn komst als lector is gedaan aan energie-efficiency en duurzame energie.
Voor het behalen van de circulaire overheidsdoelstellingen is een belangrijke rol weggelegd voor het terugwinnen van energie en grondstoffen uit organisch afval. In steden bestaat het organisch afval van huishoudens voornamelijk uit groente, fruit en etensresten (GFE-afval). Dit GFE-afval wordt echter nog nauwelijks gescheiden ingezameld in grote Nederlandse steden zoals Amsterdam. In Amsterdam bestaan wel een aantal kleine lokale initiatieven die bewoners betrekken om GFE-afval apart in te zamelen. Van deze lokale initiatieven is echter weinig bekend over de maatschappelijke impact die zij hebben. Levert het inzamelen van GFE-afval op deze manier inderdaad de gewenste effecten op? En op welke manier dragen dit soort lokale initiatieven bij aan andere maatschappelijke doelstellingen zoals sociale samenhang in de wijk en het bieden van werk aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt? Het Re-Store onderzoek probeert antwoord te vinden op deze vragen en bestaat uit twee delen gericht op enerzijds het bepalen van impact en anderzijds het vergroten van impact.Het eerste deel omvat onderzoek onderzoek voor de ontwikkeling van een tool tool waarmee de milieukundige, economische en sociale impact van initiatieven in kaart kan worden gebracht. Op basis van wetenschappelijke literatuur en gesprekken met praktijkpartners is een tool ontwikkeld om deze impact te kunnen inschatten. Met de tool zijn vier praktijkcases onderzocht waarin GFE-afval apart ingezameld en verwerkt wordt (Voedselfiets, Wormenhotels, Centrale verwerking Java-eiland en Decentrale vergisting). Hierbij is deze nieuwe situatie vergeleken met de oorspronkelijke situatie, waarin het GFE-afval samen met het restafval ingezameld en verbrand werd.Uit het Re-Store onderzoek komt naar voren dat er in de cases geen vermindering van broeikasgassen is door het apart inzamelen en verwerken van GFE-afval ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Vermoedelijk komt dit omdat de verbranding van GFE-afval groene stroom oplevert die op dit moment grijze stroom vervangt. De sociale impact van de initiatieven is wel duidelijk aanwezig, vooral voor de Wormenhotels en de Voedselfiets. De projecten tonen een verhoging in de beleefde sociale samenhang en educatieve ontwikkeling. De financiële kosten van de initiatieven zijn bij alle cases hoger dan bij de ongescheiden inzameling en verbranding. Dit heeft deels te maken met de kleine schaal van de initiatieven. Om dit te ondervangen zijn er ook fictieve scenario’s gemaakt die de economische en milieukundige impact analyseren bij het op grotere schaal uitvoeren van initiatieven. Het onderzoek maakt duidelijk dat het behalen van circulaire doelstellingen niet automatisch betekent dat klimaatdoelstellingen ook gehaald worden.Het tweede deel van het Re-Store project bestaat uit onderzoek naar stimuleringsmaatregelen om scheidingsgedrag en ketensamenwerking te bevorderen en daarmee de impact van initiatieven te vergroten. Dit onderzoek is uitgevoerd met behulp van twee simulatiemodellen die zijn gebaseerdop gedragsliteratuur en twee casestudies rondom afvalinzameling en -verwerking: NDSM-werf en Haven-Stad.Op basis van uitgebreide simulaties met verschillende combinaties van interventies voor afvalscheiding blijkt dat het aan te bevelen is om te beginnen met communicatie-interventies, omdat deze tegen relatief lage kosten veel bijdragen. Om lokale verwerkingsketens meer dan vijf jaar in stand te kunnen houden is het vooral van belang dat de processen van de afvalverwerkende partij passen bij bestaande eigen kennis, vaardigheden en bedrijfsvoering. Bij voorkeur wordt het afval aangeboden door een vrij groot lokaal netwerk van tientallen (of meer) aanbieders. Een stabiel lokaal initiatief heeft continu beschikking over enkele malen meer afval dan het verwerkingsproces minimaal nodig heeft. Het maken van meerjarige afspraken over afvalleveringen zorgt voor een stabielere keten met grotere kans op succes.Met deze twee deelonderzoeken biedt het Re-Store project hulpmiddelen om de impact van lokale initiatieven voor verwerking van organisch afval inzichtelijk te maken en te vergroten. De tool kan door initiatiefnemers en opdrachtgevers gebruikt worden om de milieukundige, economische en sociale impact te vergelijken van verschillende scenario’s om GFE-afval te verwerken. Hiermee kunnen ze een degelijke evaluatie uitvoeren over de gehele keten. De simulatiemodellen en vuistregels bieden daarbij praktische handvatten om de beoogde impact van de initiatieven vervolgens te vergroten. Met de methode van simuleren kunnen onderzoekers de praktijk ondersteunen door meer inzichten te verwerven over mogelijke interventies. Hierbij wordt er naast techniek, ook rekening gehouden met sociale interacties van spelers, overheidsbeleid en marktmechanismen; factoren die allemaal invloed uitoefenen op het beoogde succes.
Er is toenemende aandacht voor bodemvruchtbaarheid door het gebruik van organisch materiaal, waaronder plantaardige reststromen zoals bermgras. Bokashi, een bodemverbeteraar gemaakt van deze reststromen, wordt gezien als een duurzame oplossing voor lokale kringlooplandbouw. Hoewel bokashi potentieel biedt, zijn de toepassingsmogelijkheden beperkt door wet en regelgeving. Er is ook zorg over mogelijke vervuiling (i.e. plastic, onkruiden, zware metalen) in bokashi, wat kwaliteitscontroles vereist. Samen met Mulder Agro, Wetterskip, NFW, deelnemende agrariers en Van Hall Larenstein hebben we sinds 2018 veldproeven lopen. Daarnaast hebben we gezamenlijk een blauwdruk opgezet waarin we onder andere de toepassingsmogelijkheden, wet en regelgeving en laatste kennis van de literatuur uiteenzetten.
The Cashing Cashew project focuses on isolation and purification of Cashew Nut Shell Liquid (CNSL) from Cashew Nut Shells (CNS) in order to fully utilize this valuable by-product of the cashew nut production. Global cashew nut production is about 4 million mt/ tons/yr. Of the cashew nut, about 70 % is shell that is removed in processing and currently typically burned as a dirty and inefficient fuel or discarded as waste. This is not only creating an environmental issue but also wasting valuable by-products. The shell contains circa 20-30 % brown viscous liquid, Cashew Nut Shell Liquid (CNSL). This natural resin contains valuable chemical components, for example, cardanol, cardol, and anacardic acid. CNSL and its derivatives have several industrial uses as for example biobased additives, polymeric building blocks, and biodiesel. Part of the CNSL can be extracted during the roasting process prior to separating the shell and nut kernel. The shell waste still has a high CNSL concentration that can be isolated by solvents or pressing (expeller). Expeller process is simple and not capital-intensive; therefore it is commonly used. The main disadvantages of the method are the high energy consumption and that 3-5 % oil remains in the press-cake producing harmful gases in burning. Also, the resulting cake is too dense to be further processed to charcoal or other useful application. The objective of this project is to study the purification of the CNSL obtained from pyrolytic isolation to find the most efficient way of making use of the CNSL oil and the total Cashew Nut Shell biomass. An initial evaluation of potential applications is also performed.
Fucoxanthine is een van de meest voorkomende carotenoïden en wordt voornamelijk geproduceerd door bruinwier en microalgen. Er is veel belangstelling voor de farmaceutische en cosmetische werking van fucoxanthine, zoals bescherming tegen UV-B geïnduceerd melanoom en huidveroudering. Desondanks zijn fucoxanthine extracten niet of nauwelijks verkrijgbaar als cosmetisch ingrediënt. Project FUCOS wil daarom zelf de productie van FUCOS extracten ontwikkelen en deze toepassen in cosmetische prototypen. Project FUCOS zal de fucoxanthine inhoud van commercieel beschikbare bruinwieren zoals Saccharina latissima en Undaria pinnatifida alsmede de microalg Isochrysis galbana evalueren om zo de meest rendabele biomassa grondstof te selecteren. Hier vanuit zullen kleinschalig verschillende groene, voedselveilige extractie methoden ontwikkeld en vergeleken worden op fucoxanthine opbrengst en kosten efficiëntie. De resulterende extracten kunnen worden toegepast in cosmetische prototypen na evaluatie van de biologische activiteiten. Hiermee zet project FUCOS een nieuwe stap richting de exploitatie van algen en wieren als biobased grondstof en de ontwikkeling van duurzame cosmetica.
The SMEs participating in the NUTSHELL-project approached Avans to assist them in evaluating the pyrolytic extraction of valuable oils from Cashew Nut Shell (CNS). CNS is waste generated in the production of edible cashew nut. For the 2017 the predicted cashew nuts crop yield is 3 million tons; resulting to 2 million tons of CNS waste. CNS contains circa 30-35% brown viscous liquid, called Cashew Nut Shell Liquid (CNSL) , this is a natural resin containing valuable components, for example cardanol, cardol and anacardic acid. CNSL and its derivatives have several industrial uses as biobased additives, polymeric building blocks and biodiesel. Part of the CNSL can be extracted during the roasting process prior to separating the shell and nut kernel. The shell waste still has a relatively high CNSL concentration that can be isolated by solvents or pressing (expeller). Expeller process is simple and not capital-intensive; therefore it is commonly used in a small scale production. The main disadvantages of the method are the relatively high energy consumption and its low oil recovery, the level of oil in the press-cake remains 3 to 5%. The residual oil produces harmful gases in burning hence hindering the use as fuel. Also the resulting cake is too dense to be further processed to charcoal or other useful application; hence forming a significant waste stream. One of the main advantages of the pyrolysis route as envisaged by the SME partners is using the total CNS biomass. The objective of this project is to study a process where in the pyrolytic isolation of CNSL oils is achieved and the remaining cake can be further pyrolysed to form charcoal or biochar.